id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.144 Rolnummer: A. 110938/XIV-6786 Zaak: Arrest 132144 - - 09/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:07 Fiche Arrest nr 132.144 van 9 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.144 van 9 juni 2004 in de zaak A. 110.938/XIV-
- In zake : XXX die woonplaats kiest bij Advocaat B. VANTOMME, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Sierra Leoonse nationaliteit, op 29 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 12 juli 2001 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op het arrest nr. 108.427 van 25 juni 2002 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6786-1/8 Gelet op de beschikking van 29 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. MEERSMAN die, loco Advocaat B. VANTOMME verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, die beweert van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn, komt op 5 april 1999 in het Rijk aan en vraagt dezelfde dag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 10 maart 2000 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als volgt verworpen: “Betrokkene verklaarde tijdens het regime van de "AFRC" (Armed Forces Revolutionary Council) veel militaire vrienden te hebben gehad, die hij uit het oog had verloren, nadat de militaire junta door de ECOMOG (West-Afrikaanse Vredesmacht) uit Freetown was verdreven. De rebellen van het AFRC/"RUF" (Revolutionary United Front) drongen op 6 januari 1999 Freetown binnen. Diezelfde dag zochten betrokkenes rebellen-vrienden, "CD"; "American" en "Panda", hem op in zijn woning. Op 7 januari 1999 trachtten zijn rebellen-vrienden hem te overtuigen om met hem mee te vechten. Betrokkene weigerde. Op 8 januari 1998 keerden betrokkenes rebellen-vrienden terug naar zijn woning en boden hem voedsel en drank aan. De rebellen-vrienden slaagden erin betrokkene te overtuigen om met hen mee te rijden. Hij werd door hen meegenomen naar de rebellenbasis in Wellington. Een rebellenleider, "Eddy', dwong betrokkene met hen mee te vechten. Hij streed met de rebellen tegen de ECOMOG in King Tom (Freetown) en doodde vele ECOMOG-soldaten. Op 10 januari 1999 vernam betrokkene van zijn vader, Abdul, dat zijn zusje, Zalikatu Saira, door de rebellen was verkracht en meegenomen. De rebellen zetten een controlepost op voor de woning van betrokkene, om zijn familie te beschermen. Op 11 januari 1999 werd betrokkenes woning door de ECOMOG gebombardeerd. Betrokkenes vader en drie broers kwamen hierbij om. Betrokkene werd gewond en werd bewusteloos door Rode Kruis-medewerkers naar het “Connaught Hospital” gevoerd, alwaar hij één week verbleef. Betrokkenes rebellen- vrienden brachten hem daarna naar hun transitbasis in Kissy Street (Freetown). Betrokkene werd dagelijks verzorgd in een privèziekenuis van Dr. Sesay in Ecowas XIV-6786-2/8 Street. Hij ontmoette er een priester, Andrew, die hem poogde te overtuigen om te stoppen met vechten. Betrokkene wilde zich echter wreken voor de dood van zijn familie. Nadat hij hersteld was streed hij met de rebellen in "PZ" (Freetown). Hij doodde zowel soldaten van de ECOMOG als burgers. Einde 1999 wilde betrokkene stoppen met vechten. Hij bracht een familie te Wellington om het leven, om aan burgerkledij te geraken. Hij brandde hun woning af en vluchtte naar de priester, Andrew, in Siaka Stevens Street (Freetown). Andrew trof de nodige regelingen, opdat betrokkene het land zou kunnen verlaten. Rond 19-20 maart vluchtte betrokkene naar Conakry (Guinea), alwaar hij op 3 april 1999 aankwam. Op 4 april 1999 reisde betrokkene vanuit Conakry, met zijn eigen paspoort en ticket, per vliegtuig rechtstreeks naar België, alwaar hij 's anderendaags aankwam. Betrokkene vroeg op 5 april 1999 asiel aan op de luchthaven van Zaventem, nadat hij er werd tegengehouden, omdat hij niet in het bezit was van de nodige reis-en identiteitsdocumenten (cfr. bevindingen van de Rijkswacht in Zaventem, in verslag met nummer 134/2386/M, dd. 5 april 1999). Niettegenstaande de Commissaris-generaal op 19 april 1999 aanvankelijk een gunstige beslissing nam, betreffende het verblijf van betrokkene op het grondgebied, dient thans het volgende te worden vastgesteld. Vooreerst vertonen betrokkenes verklaringen een aantal essentiële tegenstrijdigheden en hiaten, die de geloofwaardigheid ervan aanzienlijk ondermijnen. Zo verklaarde betrokkene tijdens het verhoor in dringend beroep (dd. 13 april 1999) en tijdens het verhoor ten gronde dat zijn rebellenvrienden hem ervan overtuigden met hen mee te vechten en dat hij in de strijd vele ECOMOG-militairen en burgers zou hebben gedood, terwijl hij deze belangrijke feiten in het geheel onvermeld liet voor de Dienst Vreemdelingenzaken (verhoor dd. 6 april 1999). Betrokkene beweerde tijdens het verhoor in dringend beroep dat zijn (zes) rebellenvrienden hem op 7 januari 1999 poogden te overtuigen zich bij hen aan te sluiten en hem geld (15000 Leones) zouden hebben gegeven, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde ten stelligste ontkent dat zijn (vijf) rebellen-vrienden hem op 7 januari 1999 iets zouden hebben gegeven teneinde hem te overtuigen. Betrokkene stelde tijdens het verhoor in dringend beroep dat hij - nadat zijn zuster zou zijn verkracht en meegenomen - op 10 januari 1999 een AK 47 zou hebben gekregen van de rebellen en met hen zou hebben gevochten in King Tom en Ascencion Town, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde verzekert op 8 januari 1999 een G3 te hebben gekregen van zijn rebellen-vrienden om met hen te gaan strijden in King Tom en Ascencion Town. Betrokkene beweerde tijdens het verhoor in dringend beroep dat de persoon, die op de door hem voorgelegde foto figureert en hem uit het puin zou hebben gered, zijn rebel- vriend "CD" zou zijn, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde verzekert dat deze persoon een vriend van "CD" zou zijn, genaamd "Puma" of "Panda". Betrokkene stelde tijdens het verhoor in dringend beroep op 13 januari 1999 een priester, Andrew Soway, in het Connaught Hospital te hebben ontmoet en tien dagen later deze priester opnieuw te hebben ontmoet in een privé-ziekenhuis, Dr. Kosor Thomas", in Ecowas street, terwijl hij tijdens het verhoor in dringend beroep beweert de priester, Andrew, voor de eerste keer te hebben ontmoet in het privé-ziekenhuis, "Sesay Hospital, in Ecowas Street. Betrokkene verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep dat hij zich midden februari 1999 in Kalaba Town bevond; dat hij de wapens neerlegde en burgerkledij aantrok, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde beweert dat hij zich einde januari 1999 te Upgun, Wellingto bevond. Betrokkene stelt tijdens het verhoor ten gronde einde januari 1999 een familie te hebben omgebracht, omdat hij burgerkledij nodig zou hebben gehad en hun woning in brand zou hebben gestoken, terwijl hij deze essentiële feiten in het geheel onvermeld liet voor de Dienst Vreemdelingenzaken en tijdens het verhoor in dringend beroep. Betrokkene verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep naar zijn woning te zijn teruggekeerd en te hebben vastgesteld dat het huis zou zijn vernield, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde verzekert nooit naar zijn woning te zijn teruggekeerd. Bovendien zijn betrokkenes verklaringen met betrekking tot zijn reisweg evenmin overtuigend. Zo verklaarde betrokkene tijdens het verhoor in dringend beroep op 3 april 1999 met de priester vanuit Freetown te zijn vertrokken en diezelfde dag in Conakry te zijn aangekomen, terwijl hij tijdens het verhoor ten gronde stelt op 19 of 20 maart 1999 uit Freetown te zijn vertrokken en op 3 april 1999 in Conarky te zijn aangekomen. XIV-6786-3/8 Betrokkene verklaarde zowel voor de Dienst Vreemdelingenzaken als tijdens het verhoor in dringend beroep en tijdens het verhoor ten gronde achtereenvolgens per boot en per auto vanuit Freetown naar Conakry (Guinea) te zijn gevlucht. Opmerkelijk is dan toch wel dat in het door betrokkene voorgelegde paspoort van Sierra Leone (met nummer 0224343, uitgereikt op 28 februari 1996) en dat hem zou toebehoren een uitreisstempel, dd. 24 maart 1999, vanuit (de luchthaven) Lungi (Sierra Leone) en een inreisstempel, dd. 24 maart 1999, van de Police de l'Air" in Conakry (Guinea) voorkomen (cfr. kopie van dit document in hogervermeld Rijkswachtverslag). Voorgaande opmerkingen laten niet toe om nog langer geloof te hechten aan betrokkenes verklaringen en plaatsen (de motieven voor) zijn asielaanvraag op de helling. Het door betrokkene voorgelegde Sabena-ticket (met reisweg Conakry - Brussel Conakry en nummer 082 2448667973), doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen (cfr. kopie van dit document in hogervermeld Rijkswachtverslag). Hetzelfde geldt voor de door betrokkene voorgelegde twee foto's (waarop hij figureert), omdat deze makkelijk kunnen worden geënsceneerd. Uit wat voorafgaat, kan bijgevolg niet worden besloten dat betrokkene zijn land heeft verlaten uit gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1, par. A, lid 2, van de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”. 1.
- Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 24 maart 2000 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
- Op 8 juni 2000 beslist de waarnemend voorzitter van de Tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dit beroep “dat kennelijk ongegrond voorkomt” zelf als alleenrechtsprekend lid te behandelen. 1.
- Op de zitting van 17 augustus 2000 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, gehoord. 1.
- Op 12 juli 2001 neemt de gemachtigde bijzitter van de Eerste Nederlandse kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing, waarbij het beroep ontvankelijk, doch ongegrond wordt verklaard en derhalve de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling wordt geweigerd. Deze beslissing rust op volgende redengeving: “Overwegende dat appellant voorhoudt zich op 8 januari 1999 door vrienden "min of meer" te hebben laten overtuigen om zich aan te sluiten bij de rebellen van het "Revolutionary United Front" (RUF); dat hij werd gedwongen mee te vechten tegen ECOMOG-soldaten; dat hij op 10 januari 1999 vernam dat zijn zuster was verkracht en ontvoerd door ECOMOG- soldaten; dat op 11 januari 1999 zijn ouderlijk huis door de ECOMOG werd gebombardeerd, waarbij zijn vader en drie broers omkwamen; dat hijzelf gewond werd; dat hij tijdens zijn ziekenhuisverblijf in contact kwam met priester A. S.; dat hij na zijn ontslag uit het ziekenhuis opnieuw meestreed met de rebellen; dat hij midden februari 1999 besloot te stoppen met vechten en zich wendde tot voornoemde priester, bij wie hij verbleef tot begin april 1999; dat hij op 3 april 1999 met A. S. naar Conakry vluchtte, waar hij op 4 april 1999 aan boord ging van een Sabena-vliegtuig met bestemming België; Overwegende dat de verklaringen van de kandidaat-vluchteling een voldoende bewijs kunnen zijn van zijn hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, geloofwaardig en eerlijk zijn (HATHAWAY, J., The Law of Refugee Status, Butterworths, Toronto-Vancouver, 1991, 84); dat de afgelegde verklaringen niet in strijd mogen zijn met algemeen bekende feiten; dat de kandidaat-vluchteling een poging XIV-6786-4/8 moet ondernemen het relaas te staven; dat het voordeel van de twijfel slechts kan worden toegestaan als alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des Procédures et Critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, nr. 204); dat appellants verklaringen, zoals uit de hiernavolgende redengevingen zal blijken, niet aan deze vereisten voldoen; Overwegende dat het wezenlijk element van appellants huidig relaas zijn activiteiten bij de rebellen van het RUF is; dat hij evenwel tijdens zijn verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken hiervan geen gewag maakt (zie het door hem ondertekende verslag van 6 april 1999, rubriek 42); dat hij in zijn beroepsverzoekschrift stelt deze feiten niet te hebben vermeld "uit vrees dat hij onmiddellijk zou teruggestuurd worden"; dat zulks echter niet als rechtvaardigingsgrond kan worden aangezien; dat een kandidaat-vluchteling de waarheid moet vertellen (UNHCR, o.c., nr. 205); Overwegende dat appellant evenmin geloofwaardig is omtrent de organisatie en de financiering van zijn reis; dat hij niet aannemelijk kan maken waarom een katholiek (verklaring ter zitting) priester voor hem, een moslim (zie de door hem ingevulde en ondertekende vragenlijst van 26 april 1999, rubriek 11), dergelijke naar Afrikaanse normen extreem dure reis organiseerde en financierde; dat hij niet weet hoeveel de reis gekost heeft en niet kan verklaren waarom geen beterkope en voor de hand liggende vluchtalternatieven door zijn voorgehouden beschermer werden genomen; Overwegend dat appellant ongeloofwaardig is omtrent zijn paspoort; dat hij ter zitting volhoudt te hebben gereisd met zijn eigen authentiek paspoort; dat hij geen aannemelijke verklaring kan geven omtrent de aflevering van een visum op de Belgische ambassade te Abidjan (Ivoorkust) op 16 december 1998, dit is vóór de beweerde en op de kwestieuze datum niet te voorziene perikelen zich voordeden; Overwegende dat, in acht genomen wat voorafgaat, in hoofde van appellant geen vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A
(2), van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 in aanmerking kan worden genomen,”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat in een eerste middel verzoeker laat gelden dat artikel 57/12 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) wordt geschonden, doordat zijn beroep door een alleenzetelend rechter wordt behandeld, terwijl in zijn verzoekschrift werd geantwoord op de argumenten van het Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen andere argumenten naar voor brengt om te oordelen dat zijn verzoek ongegrond is; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat artikel 57/12 van de Vreemdelingenwet de voorzitter of de door hem gemachtigde bijzitter machtigt na inzage van het verzoekschrift te oordelen dat, indien het beroep onontvankelijk of kennelijk ongegrond is, dit beroep zelf te behandelen als alleensprekend lid, dat het gegeven dat de wetgever, rekening houdend met de grote toevloed van beroepen bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, een vorm van filterprocedure heeft ingebouwd waarbij de behandeling van kennelijk niet-ontvankelijke of kennelijk niet-gegronde zaken wordt toevertrouwd aan een alleenzetelend rechter, niet discriminerend is; 2.1.
- Overwegende dat uit artikel 57/12, vierde lid van de Vreemdelingenwet, gewijzigd door de wet van 6 mei 1993, volgt dat de voorzitter of de door hem gemachtigde XIV-6786-5/8 bijzitter een beroep als alleenrechtsprekend lid kan behandelen wanneer dit kennelijk ongegrond is; dat een beroep kennelijk ongegrond is wanneer het weliswaar ontvankelijk is ingesteld, maar de erin ontwikkelde grieven duidelijke niet tot een hervorming van de beroepen beslissing kunnen leiden; dat zelfs een omstandig gemotiveerd beroepschrift door een alleenrechtsprekend lid kan worden behandeld indien de erin vervatte uitleg manifest niet tot een andere beslissing in beroep kan leiden; dat, wanneer een beroep door een alleenrechtsprekend lid wordt behandeld, het niet vereist is dat deze zich bij de weigeringsmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aansluit; dat het alleenrechtsprekend lid een beroep op eigen gronden kan verwerpen; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat in een tweede middel, afgeleid uit de schending van artikel 1 van de Conventie van Genève betreffende de status van vluchteling, verzoeker laat gelden dat hij geen onwaarheden heeft verteld betreffende hetgeen hem overkwam in zijn land van herkomst, dat zijn relaas zeer gedetailleerd en volledig is en de feiten volledig in overeenstemming zijn met de werkelijkheid in Sierra Leone, dat hij in zijn land van herkomst bloot staat aan zowel represailles van het heersende regime als van de rebellen dewelke hij in de steek liet, dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen derhalve niet had kunnen beslissen dat er in zijn hoofde geen vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève bestaat; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het middel niet ontvankelijk is daar wordt nagelaten de schending aan te voeren van de artikelen die de implementatie van de Conventie van Genève in het Belgisch recht uitmaken; 2.2.
- Overwegende dat dit middel er in wezen toe strekt de beoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen in verband met de ongeloofwaardigheid van het relaas van verzoeker over te doen, hetgeen buiten de bevoegdheid van de administratieve cassatierechter valt; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; 2.3.
- Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, verzoeker laat gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen voor het eerst een aantal zaken, door hem van in den beginne aangehaald, in twijfel trekt (betreffende zijn activiteiten bij de rebellen van de RUF en betreffende de hulp van priester A. S., dat de motivering alwaar men plots uit het niets drie andere argumenten gaat aanbrengen om de geloofwaardigheid van zijn verhaal te beoordelen dan ook niet ernstig kan worden genomen; 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Raad van bezwaarlijk als een beroepsinstantie kan beschouwd worden; XIV-6786-6/8 2.3.
- Overwegende dat door het hoger beroep tegen de weigeringsbeslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de zaak voor een volledig nieuwe beoordeling aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt voorgelegd; dat deze volle rechtsmacht bezit, hetgeen onder meer impliceert dat ze niet in het minst gebonden is door de eerdere weigeringsmotieven, doch op eigen grond uitspraak vermag te doen; dat het geenszins onredelijk is een aanvraag op grond van nieuwe eigen bevindingen te verwerpen in plaats van zich aan te sluiten bij de door de appellant bekritiseerde weigeringmotieven van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.
- Overwegende dat in het vierde middel, afgeleid uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, verzoeker laat gelden dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich beperkt tot de mededeling dat zijn uiteenzetting ongeloofwaardig is; 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is; 2.4.
- Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet van toepassing is op beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is; dat het vierde middel niet ontvankelijk is; 2.5.
- Overwegende dat in het vijfde middel verzoeker laat gelden dat de motiveringsplicht is geschonden doordat wordt nagelaten overeenkomstig artikel 63/5 van de Vreemdelingenwet uitdrukkelijk advies te geven over zijn eventuele terugleiding naar de grens van het land dat hij is ontvlucht en waar volgens zijn verklaringen, zijn leven, fysieke integriteit of vrijheid in gevaar zou verkeren; 2.5.
- Overwegende at de verwerende partij antwoordt dat artikel 63/5, § 4 van de Vreemdelingenwet enkel een adviesplicht oplegt aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ingeval deze een bevestigende beslissing neemt en geenszins aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; 2.5.
- Overwegende dat het advies in verband met de eventuele terugleiding van de vreemdeling enkel verplicht is wanneer de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen na dringend beroep de beslissing van de Minister of diens gemachtigde bevestigt, en dus niet wanneer -zoals in casu- de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich over de gegrondheid van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling uitspreekt; dat het vijfde middel moet worden verworpen, XIV-6786-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173, 53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-6786-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.144 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div