← België

Arrest 132262 - - 10/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.262 Rolnummer: A. 130947/XIV-13146 Zaak: Arrest 132262 - - 10/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:10 Fiche Arrest nr 132.262 van 10 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.262 van 10 juni 2004 in de zaak A. 130.947/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Libische nationaliteit, op 16 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; XIV-13.146-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat C. VANDENBERGHE die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Libische nationaliteit, komt in België binnen op 16 mei 2002 waar hij zich op 23 mei 2002 vluchteling verklaart. 1.
  4. Op 18 juni 2002 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. Op 13 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 juni 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U verklaart de Libische nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Tripoli. U verklaart bij de Libische marine als mecanicien te hebben gewerkt op cargoschepen. U maakte verschillende reizen in het verleden naar onder andere Europa, alwaar u dikwijls meer dan drie maanden verbleef. U werkte op cargoschepen en werd verdacht van mensensmokkel. Tijdens uw verlofperiode, namelijk in juli 2001, kreeg u informatie van uw broer dat u werd beschuldigd van het smokkelen van personen die actief waren in de oppositie in Libië. Nadat u deze info ontving, ging u naar huis en na ongeveer twee dagen kwamen de autoriteiten u thuis zoeken. U was toen niet thuis. De dag na de huiszoeking ging u bij uw zus en u verbleef er gedurende twee maanden en tien dagen. Erna ging u niet meer naar huis. U besloot uiteindelijk om Libië te verlaten gezien u niet voor een lange tijd bij uw zus kon blijven. U vluchtte op 20/9/01 uit Libië en kwam met een Belgisch visum naar Europa. U kwam aan in Duitsland en verbleef er twee dagen. U hoorde van uw familie dat de Libische autoriteiten op de hoogte waren van uw aanwezigheid in Duitsland en vervolgens ging u uit schrik naar een ander land. Op 23/10/02 ging u naar Denemarken en erna bleef u gedurende zeven maanden in Zweden, waarna u naar België kwam. XIV-13.146-2/7 Er dient ook te worden vastgesteld dat u niet kan aannemelijk maken omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève uw land te hebben verlaten. Zo slaagt u er niet in aannemelijk te maken dat de autoriteiten u valselijk zouden beschuldigen van het smokkelen van oppositieleden en het behoren tot oppositie, en dit omdat u verklaart nooit politieke activiteiten te hebben gehad, nooit tevoren gearresteerd te zijn geweest en daarvoor nooit problemen te hebben gehad op uw werk noch bij uw vroegere talrijke legale uitreizen uit Libië (verhoorverslag dringend beroep p.6, 7 en 8). Bovendien verklaart u nooit oppositieleden te hebben gesmokkeld (verhoorverslag dringend beroep p.18 ommezijde). Rekening houdende met al deze elementen, kan u niet aannemelijk maken waarom u plots valselijk zou beschuldigd worden van hulp aan de oppositie. Temeer omdat uw vrees voor vervolging enkel gebaseerd is op verklaringen van uw broer. De enkele verklaring van uw broer dat u vervolging diende te vrezen op basis van politieke activiteiten, is onvoldoende om een persoonlijke en systematische vervolging in uw hoofde aannemelijk te maken. Het kennelijk ongegrond karakter van uw asielaanvraag wordt nogmaals bevestigd door het feit dat u nog meer dan twee maanden na het nieuws van uw broer, bij uw zus in Libië verbleef zonder gewag te maken van problemen met de autoriteiten gedurende die periode. Alsook reisde u tijdens uw vlucht legaal, met uw eigen paspoort, het land uit, hetgeen nogmaals bevestigt dat uw vrees kennelijk ongegrond is. Verder dient te worden opgemerkt dat de voorgelegde documenten (uw Libisch paspoort, Maritiem paspoort, geboorteakte, diploma en attest van Mechanica, eindresultaten van studies, gezondheidsattest maritiem personeel, eigendomsakte van huis en attest van uw bankrekening, attest militaire dienst), niet van die aard zijn om bovenvermelde vaststellingen te wijzigen. Deze documenten betreffen immers enkel uw identiteit, studies en werk, en voegen niets toe aan uw vluchtrelaas. De voorgelegde ontslagbrief vermeldt enkel als reden van uw ontslag, uw vervolging op basis van mensensmokkel, maar vermeldt niets in verband met een politieke beschuldiging van steun aan oppositieleden. Bijgevolg wijzigt dit laatste document ook niets aan bovenvermelde redenering, gezien het hier een zaak van gemeenrecht betreft; en dit laatste niet te catalogiseren valt onder de criteria van de Conventie van Genève.”.
  6. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert : “Schending van het artikel 1, A

(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting. Manifeste beoordelingsfout Dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing, welke aan verzoeker werd betekend, het artikel l, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de u itd rukkelijke motiverin g v an d e b estu u rsh an d elin g en en d e zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken bevestigt en een terugleiding naar het land van herkomst aanbeveelt, zonder een grondig onderzoek in te stellen naar verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer naar zijn land. Dat door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten dd. 18.06.2002 genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken bevestigt en een terugleiding naar Libië aanbeveelt, werd nagelaten een grondig onderzoek in te stellen XIV-13.146-3/7 naar verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer naar zijn land waarvan hij de nationaliteit bezit, namelijk Libië. Dat vaststaat dat verzoeker in zijn land valselijk wordt van het smokkelen van mensen die actief waren in de oppositie in Libië waardoor zijn leven en vrijheid in gevaar is bij een terugkeer naar Libië. Dat verzoeker verwijst naar het rapport van het U.S. Department of State "Libya Country Report on Human Rights Practices for 2001"dd. maart 2002 aangaande de mensenrechten in Libië. Dat hieruit blijkt dat de mensenrechten in Libië massaal worden geschonden, dat gevangenen worden gefolterd, dat het gerecht geenszins onafhankelijk werkt, dat speciale revolutionaire rechtbanken politieke misdaden "behandelen " en dat politieke opposanten met de de doodstraf bestraft worden (cf. stuk 3). Dat derhalve de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in bestreden beslissing -gezien verzoekers vrees voor vervolging in zijn land - de beslissing van weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, dd. 18.06.2002 genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken, geenszins kon bevestigen en een terugleiding naar Libië kon aanbevelen, enkel en alleen op basis van het feit dat verzoeker nooit tevoren werd gearresteerd, dat hij daarvoor nooit problemen kende, dat hij vroeger legaal uit Libië reisde, dat zijn vrees voor vervolging enkel gebaseerd is op verklaringen van zijn broer, dat hij zonder problemen bij zijn zus kon verblijven en dat hij legaal Libië kon ontvluchten. Dat immers de geringste aanwijzing dat verzoeker bij een terugkeer naar zijn land door de Libische autoriteiten zal vervolgd worden, voldoende is om beschouwd te worden als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Dat verzoeker verwijst naar de "Guide des.procédures et critères á appliquer pour déterminer le statut de réfugié", Genève, UNHCR, januari 1992 waar in par. 43 het volgende gesteld wordt : “Il n’est pas nécessaire que les arguments se fondent sur l'expérience personnelle du demandeur. Ainsi le sort subi par des parents ou des amis ou par d'autres membres du même groupe racial ou social peut attester que la crainte du demandeur d'être lui-même tôt ou tard victime de persécutons est fondée" en in par. 45 : 'Cependant la crainte d'être persécuté n'est pas censée être réservée aux personnes qui ont déjà été persécutées; elle peut être également le fait de celles qui veulent éviter de se trouver dans une situation où elles pourraient l’être". Dat uit het voormeld mensenrechtenrapport en uit de door verzoeker neergelegde ontslagbrief, waaruit blijkt dat hij in zijn land wegens mensensmokkel vervolgd wordt (cf. stuk 2), een voldoende aanwijzing is om te besluiten dat verzoeker bij een terugkeer naar zijn land een gegronde vrees voor vervolging koestert, zoals omschreven in het artikel l, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951. Dat de bestreden beslissing, die besluit tot een ongegronde asielaanvraag, niet afdoende gemotiveerd is en de zorgvuldigheidsverplichting schendt. Dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing, welke aan verzoeker werd betekend, het artikel l, A
(2)van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, het artikel 57/22 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke mo tiv erin g v an d e b estu u rsh an d elin g en en de zorgvuldigheidsverplichting schendt, wanneer deze de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken bevestigt en een terugleiding naar het land van herkomst aanbeveelt, zonder een onderzoek in te stellen naar verzoekers vrees voor vervolging bij een terugkeer naar zijn land.”; 2.2.
  1. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “het artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 XIV-13.146-4/7 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverlichting. Manifeste beoordelingsfout”; 2.2.
  2. Overwegende dat verzoeker verder nog de schending aanvoert van artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet; dat dit artikel echter betrekking heeft op beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, terwijl in casu de bestreden beslissing uitgaat van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat bijgevolg het middel op dit punt onontvankelijk is; dat trouwens artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat, met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, dient te worden opgemerkt dat deze wetsbepalingen de uitdrukkelijke motiveringsplicht opleggen, met als doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom het bestuur een beslissing heeft genomen; dat, aangezien in het verzoekschrift de motieven van de bestreden beslissing worden bestreden, dient te worden aangenomen dat verzoeker deze motieven kent; dat bijgevolg de schending van voornoemde wetsbepalingen in casu niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.
  3. Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn vrees voor vervolging onvoldoende heeft onderzocht; dat “vaststaat dat (hij) in zijn land valselijk wordt (beschuldigd) van het smokkelen van mensen die actief waren in de oppositie in Libië waardoor zijn leven en vrijheid in gevaar is bij een terugkeer naar Libië”; dat verzoeker in dit verband verwijst naar het rapport van het U.S. Department of State, “Libya Country Report on Human Rights Practices for 2001", van maart 2002; dat volgens verzoeker uit dit rapport blijkt dat de mensenrechten in Libië massaal worden geschonden en dat politieke opposanten met de doodstraf worden bestraft; dat verzoeker stelt dat uit dit mensenrechtenrapport en uit de neergelegde ontslagbrief blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn “om te besluiten dat (hij) bij een terugkeer naar zijn land een gegronde vrees voor vervolging koestert”; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, op basis van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van verzoeker, aangezien deze niet aannemelijk heeft kunnen maken omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie zijn land te hebben verlaten; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn oordeel baseert op een aantal elementen; dat hij stelt dat verzoeker niet aannemelijk maakt “dat de autoriteiten (hem valselijk zouden beschuldigen van het smokkelen van oppositieleden en het behoren tot oppositie”, omdat verzoeker verklaarde “nooit politieke activiteiten te hebben gehad, nooit tevoren gearresteerd te zijn geweest en daarvoor nooit problemen te hebben gehad op (zijn) werk noch bij (zijn) vroegere talrijke legale uitreizen uit Libië (verhoorverslag dringend beroep p. 6, 7 en 8)” en omdat verzoeker verklaarde “nooit oppositieleden te hebben gesmokkeld (verhoorverslag dringend beroep p. 18 ommezijde).”; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de XIV-13.146-5/7 vluchtelingen en de staatlozen stelt dat verzoekers vrees voor vervolging enkel gebaseerd is op verklaringen van zijn broer; dat daarnaast verzoeker meer dan twee maanden bij zijn zus in Libië verbleef “zonder gewag te maken van problemen met de autoriteiten gedurende die periode”; dat ten slotte de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen opmerkt dat verzoeker tijdens zijn vlucht, legaal, met zijn eigen paspoort, het land uit geraakte, “hetgeen nogmaals bevestigt dat zijn vrees (kennelijk) ongegrond is”; dat, met betrekking tot de door verzoeker neergelegde ontslagbrief, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen stelt : “De voorgelegde ontslagbrief vermeldt enkel als reden van uw ontslag, uw vervolging op basis van mensensmokkel, maar vermeldt niets in verband met een politieke beschuldiging van steun aan oppositieleden.”; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bijgevolg oordeelt dat het “hier een zaak van gemeenrecht betreft”, hetgeen niet onder de Vluchtelingenconventie valt; dat verzoeker geen enkele inhoudelijke kritiek formuleert op deze motieven; dat verzoeker zich beperkt tot het aanhalen van algemeenheden, maar geen enkele concrete poging onderneemt om de motieven, die steun vinden in het administratief dossier, te weerleggen of te betwisten; dat verzoeker enkel verwijst naar een rapport dat de algemene situatie in Libië, zijn land van herkomst, weergeeft, zonder dit te betrekken op zijn persoonlijke situatie; dat zulks niet volstaat om de motivering van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen te weerleggen; dat van een kandidaat-vluchteling immers wordt verwacht dat hij voldoende concrete elementen aanbrengt die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, samengevat de bestreden beslissing voldoende feitelijke en rechtens relevante elementen blijkt te bevatten die een schending uitsluiten van de in het middel aangehaalde bepalingen; dat verzoeker geenszins overtuigt van het tegendeel; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-13.146-6/7 BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.146-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.262 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.