id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.230 Rolnummer: Zaak: Arrest 132230 - - 10/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-23 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:08 Fiche Arrest nr 132.230 van 10 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.230 van 10 juni 2004 in de zaken A. 94.403/XII-2722 A. 108.887/XII-3247. In zake : Maria VAN KEER, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van Den Bergh, kantoor houdende te Dilsen-Stokkem, Arnold Sauwenlaan 3 tegen : de SCHOLENGROEP 19 (Dender), die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Maria Van Keer op 9 augustus 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 mei 2000 van het college van directeurs van Scholengroep 19 waarbij (
- a)haar afwezigheid vanaf 1 september 1999 als onwettig wordt betiteld en (
- b)ze met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen (in de zaak A. 94.403/XII-2722, hierna ook : de eerste zaak); Gezien het verzoekschrift dat Maria Van Keer op 13 augustus 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 juni 2001 van de raad van bestuur van Scholengroep 19 waarbij de beslissing van 26 mei 2000 van het college van directeurs “voor zoveel als nodig wordt bevestigd” en ze met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen (in de zaak A. 108.887/XII-3247, hierna ook : de tweede zaak); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord in de beide zaken; Gezien het verslag opgemaakt in de beide zaken door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; XII-2722-1/15 Gelet op de beschikkingen van 7 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. Van Den Bergh, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het, behalve wat de kosten in de eerste zaak betreft, eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Over de procedure. 1. Overwegende dat verzoekster met reden vraagt om de zaken wegens hun verknochtheid samen te behandelen en er in één arrest uitspraak over te doen; Over de gegevens van de zaken. 2. Overwegende dat de gegevens van de zaken kunnen worden samengevat als volgt : Verzoekster is als regent huishoudkunde sedert 1 januari 1997 vast benoemd als leraar secundair onderwijs aan het KTA Aalst. XII-2722-2/15 Tijdens de periode van 1 september 1997 tot 31 augustus 1998 wordt haar verlof uit hoofde van dwingende redenen van familiaal belang toegestaan. Van haar verdere afwezigheid blijken geen verantwoordingsstukken voor te liggen. Met een ter post aangetekend verzonden brief van 25 januari 2000 deelt directeur Mario Hoste verzoekster mede : “Geachte mevrouw Uit uw dossier blijkt dat u niet langer recht hebt om volledige loopbaanonderbreking te nemen. Gelieve u dringend en ten laatste op vrijdag 28.01.2000 aan te melden. U kan eventueel nog genieten van een verlof voor verminderde prestaties voor sociale en familiale redenen (maximum voor een halftijdse betrekking) ofwel dient u uw volledige betrekking op te nemen. Indien u uw opdracht niet langer wenst op te nemen, zal u ontslag moeten nemen”. Verzoekster gaat vanaf 2 februari 2000 in ziekteverlof. Bij aangetekend schrijven van ongekende datum wordt verzoekster uitgenodigd voor een hoorzitting op 26 mei 2000, teneinde : “1. vast te stellen of er al dan niet sprake is van een ongewettigde afwezigheid vanaf 1 september 1999 tot heden; 2. vast te stellen of u in toepassing van artikel 86, 2/ van het Decreet van 27 maart 1991 ambtshalve en zonder opzegging moet ontslagen worden”. Na verzoekster gehoord te hebben, beslist het college van directeurs van Scholengroep 19 op 26 mei 2000 : “1. de afwezigheid van mevrouw Van Keer vanaf 1 september 1999 als ongewettigd te betitelen; 2. mevrouw Van Keer, m.i.v. 11 september 1999, ambtshalve en zonder opzegging te ontslaan”. Dit is de in de zaak A. 94.403 bestreden beslissing. Op 12 oktober 2000 komt het college van directeurs, hierop blijkbaar gewezen in het door verzoekster bij de Raad van State ingediende verzoekschrift, tot de vaststelling dat de door hem in tweede orde genomen beslissing, krachtens artikel 87 van het toepasselijke rechtspositiedecreet tot de bevoegdheid van de raad van bestuur behoort, reden waarom hij beslist de beslissing van 26 mei 2000 te wijzigen als volgt : XII-2722-3/15 “Het College van Directeurs van de Scholengroep 19 beslist : 1. de afwezigheid van mevrouw Van Keer vanaf 1september 1999 als ongewettigd te betitelen; 2. het dossier door te sturen naar de Raad van Bestuur van de Scholengroep teneinde dit orgaan een uitspraak te laten doen over het al dan niet ambtshalve en zonder opzegging ontslaan van mevrouw Van Keer”. Bij aangetekend schrijven van 13 juni 2001 wordt verzoekster uitgenodigd voor een hoorzitting door en voor de raad van bestuur. Na verzoekster gehoord te hebben, beslist de raad van bestuur op 25 juni 2001 verzoekster met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder vooropzeg te ontslaan. Dit is in de zaak A. 108.887 bestreden beslissing; Over het voorwerp en de kosten van het eerste beroep. 3.1. Overwegende dat het college van directeurs op 12 oktober 2000 andermaal beslist om de afwezigheid van verzoekster als ongewettigd te “betitelen”; dat hiervoor geen nieuw onderzoek van de zaak is gebeurd zodat dit een louter bevestigende beslissing vormt van het eerste onderdeel van de in de eerste zaak bestreden beslissing; dat daarentegen het tweede onderdeel van de oorspronkelijke beslissing van 26 mei 2000, om verzoekster met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder opzegging te ontslaan, door het college van directeurs op 12 oktober 2000 impliciet maar zeker is ingetrokken, door zijn nieuwe beslissing om het dossier met dat oogmerk aan de raad van bestuur voor te leggen; dat het beroep in de eerste zaak zonder voorwerp is wat het tweede onderdeel betreft; dat het nog enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen de beslissing van het college van directeurs om haar afwezigheid “vanaf 1 september 1999 als ongewettigd te betitelen”; 3.2. Overwegende dat uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt dat de verwerende partij slechts tot het inzicht is gekomen dat een ontslagbeslissing niet kan uitgaan van het college van directeurs als gevolg van het door verzoekster ingestelde annulatieberoep; dat dit heeft geleid tot de wijziging van haar oorspronkelijke beslissing en het deels verdwijnen van het voorwerp van het beroep XII-2722-4/15 in de eerste zaak; dat die vaststelling verantwoordt om, hoe dit beroep voor het overige ook afloopt, de kosten ervan ten laste van de verwerende partij te leggen; Over de gegrondheid van het eerste beroep. 4.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 23, § 3, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998 betreffende het gemeenschapsonderwijs; dat zij toelicht dat de bevoegdheid inzake ontslag aan de raad van bestuur toebehoort en dat het college van directeurs onbevoegd is “tot het geven van het ambtshalve ontslag zonder opzegging aan een vast benoemd personeelslid”; 4.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat het college van directeurs ondertussen zijn beslissing heeft gewijzigd en het dossier doorgestuurd heeft naar de raad van bestuur omdat de beslissing tot ontslag niet behoort tot de bevoegdheid van het college van directeurs; 4.1.3. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord repliceert dat het middel nog een voorwerp behoudt in zoverre het college van directeurs haar afwezigheid als ongewettigd betitelt; dat zij voorts meent dat de kwalificatie van ongewettigde afwezigheid zodanig verbonden is met de hierop volgende ontslagbeslissing, dat ook deze beslissing toekomt aan de raad van bestuur; dat volgens haar de vraag of het college van directeurs wel de bevoegdheid heeft om haar afwezigheid als ongewettigd te betitelen “door de Raad van State beoordeeld [zal] worden, nu de onbevoegdheid - naar een gevestigde rechtspraak - ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen”; dat zij in de laatste memorie andermaal wijst op de samenhang “door eenheid van doel en verwezenlijking” tussen de beoordeling van het ongewettigd karakter van de afwezigheid en de beslissing tot ambtshalve ontslag zonder opzegging; 4.1.4.1. Overwegende, wat de ontvankelijkheid van het middel betreft, dat het middel in het inleidend verzoekschrift enkel gericht was tegen de ontslag- beslissing en in die mate feitelijke grondslag mist, ingevolge de latere intrekking van die ontslagbeslissing; dat evenwel het middel dat de onbevoegdheid van de auteur van de handeling aanvoert de openbare orde raakt, zodat verzoekster het in haar latere memories nog op ontvankelijke wijze kan betrekken op de beoordeling, door het college van directeurs, van de ongewettigde afwezigheid; XII-2722-5/15 4.1.4.2. Overwegende, wat de grond van het middel betreft, dat vooreerst verzoekster moet worden tegengesproken met betrekking tot de vermeende samenhang tussen de beoordeling van het ongewettigd karakter van een afwezigheid, eensdeels, en de beslissing tot ambtshalve ontslag, anderdeels; dat zij dit overigens zelf inziet, getuige de door haar aangevoerde middelen in de tweede zaak die, zoals hierna zal blijken terecht, precies van het tegendeel uitgaan; dat aan die vaststelling kan worden toegevoegd dat een ongewettigde afwezigheid ook aanleiding kan geven tot een tuchtprocedure; dat de vaststelling van de ongewettigde afwezigheid eventueel beperkt kan blijven tot gevolgen voor de geldelijke en administratieve loopbaan van het afwezig gebleven personeelslid; dat het vaststellen van aanwezigheid of afwezigheid van een personeelslid, en in geval van afwezigheid de verwerking van de daarvoor gegeven verklaring dan wel de appreciatie van het ontoereikend en derhalve ongewettigd karakter van die verklaring, alle aspecten zijn van het dagelijks loopbaanbeheer dat, overeenkomstig artikel 27, § 4, 1/, van het bijzonder decreet van 14 juli 1998, tot de bevoegdheid van het college van directeurs gerekend wordt; dat het middel ongegrond is; 4.2.1. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel “machts- afwending” aanvoert, doordat de verwerende partij haar bevoegdheid tot ontslag heeft uitgeoefend met het oogmerk de belangen te behartigen van de tijdelijk aangeworven leerkracht die verzoekster gedurende de hele duur van haar non- activiteit had vervangen en haar wettelijke bevoegdheid derhalve heeft uitgeoefend voor een ander doel dan datgene waartoe zij deze bevoegdheid ontving; 4.2.2. Overwegende dat het middel, zoals het is aangevoerd in het inleidend verzoekschrift, onontvankelijk is wegens gebrek aan voorwerp; dat verzoekster in de memorie van wederantwoord uiteenzet dat ook de beslissing om haar afwezigheid als ongewettigd te beschouwen behept is met “machts- overschrijding”; dat zij in de laatste memorie “uitdrukkelijk beroep doet op de inquisitoire onderzoeksbevoegdheid van de Raad van State”; Overwegende dat wie machtsafwending aanvoert, daartoe voldoende ernstige, welbepaalde en overeenstemmende vermoedens moet aandragen waaruit kan worden afgeleid dat andere dan rechtmatige doeleinden door het bestuur werden nagestreefd; dat daarenboven, opdat van machtsafwending sprake kan zijn, het ongeoorloofde oogmerk het enige doel van de bestreden beslissing moet zijn geweest; dat misbruik van bevoegdheid door verzoekster niet wordt aangetoond; dat XII-2722-6/15 in de memorie van wederantwoord zelfs van machtsafwending geen sprake meer is; dat het ten slotte niet volstaat om een vermoeden te opperen en vervolgens het onderzoek over te laten aan de “inquisitoire onderzoeksbevoegdheid” van de Raad van State; dat er geen aanleiding bestaat tot verwijzing van de zaak naar de algemene vergadering op grond van machtsafwending; 4.3.1. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending van de motiveringsplicht aanvoert; dat het middel nog enkel ontvankelijk kan worden betrokken op hetgeen als voorwerp van de eerste bestreden beslissing in het geding is gebleven, namelijk de beoordeling van het ongewettigd karakter van de afwezigheid van verzoekster; Overwegende dat verzoekster uiteenzet dat de beslissing totaal voorbijgaat aan haar stelling dat zij net zoals voorgaande jaren eind augustus telefonisch contact opnam met het secretariaat van de school, “waarbij haar evenwel nu werd medegedeeld dat de school haar dossier zou bekijken, doch dat zij voorlopig haar taken niet diende op te nemen”; dat volgens verzoekster de school haar niets kan verwijten nu deze zelf gedurende vijf maanden geen enkel signaal heeft gegeven, tot het schrijven van 25 januari 2000; dat verzoekster het feit dat zij in tegenstelling tot de voorbije jaren geen schriftelijke verlofaanvraag heeft ingediend wordt verklaard omdat haar door het secretariaat van de school anders dan de voorbije jaren geen formulier voor verlofaanvraag was toegestuurd; Overwegende dat de verwerende partij repliceert dat het telefonisch contact waarnaar verzoekster verwijst zeer vaag is en zij datum noch naam van de contactpersoon vermeldt, dat van een personeelslid mag verwacht worden zich niet tevreden te stellen met hetgeen “een mevrouw van het secretariaat” haar meldt, dat zij zelf stappen moest zetten, dat zij in tegenstelling tot eerdere jaren geen verlofaanvraag heeft ingediend waaruit kan worden afgeleid dat zij ter dege ervan op de hoogte was alle beschikbare verlofstelsels te hebben uitgeput, dat als verschoningsgrond bezwaarlijk kan worden aanvaard wat verzoekster op de hoorzitting van 26 mei 2000 stelde, namelijk dat zij in september 1999 “andere dingen aan haar hoofd had”, dat verzoekster voorbijgaat aan de verplichting die op elk personeelslid rust om de school op de hoogte te brengen van afwezigheid; XII-2722-7/15 Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie meent dat de bewijslast bij de verwerende partij rust, dat de gegeven motivatie tegenstrijdig is “door enerzijds te stellen dat verzoekster nog in één of ander verlofstelsel kon stappen en anderzijds te overwegen dat verzoekster ofwel effectief in dienst moest treden ofwel zelf ontslag diende te nemen”, dat de motivatie onjuist is omdat zij zich wel degelijk in dienst had gemeld door het schoolsecretariaat te vragen wat haar te doen stond, dat er minstens overmacht aanwezig is gezien de inertie van de school om haar eerst op 25 januari 2000 terug te contacteren; 4.3.2. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster de haar ter beschikking staande stelsels van voltijds verlof heeft uitgeput; dat zij niet tegenspreekt hiervan ter dege op de hoogte te zijn geweest toen zij telefonisch contact zou hebben genomen met de school eind augustus 1999; dat vaststaat dat verzoekster vanaf 1 september 1999 geen diensten heeft verricht; dat zij bijgevolg afwezig is gebleven; dat de verwerende partij niet verweten kan worden aan het al dan niet bestaan van het telefoongesprek met “een mevrouw van het secretariaat” voorbij te gaan; dat, daargelaten nog wat zich mag hebben afgespeeld tijdens dit telefoongesprek waarvan ook voor de Raad geen begin van bewijs wordt geleverd, verzoekster niet kon vermoeden dat zij haar afwezigheid vermocht te wettigen voortgaande op wat een “mevrouw van het secretariaat” haar te vertellen had; dat het aan een personeelslid toekomt om een afwezigheid te wettigen op grond van de bestaande regelgeving of aan de hand van de vereiste overtuigingsstukken; dat verzoekster hiertoe niet in staat is; dat zij anders dan de voorgaande jaren geen verlof heeft aangevraagd; dat zij wel een ziekteattest heeft ingeleverd, maar pas voor een periode die ingaat op 2 februari 2000; dat het college van directeurs bijgevolg voor de periode van 1 september 1999 tot 1 februari 2000 terecht besloot tot de ongeoorloofde afwezigheid van verzoekster; dat het middel ongegrond is; 4.4.1. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel het redelijkheidsbeginsel, het procedureel zorgvuldigheidbeginsel en de hoorplicht of de rechten van de verdediging geschonden noemt; dat zij haar betoog dienaangaande voornamelijk toespitst op de ambtshalve ontslagbeslissing; dat het middel in zoverre onontvankelijk is bij gebrek aan voorwerp; XII-2722-8/15 Overwegende dat verzoekster in een middelonderdeel het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden acht omdat het bestuur haar foutieve informatie heeft verstrekt, minstens nagelaten heeft de juiste informatie te verschaffen, tengevolge waarvan zij in dwaling werd gebracht nopens haar rechtstoestand; dat zij het vanwege de school ook onzorgvuldig noemt om haar niet één ingebrekestelling te hebben doen toekomen; Overwegende dat zij in een ander middelonderdeel aan de verwerende partij verwijt pas in de oproeping voor de hoorzitting van 26 mei 2000 melding te hebben gemaakt van ongewettigde afwezigheid, terwijl de school “reeds begin september kon en moest gereageerd hebben, stellende dat verzoekster onwettig afwezig was of minstens met het formeel verzoek enige duidelijkheid te verschaffen nopens haar afwezigheid”; dat volgens haar hiermee de hoorplicht is miskend, doordat de verwerende partij haar in de bewuste periode niet in staat heeft gesteld haar afwezigheid “te wettigen, te motiveren of te verklaren”; Overwegende dat verzoekster in een laatste middelonderdeel als grief aanvoert niet daadwerkelijk de mogelijkheid te hebben gekregen om op het verslag van de hoorzitting te repliceren, omdat de verwerende partij “amper 2 dagen later de alhier bestreden beslissing verstuurde, zonder zelfs maar de opmerkingen vanwege verzoekster af te wachten”; Overwegende dat verzoekster in een zesde middel daarenboven het rechtszekerheidbeginsel en het vertrouwensbeginsel geschonden acht omdat de verwerende partij meedeelde “dat het volstond dat zij zich voorlopig ter beschikking hield”, dat zijzelf dan “er redelijkerwijze mocht vanuit gaan dat zij door de school [te] gepasten tijde zou worden gecontacteerd”, dat de school “tekortschoot in haar informatieplicht” terwijl exacte informatie haar in staat zou hebben gesteld passende maatregelen te nemen, immers, dat zij “op grond van die mededeling nagelaten heeft haar toestand te regulariseren - hetgeen haar nu ten kwade wordt geduid - door haar afwezigheid te wettigen (middels een verlofaanvraag, medische attesten,...)”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster haar beweringen niet kan staven, dat zij niet kan bewijzen telefonisch contact te hebben genomen met de school en welke informatie haar in dat geval zou zijn meegedeeld, dat integendeel de directeur het initiatief heeft genomen met verzoekster contact te nemen en dat verzoekster niet kan bewijzen dat haar foutieve informatie XII-2722-9/15 werd meegedeeld, dat zij de kans heeft gekregen om haar afwezigheid te verklaren en dat zij geacht moet worden haar rechtspositieregeling te kennen en te weten dat enkel geschreven documenten een rechtstoestand kunnen regulariseren; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord handhaaft dat er in hoofde van de school een foutief verzuim was om bepaalde inlichtingen te verschaffen en dat de school verantwoordelijk is voor de door het secretariaat foutief verstrekte informatie; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie herhaalt dat het secretariaat van de school eind augustus 1999 verkeerde informatie heeft verschaft waarvoor de verwerende partij verantwoordelijk is; 4.4.2. Overwegende dat verzoekster haar middelen in wezen ent op hetgeen haar tijdens een telefoongesprek met het secretariaat van de school eind augustus 1999 zou zijn meegedeeld; dat de verwerende partij zowel bij de interne procedure als in de procedure voor de Raad van State het bestaan en bijgevolg uiteraard ook de inhoud van dit telefoongesprek waarop verzoekster zich beroept betwist; dat niettemin moet worden vastgesteld dat verzoekster tot in de laatste memorie blijft hameren op voormeld gesprek zonder evenwel maar een begin van bewijs te leveren, waarmee zij aannemelijk zou maken dat een dergelijk gesprek met een dergelijke inhoud heeft plaats gehad; dat, zoals het dossier aan de Raad van State ter beoordeling ligt, dit gesprek dan ook niets meer dan een bewering is en verzoekster bovendien niet aantoont zich bij aanvang van het schooljaar 1999-2000 aangeboden te hebben op de school zoals van haar verwacht werd; dat, voorts, verzoekster zelf stelt dat haar toenmalige gesprekspartner een medewerker van het schoolsecretariaat was; dat dit reeds het gezag van de in voorkomend geval mondeling gegeven informatie moest relativeren; dat hoe dan ook verzoekster zich niet achter dit telefoongesprek blijvend kan verschuilen; dat zij immers niet er op mocht vertrouwen dat zij mocht stilzitten; dat zij integendeel moest weten dat zij haar afwezigheid hoe dan ook ooit aan de hand van stukken zou moeten wettigen; dat zij onmogelijk kon geloven dat die toestand zou blijven voortduren; dat zij in die omstandigheden niet aan het bestuur kan verwijten haar geen aanmaning te hebben gestuurd, eerder dan op 25 januari 2000; dat zij bovendien niet aantoont vanwege de verwerende partij foutieve informatie te hebben ontvangen; dat een schending van de aangevoerde beginselen dienvolgens niet wordt aangenomen; XII-2722-10/15 Overwegende dat verzoekster in de periode die aan de bestreden beslissing voorafging genoegzaam werd gehoord; dat zij ruimschoots de gelegenheid kreeg haar afwezigheden te verklaren en ze te wettigen; Overwegende dat het vierde en het zesde middel ongegrond zijn; 4.5.1. Overwegende dat verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert van het beginsel van de niet-terugwerkende kracht van de administratieve rechtshandelingen, doordat de bestreden beslissing haar met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder opzegging ontslaat; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord opmerkt dat de ontslagbeslissing niet meer bestaat; 4.5.2. Overwegende dat het middel onontvankelijk is bij gebrek aan voorwerp; dat het, anders dan het eerste middel, niet van openbare orde is, zodat niet moet worden onderzocht of verzoekster in haar latere memories dezelfde onwettigheid aan de beoordeling van haar afwezigheid toeschrijft; 4.6. Overwegende dat geen van de tegen de eerste bestreden beslissing aangevoerde middelen gegrond is; Over de gegrondheid van het tweede beroep. 5.1. Overwegende dat verzoekster in de tweede zaak als eerste middel aanvoert dat het wettigheidsbeginsel is geschonden doordat de raad van bestuur haar ambtshalve en zonder opzeg heeft ontslagen -maatregel waartoe op grond van artikel 86, 2/, van het rechtspositiedecreet slechts mag worden overgegaan indien het vermoeden dat een personeelslid dat uit dienst afwezig blijft vrijwillig ontslag neemt, niet wordt weerlegd- terwijl de raad van bestuur niet mocht vermoeden dat zij vrijwillig uit dienst was getreden; dat zij ook in het derde middel onder meer aanvoert dat er “geen afdoende motieven voorhanden zijn om verzoekster ambtshalve en zonder opzegging te ontslaan met toepassing van artikel 86, 2/ van voornoemd Decreet van 27 maart 1991”; dat zij toelicht, daargelaten of haar houding te rechtvaardigen was, dat voldoende elementen aantonen dat de raad van bestuur niet mocht vermoeden dat haar afwezigheid te wijten was aan vrijwillige uitdiensttreding; dat zij ter adstructie wijst op volgende gegevens : XII-2722-11/15 “- dat de diverse verloven die aan verzoekster waren toegekend in de jaren negentig duidelijk de bedoeling hadden diens loopbaan te onderbreken, doch niet te beëindigen - dat verzoekster, van zodra zij door de school voor de eerste maal sinds de aanvang van het schooljaar 1999-2000 werd opgeroepen, haar afwezigheid wettigde middels medische attesten. -- dat verzoekster bovendien ook, na de intrekking van de ontslagbeslissing ingevolge beslissing door het College van Directeurs, aan de school uitdrukkelijk vroeg opnieuw in dienst te worden genomen, minstens haar wedde toe te kennen. (stuk 14) -- dat tenslotte ook de argumenten in het verzoekschrift tot nietigverklaring van de beslissing dd. 26.05.2000 (stuk 7), alsook de schriftelijke verweernota (stuk 11) terzake aan duidelijkheid niets te wensen overlaten”; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat verzoekster niet enkel ongewettigd afwezig is gebleven gedurende meerdere maanden, maar dat zij ook geen inspanningen geleverd heeft om de band met haar inrichtende macht in stand te houden, dat zij vanaf 1 september 1992 geen les meer heeft gegeven, dat zij in tegenstelling tot de voorafgaande jaren geen verlofaanvraag meer heeft ingediend, dat zij geen medische attesten heeft voorgelegd en zich niet in de school heeft aangeboden : ze heeft “gedurende vijf maanden geen enkel signaal gegeven naar de school en geen enkel initiatief genomen om op één of andere manier haar afwezigheid te wettigen”; dat de verwerende partij vervolgens repliceert op het aangehaalde betoog van verzoekster als volgt : “* De diverse verloven die aan verzoekster waren toegekend in de jaren '90 hadden duidelijk de bedoeling haar loopbaan te onderbreken maar niet te beëindigen. Deze omstandigheid toont juist aan dat verzoekster perfect op de hoogte is van de redenen waarom men zijn loopbaan kan onderbreken, van de werkwijze die dient gevolgd te worden (ondertekenen aanvraag- documenten) en het feit dat verzoekster dat bij het begin van het schooljaar 1999 niet gedaan heeft, juist erop wijzen dat zij geen aanspraak meer maakte op een bepaald verlofstelsel (dat zij trouwens volledig had uitgeput). * Haar afwezigheid werd gewettigd middels medische attesten zodra zij door de school wordt opgeroepen. Deze wettiging van afwezigheid is voor de periode vanaf 2 februari 2000 en houdt geen wettiging in van haar afwezigheid voor de periode vanaf 1 september 1999 tot 31 januari 2000 die aldus een ongewettigde afwezigheid bleef. * Verzoekster verwijst ook naar de brief die haar raadsman op 27 maart 2001 aan de Scholengroep 19 geschreven heeft. In dit schrijven maakt zij aanspraak op haar wedde en onderaan de brief wordt melding gemaakt dat met verzoekster een afspraak kan gemaakt worden met het oog op de wederopneming van haar functies of een andere regularisatie van haar statuut. Hetgeen zij vraagt is dus een regularisatie van haar statuut en haar wedde en niet een wederindiensttreding. In deze brief kan haar werkwilligheid niet afgeleid worden, hetgeen ook contradictorisch zou zijn met haar doktersattesten dat zij ziek is. Verzoekster vordert een XII-2722-12/15 wedde voor een periode dat zij niet gewerkt heeft van 1 september 1999 tot 31 januari 2000 en waarvoor er geen regularisatie meer mogelijk was. Zij vordert dus een wedde voor een periode van ongewettigde afwezigheid, terwijl een ongewettigde afwezigheid het personeelslid ambtshalve in de stand non-activiteit plaatst waarbij artikel 78 Decreet Rechtspositie bepaalt dat het personeelslid in de stand non-activiteit geen recht op een wedde heeft. * Verzoekster verwijst tenslotte ook nog naar haar argumenten in haar verzoekschrift en in haar schriftelijke verweernota die niets aan duidelijkheid te wensen zouden overlaten. Deze argumentatie wordt weerlegd zowel in de gemotiveerde beslissing als in huidige memorie van antwoord. De Raad van Bestuur mocht er terecht vanuit gaan dat het vermoeden dat verzoekster door haar ongewettigde afwezigheid vrijwillig ontslag neemt niet weerlegd is, zodat de Raad van Bestuur verzoekster terecht zonder ambtshalve en zonder opzegging kan ontslaan”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie uiteenzet dat een loutere pro forma reactie van een personeelslid niet kan volstaan om het vermoeden, bedoeld in artikel 86, 2/, van het rechtspositiedecreet te weerleggen en dat zij terecht kon vaststellen dat verzoekster door haar gedragingen zelf haar dienstbetrekking heeft beëindigd; 5.2. Overwegende dat een personeelslid bij toepassing van artikel 86, 2/, van het toepasselijke rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 “ambtshalve en zonder opzegging” uit haar ambt wordt ontslagen “indien zij na een geoorloofde afwezigheid zonder geldige redenen behoudens overmacht h[aar] dienst niet herva[t] en gedurende een ononderbroken periode van meer dan tien kalenderdagen afwezig blij[ft]”; Overwegende dat het ontslag van ambtswege bedoeld in die bepaling geen tuchtmaatregel is maar een maatregel die genomen wordt in het belang van de dienst, gestoeld op de gedachte dat de ambtenaar die na een geoorloofde afwezigheid zijn dienst niet meer hervat en meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft geacht wordt vrijwillig uit de dienst te zijn getreden; dat derhalve het bestuur tot bedoeld ontslag enkel mag overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer wenst in dienst te blijven niet geacht kan worden weerlegd te zijn; dat het daarbij van geen belang is of het door betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan; dat immers dat motief als louter feitelijk gegeven in aanmerking moet worden genomen; XII-2722-13/15 Overwegende dat in de onderhavige zaak de verwerende partij niet mocht vermoeden dat verzoekster als gevolg van haar weliswaar ongewettigde afwezigheid vrijwillig uit dienst was getreden; dat verzoekster immers in antwoord op de brief van de directeur van 25 januari 2000, waarin gepeild werd naar haar intenties, prompt reageert met het indienen van een medisch attest; dat zo een reactie uiteraard niet ervan doet blijken dat zij de band met de school definitief wenst te verbreken; dat die houding genoegzaam het vermoeden weerlegt dat verzoekster niet langer in dienst wenste te blijven; dat verzoekster ook op de latere hoorzittingen voor het college van directeurs of voor de raad van bestuur aan de verwerende partij geen argumenten verschaft die van een andere intentie doen blijken; dat verzoeksters houding dienvolgens geen reden kon zijn om haar met toepassing van artikel 86, 2/, van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 ambtshalve en zonder opzeg te ontslaan; dat de besproken onderdelen van het eerste en het derde middel gegrond zijn, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A. 94.403/XII-2722 en A. 108.887/XII-3247 worden gevoegd. Artikel 2. Vernietigd wordt de beslissing van 25 juni 2001 van de raad van bestuur van Scholengroep 19 waarbij Maria Van Keer met ingang van 11 september 1999 ambtshalve en zonder opzegging wordt ontslagen . Artikel 3. De beroepen worden verworpen voor het overige. Artikel 4. De kosten van de beide beroepen, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-2722-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2722-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.230 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div