id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.092 Rolnummer: A. 117380/XIV-8791 Zaak: Arrest 132092 - - 07/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:06 Fiche Arrest nr 132.092 van 7 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.092 van 7 juni 2004 in de zaak A. 117.380/XIV-
- In zake :XXX die woonplaats kiest bij Advocaat P. J. P. LIPS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 24 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 5 februari 1976 en van Indische nationaliteit, op 18 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 december 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-8791-1/4 Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 5 mei 2004 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. J. P. LIPS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Adjunct-adviseur M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 1 december 2001 en verklaart zich vluchteling op 5 december
- 1.
- Op 12 december 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 25 januari 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaarde tijdens het interview in dringend beroep dat uw broer lid zou zijn geweest van de partij ‘Sikh Student Federation’. Omwille hiervan zou uw broer eind 1999 thuis zijn opgepakt door de politie en zijn meegenomen naar het politiekantoor van Tanda, maar de volgende dag dankzij de hulp van het dorpshoofd zijn vrijgelaten. Enkele dagen hierna zouden politieagenten uw broer ’s nachts zijn komen arresteren bij uw thuis, waarna uw familie uw broer niet meer zou terug gezien hebben. Enkele dagen na deze arrestatie zou de politie weer bij u zijn langsgeweest om naar uw broer te vragen. Ze zouden u hebben meegenomen naar het politiekantoor, u hebben ondervraagd en geslagen. De volgende dag zou men u hebben vrijgelaten en na een tiental dagen zou u verhuisd zijn naar uw oom, Mohinder Singh, in XIV-8791-2/4 Begowal. Twintig dagen na uw aankomst bij uw oom zou de politie een huiszoeking hebben verricht bij hem, waarop uw oom u zou hebben gevraagd te vertrekken. U zou in september 2000 zijn vertrokken bij uw oom om vervolgens bij verschillende vrienden in Jalander en Amritsar te gaan leven. Intussen zou u van uw vader hebben vernomen dat de politie u thuis nog kwam zoeken en zou u besloten hebben India te verlaten, wat u effectief zou gedaan hebben op 26 november
- Die dag zou u vanuit Delhi per vliegtuig zijn vertrokken naar Italië om vervolgens door te reizen naar België, waar u zou zijn aangekomen op 1 december
- Op 5 december 2001 diende u een asielaanvraag in bij de Belgische asielinstanties. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is, omdat u niet kan verduidelijken waarom u niet elders in India kon verblijven om uw voorgehouden problemen, die zich op het lokale vlak situeren, te ontlopen en aldus het intern vluchtalternatief kon toepassen. Zo zou u tijdens het laatste jaar in India, van september 2000 tot november 2001 bij vrienden hebben geleefd in Jalander en Amritsar en geen problemen meer gehad hebben. Er werd nooit een officiële beschuldiging of arrestatiebevel door de Indische autoriteiten (First Information Report of Warrant of Arrest) uitgevaardigd tegen u. U bracht dus geen elementen aan die wijzen op een systematische vervolging volgens de Conventie van Genève door de autoriteiten van uw land van herkomst. Bovendien dient vastgesteld te worden dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd door een tegenstrijdigheid betreffende de essentie van uw asielrelaas tussen uw verklaring op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-generaal (CGVS). Zo stelde u tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u enkele dagen na de arrestatie van uw broer ook werd opgepakt en de politie een maand later weer naar uw huis kwam om u te ondervragen over uw broer (zie gehoorverslag DVZ, nr. 42). Op het Commissariaat-generaal daarentegen stelde u daarentegen dat de politie u eenmaal zou hebben opgepakt en verhoord na de arrestatie en verdwijning van uw broer en u de politie hierna niet meer zag bij u thuis (zie verhoorverslag CGVS, p. 4b). Tenslotte beschikt u niet over enig reis- of identiteitsdocument waardoor noch uw reisweg noch uw identiteit kunnen worden gecontroleerd. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van de substantiële vorm Doordat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en zij afdoende moet zijn; doordat het doel van de motiveringsplicht erin bestaat dat de betrokkene zou weten waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, opdat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmidde- len, kan verweren tegen die beslissing, door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven niet gegrond zijn (R.v.St., 3 april 1992, RONDELEZ, nr. 39.161; R.v.St., 4 mei 1992, VAN LAEKEN, nr. 39.285; R.v.St., 7 mei 1992, HAVER, nr. 39.331); Terwijl de Bestreden Beslissing DVZ en de Bestreden Beslissing CGVS niet specificeert welke documenten vereist zijn om aan te tonen dat Verzoekende Partij onderhevig is aan een systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève; Zodat Verzoekende Partij zijn verdediging niet kon voorbereiden; (...)” Overwegende dat uit de lezing van het middel blijkt dat verzoeker in wezen de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht; dat hij de bestreden beslissing ten grieve duidt dat zij niet specificeert welke documenten vereist zijn om aan te tonen dat verzoeker onderhevig is aan een systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Conventie van Genève; Overwegende dat uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt dat zij op omstandige wijze de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat uit haar motivering blijkt waarom de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat hiertoe wordt verwezen naar de bestreden beslissing die wordt weergegeven onder punt 1.
- van huidig arrest; XIV-8791-3/4 2.
- Overwegende dat de Raad van State geen wetsbepaling in materiële zin, noch een rechtsbeginsel bekend is dat de bestreden beslissing de documenten zou moeten vermelden die vereist zijn om aan te tonen dat verzoeker onderhevig is aan een systematische en persoonlijke vervolging; dat in het asielrecht de bewijslast ligt bij de asielzoeker die een coherent, geloofwaardig en consistent relaas moet brengen, om eventueel toegelaten te worden tot de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven juni tweeduizend en vier, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-8791-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.