← België

Arrest 132229 - - 10/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.229 Rolnummer: A. 131100/XII-3733 Zaak: Arrest 132229 - - 10/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:08 Fiche Arrest nr 132.229 van 10 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.229 van 10 juni 2004 in de zaak A. 131.100/XII-

  1. In zake : Michel SOMERS, wonende te Schilde, Parklaan 29 tegen : de UNIVERSITAIRE INSTELLING ANTWERPEN (U.I.A.), die woonplaats kiest bij advocaat Chr. Coen, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 a. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Michel Somers op 27 december 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de examencommissie tweede licentiaat Rechten UIA van 8 oktober 2002 waarbij haar beslissing van 19 september 2002 om verzoeker niet geslaagd te verklaren, wordt bevestigd, en van de beslissing van de Rector van de UIA van 28 oktober 2002 waarbij hij, als beroepsinstantie, beslist dat er onvoldoende redenen waren om een heroverweging te vragen van de beslissing van de examencommissie van 8 oktober 2002; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 4 november 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 16 maart 2004; XII-3733-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat Chr. Coen, die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat verzoeker tijdens het academiejaar 2001-2002 is ingeschreven in de tweede licentie rechten van de Universitaire Instelling Antwerpen; dat hij door de examencommissie niet geslaagd wordt verklaard op 19 september 2002; dat de examencommissie die beslissing bevestigt op 8 oktober 2002; dat de rector na bezwaar van verzoeker, op 28 oktober 2002 aan verzoeker meedeelt dat er onvoldoende redenen zijn om een heroverweging te vragen aan de examencommissie; Overwegende dat verzoeker op 4 juli 2003 geslaagd is verklaard door de examencommissie van de tweede licentie van de Universiteit Gent; dat hij tevens op 4 juli 2003 geslaagd is verklaard door de examencommissie van de derde licentie rechten van de Universiteit Gent en hij het diploma behaalt van licentiaat in de rechten; Overwegende dat verwerende partij opwerpt dat verzoeker geen actueel belang meer heeft bij de procedure daar hij door de nietigverklaring niets méér kan verkrijgen dan wat hij reeds heeft verkregen door te slagen in de tweede licentie en a fortiori door ook voor de derde licentie te slagen; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie repliceert dat een zuiver moreel belang volstaat wanneer de bestreden beslissingen een moreel nadeel inhouden; dat hij toelicht dat hij “inderdaad de dreiging van het verlies van een jaar [heeft] kunnen afwenden”, dat de handhaving van de bestreden beslissingen echter het behoud van het eindresultaat voor het academiejaar 2001-2002 tot gevolg heeft: “‘niet-geslaagd’. Met andere woorden: ‘was niet in staat de 2de licentie met succes af te ronden’”, dat zijn curriculum vitae voor dat jaar een zwarte plek blijft inhouden; dat volgens verzoeker de gevraagde nietigverklaring “wel degelijk een XII-3733-2/4 nuttig effect [zou] scoren”; dat dit nuttig effect voor hem is “de erkenning erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen”; Overwegende dat het belang, waarvan een verzoeker blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep en dat hij dat belang moet behouden tot aan de uitspraak; dat de aard van het belang weliswaar kan evolueren maar dat verzoeker minstens aannemelijk moet maken dat de vernietiging hem nog een concreet voordeel oplevert; dat dit voordeel meer moet zijn dan de genoegdoening verbonden met het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing; Overwegende dat in de voorliggende zaak door de rector is beslist, na een overeenkomstig het examenreglement ingesteld beroep van verzoeker, dat er onvoldoende redenen waren om aan de examencommissie een heroverweging te vragen; dat deze beslissing, resultaat van het georganiseerd administratief beroep, de eindbeslissing is in verzoekers zaak, en derhalve de beslissing vatbaar voor beroep bij de Raad van State; dat het voordeel dat verzoeker met het voorliggend beroep oorspronkelijk nastreefde er dan essentieel in bestond, door de nietigverklaring, een nieuwe kans te verwerven om een heroverweging af te dwingen met de hoop, uiteindelijk, door de examencommissie van de tweede licentie rechten alsnog geslaagd verklaard te worden; dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing verzoeker nog niet tot een geslaagd verklaarde maakt, en zij hem bijgevolg thans niet méér kan opleveren dan hetgeen hij reeds met zekerheid heeft verkregen door het behalen van het diploma van licentiaat in de rechten; Overwegende, wat de morele genoegdoening betreft, dat bij examenbetwistingen een moreel belang bij een beroep in beginsel gediend blijft wanneer het niet-geslaagd verklaren het verlies van een schooljaar tot gevolg heeft; dat het dreigend verlies van een schooljaar in beginsel ook steeds wordt erkend als het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat, bij aanvoeren van ernstige middelen, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat het feit dat verzoeker heeft gemeend geen zulke vordering te moeten voorleggen aan de Raad van State vragen doet rijzen bij het subjectieve gewicht van het door hem ingeroepen morele nadeel; dat voorts in deze zaak verzoeker erkent zulk verlies van een schooljaar te hebben kunnen afwenden; dat verzoeker met andere woorden zijn diploma in de rechten in Antwerpen nooit eerder verworven zou hebben dan hij het uiteindelijk in Gent heeft XII-3733-3/4 kunnen behalen; dat hij zijn diploma heeft verworven na zich eerst ook als zijnde geslaagd te horen proclameren voor de tweede licentie of, met andere woorden, door wél in staat te zijn “de 2de licentie met succes af te ronden”; dat aldus niet blijkt dat wat verzoeker nog nastreeft uit méér bestaat dan het voordeel om derden te overtuigen van zijn initieel gelijk; dat een dergelijk belang een karakter heeft dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat immers dat beoogde voordeel niet verbonden is met het verdwijnen van de bestreden beslissingen uit het rechtsverkeer maar enkel, zoals verzoeker zelf erkent, met het horen gegrond verklaren “erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen”; dat de exceptie gegrond is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3733-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.229 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.