id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.075 Rolnummer: A. 67346/IX-1696 Zaak: Arrest 132075 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-24 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:05 Fiche Arrest nr 132.075 van 7 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.075 van 7 juni 2004 in de zaak A. 67.346/IX-
- In zake : Gustaaf QUADENS, die woonplaats kiest bij advocaat W. DAEM, kantoor houdende te ZELLIK, Noorderlaan 30 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gustaaf QUADENS op 29 januari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 13 november 1995 waarbij hij wordt teruggezet in de graad van adjunct- controleur; Gelet op het arrest nr. 60.553 van 27 juni 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 20 april 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1696-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. COOLS, die loco advocaat W. DAEM verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- In de loop van het jaar 1984 komen onregelmatigheden aan het licht in het douanekantoor Brussel 1 DE alwaar verzoeker als inspecteur werkzaam is. Het gevoerde administratief onderzoek leidt tot een eindverslag van de gewestelijk directeur van 19 februari
- De betrokken feiten geven aanleiding tot een strafonderzoek, ten gevolge waarvan het tuchtonderzoek wordt stilgelegd. 1.
- De verwerende partij informeert herhaaldelijk naar de stand van het strafonderzoek; de laatste maal op 21 januari
- IX-1696-2/7 1.
- Uit het antwoord van 29 januari 1992 van de procureur-generaal blijkt dat de strafrechtelijke procedure uiteindelijk haar beslag heeft gekregen door een arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 april 1991 waarin geoordeeld wordt dat de feiten strafrechtelijk verjaard zijn. 1.
- Op 11 februari 1992 wordt de directeur der Douane en Accijnzen opgedragen de tuchtprocedure jegens verzoeker af te handelen. Een kopie van het arrest wordt hem toegezonden op 4 maart
- 1.
- In zijn verslag aan de directeur der Douane en Accijnzen van 3 juni 1992 stelt de adjunct-directeur voor de straf van de afzetting op te leggen gezien de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor de schatkist. 1.
- Op 30 juni 1992 sluit de gewestelijk directeur zich bij het voorstel van de adjunct-directeur aan. 1.
- Op 14 juli 1992 wordt aan verzoeker ter kennis gebracht dat er tegen hem een voorlopig tuchtvoorstel werd opgemaakt om hem te straffen met de afzetting wegens de feiten waarvoor hij op 24 april 1992 verzocht werd zich te ver- antwoorden en die worden gekwalificeerd als valsheid in geschrifte en actieve omkoping. Hij neemt hiervan kennis op 15 juli
- 1.
- Verzoeker dient bezwaar in tegen dat voorstel. 1.
- Nadat de zaak eerst door het college van dienstchefs in zijn vergadering van 20 oktober 1992 wordt verdaagd, brengt het college in zijn vergadering van 3 december 1992, na eerst te hebben gesteld dat er geen verjaring van de tuchtprocedure is ingetreden, eenparig het definitief strafvoorstel uit verzoe- ker terug te zetten in de graad van adjunct-controleur. IX-1696-3/7 1.
- Met een nota van 2 februari 1993 wordt het definitief voorstel toegezonden aan de minister. In die nota wordt de aandacht van de minister ge- vestigd op het feit dat volgens artikel 78, § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel de kennisgeving aan betrokkene dient te gebeuren binnen de maand na de dag van de datum van deze nota. Deze nota blijkt slechts op 9 februari 1993 te zijn toegekomen op het kabinet van de minister van Financiën. 1.
- Op 24 februari 1993 onderschrijft de minister van Financiën het definitieve strafvoorstel dat op 4 maart 1993 aan verzoeker wordt betekend, die op 12 maart 1993 tekent voor visum. 1.
- Verzoeker tekent beroep aan tegen dit definitief strafvoorstel bij de raad van beroep. 1.
- Op 30 januari 1995 adviseert de interdepartementale raad van beroep om verzoeker terug te zetten in de graad van hoofdcontroleur. 1.
- Bij koninklijk besluit van 13 november 1995 wordt verzoeker teruggezet in de graad van adjunct-controleur bij een fiscaal bestuur. De afwijking van het advies van de interdepartementale raad van beroep wordt in het besluit als volgt gemotiveerd : “Overwegende evenwel dat de Heer Minister van Financiën zich op 5 april 1995 niet akkoord heeft verklaard met het advies van de Interdepartementale Raad van Beroep en heeft geoordeeld dat, gezien de ernst en de ruchtbaarheid van de feiten, de belastingplichtigen noch de Administratie geen vertrouwen meer kunnen stellen in een leidinggevend fiscaal ambtenaar die zich schuldig maakt aan het organiseren van frauduleuze praktijken en er niet voor terugschrikt hierbij drie ondergeschikte personeelsleden in te schakelen; dat gelet op die feiten die in die mate ernstig zijn dat het uitgesloten is dat betrokkene nog langer als dienstchef zou fungeren, wat als hoofdcontroleur nog steeds het geval is, de terugzetting in graad tot de graad van adjunct-controleur bij een fiscaal bestuur dan ook ten volle verantwoord is;”.
- Over de gegrondheid van het beroep. IX-1696-4/7 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel de schending aanvoert van paragraaf 25 van de Instructie inzake de tuchtregeling bij het ministerie van Financiën doordat de kennisgeving van het definitieve strafvoorstel niet is gebeurd binnen de maand na de dag waarop het definitieve strafvoorstel aan de minister werd meegedeeld; dat hij hierbij uiteenzet dat het definitieve voorstel op 2 februari 1993 aan de minister werd meegedeeld; dat de minister op 24 februari 1993 dat voorstel ondertekende en dat de gewestelijk directeur tekende op 3 maart 1993 en de adjunct-directeur op 4 maart 1993, waarna het aan verzoeker werd gezonden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt dat paragraaf 25 van de Instructie teruggaat op artikel 78, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel; dat de termijn van een maand als overwegingstermijn voor de tuchtoverheid moet worden beschouwd en te dezen pas is ingegaan op de dag nadat het definitief strafvoorstel op het kabinet van de minister is aangekomen, zijnde op 9 februari 1993, en dat van dat voorstel slechts geacht kan worden kennis te zijn gegeven op het moment van de ter post aangetekende verzending ervan, in casu 4 maart 1993, zodat de termijn van één maand die is gesteld in artikel 78, § 3, voornoemd werd gerespecteerd; 2.
- Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat de verwerende partij niet betwist dat de termijn van één maand verstreken was na het "overmaken" van het definitief strafvoorstel doch dat zij “de bewoording van meegedeeld (interpreteert) als ‘kennisgenomen’”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij zelf aanduidt dat de geschonden geachte paragraaf 25 van de Instructie teruggaat op artikel 78, § 3, van het genoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1937; dat die bepaling als volgt luidde : “Van het definitieve voorstel wordt aan de betrokken ambtenaar kennis gegeven door de overheid aan wie het voorlopig voorstel krachtens § 2, tweede lid, overgemaakt is. Indien de kennisgeving niet gebeurt binnen de maand na de IX-1696-5/7 dag waarop het definitieve voorstel aan die overheid is medegedeeld, wordt zij geacht van de tuchtstraf af te zien.”; dat die bepaling een dwingend karakter heeft zodat bij gebreke van een tijdige kennisgeving geen straf meer kan worden opgelegd aan de tuchtrechtelijk vervolgde ambtenaar; dat in de interpretatie van de verwerende partij artikel 78, § 3, zo moet worden gelezen dat de vervaltermijn pas begint te lopen de dag nadat de tuchtoverheid kennisgenomen heeft van het definitieve voorstel; dat in die interpretatie het vaststellen van de aanvang van de vervaltermijn, zijnde de dag na de mededeling, in feite afhangt van de spoed waarmee de tuchtoverheid wil kennisnemen van het definitieve voorstel, en derhalve voor een groot deel aan haar goeddunken is overgelaten; dat zulks geenszins strookt met de duidelijke bewoordingen van artikel 78, § 3; dat in een bestuur een interne nota wordt geacht de bestemmeling ervan onmiddellijk te bereiken; dat in de interpretatie van de verwerende partij “mededelen” zonder enig in de tekst terug te vinden argument wordt gelijkgesteld met “kennisnemen”; dat overigens in de nota van 2 februari 1993 de aandacht van de minister er reeds op werd gevestigd dat, volgens artikel 78, § 3, van het statuut van het Rijkspersoneel, de kennisgeving van het definitieve strafvoorstel diende te gebeuren binnen de maand na de dag van de datum van deze nota; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het koninklijk besluit van 13 november 1995 waarbij Gustaaf QUADENS wordt teruggezet in de graad van adjunct-controleur. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-1696-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1696-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.075 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.60.553 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.