id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.074 Rolnummer: A. 59730/IX-270 Zaak: Arrest 132074 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-24 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.074 van 7 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.074 van 7 juni 2004 in de zaak A. 59.730/IX-
- In zake : Roger DE NEEF, wonende te BEERNEM, Berenheemstraat 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Roger DE NEEF op 6 september 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 13 juli 1994 waarbij hij met ingang van 1 augustus 1994 wordt teruggezet in de graad van adjunct-verificateur; Gelet op het arrest nr. 50.070 van 7 november 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 september 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-270-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 3 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIEKENS, die verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- In de loop van het jaar 1984 komen onregelmatigheden aan het licht in het douanekantoor Brussel 1 DE alwaar verzoeker als verificateur werkzaam is. Het gevoerde administratief onderzoek leidt tot een eindverslag van de gewestelijk directeur van 19 februari
- De betrokken feiten geven aanleiding tot een strafonderzoek, ten gevolge waarvan het tuchtonderzoek wordt stilgelegd. 1.
- De verwerende partij informeert herhaaldelijk naar de stand van het strafonderzoek; de laatste maal op 21 januari
- IX-270-2/7 1.
- Uit het antwoord van 29 januari 1992 van de procureur-generaal blijkt dat de strafrechtelijke procedure uiteindelijk haar beslag heeft gekregen door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 april 1991 waarin geoordeeld wordt dat de feiten strafrechtelijk verjaard zijn. 1.
- Op 11 februari 1992 wordt de directeur der Douane en Accijnzen opgedragen de tuchtprocedure jegens verzoeker af te handelen. Een kopie van het arrest wordt hem toegezonden op 3 april
- 1.
- In zijn verslag aan de directeur der Douane en Accijnzen van 4 juni 1992 stelt de adjunct-directeur voor de straf van de afzetting op te leggen gezien de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor de schatkist. 1.
- Op 30 juni 1992 sluit de gewestelijk directeur zich bij het voorstel van de adjunct-directeur aan. 1.
- Op 14 juli 1992 wordt aan verzoeker ter kennis gebracht dat er tegen hem een voorlopig tuchtvoorstel werd opgemaakt om hem te straffen met de afzetting wegens de feiten waarvoor hij op 27 april 1992 verzocht werd zich te ver- antwoorden en die worden gekwalificeerd als valsheid in geschrifte en actieve omkoping. Hij neemt hiervan kennis op 16 juli
- 1.
- Nadat de zaak eerst door het college van dienstchefs in zijn vergadering van 20 oktober 1992 wordt verdaagd, brengt het college in zijn vergadering van 3 december 1992, na eerst te hebben gesteld dat er geen verjaring van de tuchtprocedure is ingetreden, eenparig het definitief strafvoorstel uit verzoe- ker terug te zetten in de graad van adjunct-verificateur. 1.
- Met een nota van 2 februari 1993 wordt een bulletin tot kennisge- ving van het definitief voorstel ter ondertekening toegestuurd aan de minister. In die nota wordt de aandacht van de minister gevestigd op het feit dat volgens artikel 78, IX-270-3/7 § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel de kennisgeving aan betrokkene dient te gebeuren binnen de maand na de dag van de datum van deze nota. Deze nota blijkt slechts op 9 februari 1993 te zijn toegekomen op het kabinet van de minister van Financiën. 1.
- Op 24 februari 1993 ondertekent de minister van Financiën het "bulletin tot kennisgeving". Het wordt op 5 maart 1993 aangetekend aan verzoeker toegezonden. 1.
- Verzoeker tekent beroep aan tegen dit definitief strafvoorstel bij de raad van beroep. 1.
- Op 24 maart 1994 brengt de raad van beroep het volgende advies uit : “Is bij 10 stemmen tegen 1 van advies dat de kennisgeving van het definitieve strafvoorstel, die luidens artikel 78, § 3 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel, moet gebeuren binnen de maand na de dag waarop het definitieve voorstel aan de bevoegde overheid is medegedeeld, niet tijdig werd gedaan, en de bevoegde overheid derhalve wordt geacht van de tuchtstraf af te zien. Het definitieve voorstel van het College van dienstchefs werd inderdaad op 2 februari 1993 aan de heer Minister medegedeeld, waarna de heer Minister op 24 februari 1993 het bulletin tot kennisgeving van de definitieve beslissing ondertekende. Deze beslissing werd echter aan belanghebbende pas op 5 maart 1993 tot kennisgeving toegezonden”. 1.
- Op 13 april 1994 beslist de minister dat hij niet akkoord kan gaan met het advies omdat de datum van de kennisgeving 24 februari 1993 is en de door het statuut voorziene termijn van een maand dus werd nageleefd. 1.
- Dientengevolge onderzoekt de raad van beroep verzoekers zaak opnieuw en geeft op 19 mei 1994 dan het volgend advies : “Is bij 9 stemmen tegen 2 van advies dat de Raad van beroep, in deze zaak een advies ten gronde moet uitbrengen; IX-270-4/7 Is bij 9 stemmen tegen 2 van advies dat het beroep ONGEGROND is, ONDER VOORBEHOUD van de regelmatigheid van de procedure die deze Raad reeds in twijfel heeft getrokken in zijn eerste advies van 24 maart 1994". 1.
- Bij ministerieel besluit van 13 juli 1994 wordt verzoeker dan teruggezet in de graad van adjunct-verificateur, met ingang van 1 augustus
- Hij wordt hiervan op 15 juli 1994 in kennis gesteld.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn derde middel de schending aanvoert van artikel 78, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel doordat de kennisgeving van het definitieve strafvoorstel niet is gebeurd binnen de maand na de dag waarop het definitieve strafvoorstel aan de bevoegde overheid werd meegedeeld; dat hij hierbij uiteenzet dat het definitieve voorstel op 2 februari 1993 aan de minister werd meegedeeld; dat de minister op 24 februari 1993 het bulletin tot kennisgeving van dat voorstel ondertekende maar dat deze beslissing pas op 5 maart 1993 aan verzoeker werd toegezonden; dat de tuchtstraf dan ook genomen is in strijd met artikel 78, § 3, van het genoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat de termijn van een maand als overwegingstermijn voor de tuchtoverheid moet worden beschouwd en te dezen pas is ingegaan op de dag nadat het definitief strafvoorstel op het kabinet van de minister is aangekomen, zijnde 10 februari 1993, en dat van dat voorstel slechts kan worden geacht kennis te zijn gegeven op het moment van de ter post aangetekende verzending ervan, in casu 5 maart 1993, zodat de termijn van één maand die is gesteld in artikel 78, § 3, voornoemd werd gerespecteerd; 2.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat volgens de bewoordingen van artikel 78, § 3, de termijn van één maand aanvangt de dag waarop IX-270-5/7 het definitieve voorstel aan de overheid is meegedeeld, en derhalve niet de dag waarop de minister er kennis van neemt; dat de interpretatie van de verwerende partij niet alleen strijdig is met de tekst van het artikel, maar bovendien geen zekerheid biedt aangezien het tijdstip van effectieve kennisneming oncontroleerbaar is; dat er geen rekening kan worden gehouden met de termijn die verloren gaat alvorens de minister effectief kennisneemt van het voorstel want dat de verwerende partij, wetende dat de termijn dertig dagen bedraagt, de behandeling van het dossier derwijze moet organiseren dat die wettelijke termijn kan worden gerespecteerd; 2.
- Overwegende dat artikel 78, § 3, van het genoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidde als volgt : “Van het definitieve voorstel wordt aan de betrokken ambtenaar kennis gegeven door de overheid aan wie het voorlopig voorstel krachtens § 2, tweede lid, overgemaakt is. Indien de kennisgeving niet gebeurt binnen de maand na de dag waarop het definitieve voorstel aan die overheid is medegedeeld, wordt zij geacht van de tuchtstraf af te zien.”; dat die bepaling een dwingend karakter heeft zodat bij gebreke van een tijdige kennisgeving geen straf meer kan worden opgelegd aan de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar; dat in de interpretatie van de verwerende partij artikel 78, § 3, zo moet worden gelezen dat de vervaltermijn pas begint te lopen de dag nadat de tuchtoverheid kennisgenomen heeft van het definitieve voorstel; dat in die interpretatie het vaststellen van de aanvang van de vervaltermijn, zijnde de dag na de mededeling, in feite afhangt van de spoed waarmee de tuchtoverheid wil kennisnemen van het definitieve voorstel, en derhalve voor een groot deel aan haar goeddunken is overgelaten; dat zulks geenszins strookt met de duidelijke bewoordingen van artikel 78, § 3; dat in een bestuur een interne nota wordt geacht de bestemmeling ervan onmiddellijk te bereiken; dat in de interpretatie van de verwerende partij “mededelen” zonder enig in de tekst terug te vinden argument wordt gelijkgesteld met “kennisnemen”; dat overigens in de nota van 2 februari 1993 de aandacht van de minister er reeds op werd gevestigd dat, volgens artikel 78, § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel, de kennisgeving van het definitieve strafvoorstel diende te IX-270-6/7 gebeuren binnen de maand na de dag van de datum van deze nota; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 13 juli 1994 waarbij Roger DE NEEF met ingang van 1 augustus 1994 wordt teruggezet in de graad van adjunct-verificateur. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-270-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.