← België

Arrest 132280 - - 10/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.280 Rolnummer: A. 152500/XII-4161 Zaak: Arrest 132280 - - 10/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-07-04 07:11 Fiche Arrest nr 132.280 van 10 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.280 van 10 juni 2004 in de zaak A. 152.500/XII-

  1. In zake : Diego BOONE, die woonplaats kiest bij advocaat F. Van Acker, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan 128 tegen :
  2. de STAD GENT,
  3. de BURGEMEESTER VAN DE STAD GENT, die woonplaats kiezen bij advocaat P. Devers, kantoor houdende te Gent, Kouter 71-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Diego Boone op 7 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 1 juni 2004 van de burgemeester van Gent waarbij de herberg Bleu, Graaf van Vlaanderenplein 25 te Gent, wordt gesloten voor een duur van drie maanden met ingang van de dag van betekening aan de uitbater; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 8 juni 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 juni 2004, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Van Acker, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partijen; XII-4161-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker de herberg Bleu uitbaat te Gent, Graaf van Vlaanderenplein 25; dat op 13 januari 2004 de burgemeester van de stad Gent de inrichting voor een duur van twee maanden sluit, op grond van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet, wegens geluidshinder, nachtlawaai en allerlei vormen van ordeverstoring en afgeleide hinder; dat onder meer wordt overwogen “dat de uitbater in een periode van twee maanden de kans zal hebben om de voorgenomen studies en daaruit volgende noodzakelijke aanpassingen uit te voeren, en tevens het noodzakelijke personeel aan te werven en op te leiden met het oog op een definitieve trendbreuk inzake de wijze waarop het café wordt uitgebaat”; dat op 1 juni 2004 de burgemeester vaststelt “dat de eerder opgelegde sluiting van twee maanden niet het beoogde resultaat heeft opgeleverd” en op grond van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet beslist dat er reden is tot het opleggen van een sluiting voor een duur van drie maanden, met ingang van de dag van betekening van de beslissing aan de uitbater; dat de beslissing, ter toelichting dat “het café Bleu uitgebaat wordt op een wijze die ontolereerbare overlast en geluidshinder veroorzaakt voorde woonomgeving”, uitgebreid ingaat op onder meer “de dreiging uitgaande van de herberg en van zijn bezoekers”, de “problematiek van de geluidshinder” en de “talrijke vormen van afgeleide hinder in de onmiddellijke buurt van het café”, waaronder het gebruik van de brede omgeving van het café als uitbreiding van de zaak, openbare zedenschennis, wildplassen, het tegenhouden van fietsers en ander verkeer, het parkeren op het trottoir, het fietspad of in het midden van de rijbaan; Overwegende dat luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is; XII-4161-2/7 Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoeker twee middelen aanvoert; dat een eerste middel is afgeleid uit de “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de hoorplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, en van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen”; dat verzoeker in een eerste onderdeel betoogt, eensdeels, dat hij “amper” de mogelijkheid heeft gekregen om het dossier in te zien en zijn standpunt met betrekking tot de voorgenomen maatregel te laten kennen en, anderdeels, dat hij tevergeefs heeft gevraagd om gehoord te worden “in de vorm van een overleg in aanwezigheid van de bevoegde diensten”; dat hij in een tweede onderdeel doet gelden dat de bestreden beslissing onzorgvuldig is omdat de bestreden beslissing verwijst naar een aantal processen-verbaal “zonder dat ook maar op enige wijze kan worden aangetoond dat de vastgestelde feiten ook daadwerkelijk in relatie kunnen gebracht worden met de uitbating van de herberg ‘Café Bleu’”, omdat alleen melding wordt gemaakt van de observaties die nadelig zijn voor verzoeker en omdat de burgemeester geen rekening heeft kunnen houden met de werken die aan de herberg zijn uitgevoerd “teneinde deze op het vlak van geluidsemissie beter te isoleren”; Overwegende, aangaande het eerste onderdeel van het middel, dat de beslissing van 1 juni 2004 vermeldt : “Overwegende dat de politie op maandag 24 mei 2004 (en niet op dinsdag 25 mei) een brief heeft ter hand gesteld waarin hem de kans werd geboden om tot woensdag 26 mei het dossier in te kijken en tot donderdag 27 mei om 12.00 uur om zijn standpunt naar voren te brengen in verband met een geplande maatregel waarvan reeds een ontwerp was voorbereid. Overwegende dat deze termijn voor dossierinzage en overmaken van eventuele bemerkingen en verweer op verzoek van de raadsman van de uitbater werd verlengd tot vrijdag 28 mei om 12.00 uur”; Overwegende dat een en ander steun lijkt te vinden in de stukken van het administratief dossier en aan verzoeker dan toch heeft toegelaten bij faxberichten van 26 en 28 mei 2004 opmerkingen en bezwaren tegen de voorgenomen maatregel te formuleren, welke opmerkingen en bezwaren in de motivering van het sluitingsbevel uitdrukkelijk beantwoord worden; XII-4161-3/7 Overwegende, voorts, dat de beslissing van 1 juni 2004 stelt : “Overwegende dat, behoudens hoogdringendheid, de burgemeester een maatregel van administratieve politie op grond van zijn bevoegdheden krachtens de Nieuwe Gemeentewet slechts neemt nadat hij de belanghebbende de gelegenheid heeft geboden om nuttig voor zijn belangen op te komen. Overwegende dat nochtans niet vereist is dat dit zou gebeuren in de vorm van een mondelinge uiteenzetting of rechtstreeks tegenover de burgemeester zelf, laat staan dat hierover een tegensprekelijk debat zou worden georganiseerd. Overwegende dat niet moest worden ingegaan op de vraag van de raadsman van de uitbater om een hoorzitting te organiseren, alwaar zijn cliënt ‘samen met de terzake bevoegde stadsdiensten (zou) onderzoeken welke maatregelen er kunnen genomen worden om de in hoofdzaak afgeleide hinder te bestrijden’, en om ‘aan te tonen welke maatregelen hijzelf sinds het sluitingsbevel dd. 13 januari 2004 heeft genomen om te verhelpen aan de geluidshinder voor de buren, inzonderheid de heer J. Van den Daele’. Overwegende dat de uitbater ook in een schriftelijke uiteenzetting kan uitleggen welke maatregelen hij nam tegen de problemen, en dat in het voorliggend dossier moet onderzocht worden welke administratieve maatregelen thans noodzakelijk zijn om een einde te maken aan de hardnekkige en voortdurende verstoringen van de openbare orde. Dat reeds eerder georganiseerde gesprekken plaats vonden met de politie, stadsdiensten en buurtbewoners op 21 februari 2000, 30 maart 2000 en 10 maart 2003 en 16 juni
  5. Overwegende dat dergelijk overleg zinvol kan zijn voor zover de gemaakte afspraken worden nageleefd maar dat het niet realistisch is om thans van een dergelijk nieuw overleg met de stadsdiensten te verwachten dat hiermee een onmiddellijk einde zou komen aan de overlast”; Overwegende dat vooralsnog met de verwerende partijen wordt aangenomen dat, zo verzoeker in principe in de gelegenheid moest worden gesteld om nuttig zijn standpunt naar voor te brengen, dit “horen” niet noodzakelijk mondeling moest gebeuren, noch de vorm diende aan te nemen van een “overleg” waaraan ook door de stadsdiensten wordt deelgenomen; Overwegende dat het eerste onderdeel niet ernstig is; Overwegende dat de processen-verbaal die het tweede onderdeel viseert, op het eerste gezicht alleen de processen-verbaal met nrs. GE.50LA.139558/2004 en GE.50.LA.128453/2004 zijn, in verband met “de afgeleide hinder”; dat, om de betreffende grief niet ernstig te bevinden, het volstaat voorlopig vast te stellen, met de verwerende partijen, dat het om slechts twee van de vele processen-verbaal gaat die het sluitingsbevel schragen en dat, naar op het eerste gezicht blijkt, “de afgeleide hinder” reeds genoegzaam voor bewezen kon worden gehouden op grond van slechts de andere processen-verbaal alleen; XII-4161-4/7 Overwegende dat het in de huidige stand van de procedure niet verwonderlijk, laat staan problematisch lijkt dat de burgemeester zich ter motivering van de opgelegde sluiting beperkt heeft tot de “observaties welke nadelig zijn voor de verzoekende partij”; dat niet goed wordt ingezien hoe andere, waaruit blijkt dat er op zekere momenten “geen onregelmatigheden konden worden vastgesteld”, een verstoring van de openbare orde aannemelijk zouden kunnen maken, van aard om een optreden op grond van artikel 134quater van de nieuwe gemeentewet te wettigen; dat evenmin wordt ingezien hoe de burgemeester onzorgvuldig kan zijn geweest door geen acht te slaan op stukken in verband met door verzoeker uitgevoerde werken - stukken waarvan verzoeker zelf zegt dat ze wegens de onbereikbaarheid van zijn boekhouder niet konden worden meegedeeld; Overwegende dat ook het tweede onderdeel van het eerste middel niet ernstig is; Overwegende dat een tweede middel luidt: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel, en van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering der bestuurshandelingen”; dat wordt geargumenteerd dat een populair café bijna noodzakelijk afgeleide hinder veroorzaakt, dat het niet eenvoudig is om alleen in te staan voor de bestrijding van die afgeleide hinder, dat de afgeleide hinder en de geluidshinder zich in hoofdzaak op vrijdagmiddag en -avond voordoen, dat daarom verzoeker verzocht heeft om de sluitingsmaatregel tot die middag en avond te beperken, dat daar niet is op ingegaan, dat de motivering op dat punt “allerminst als afdoende [kan] worden beschouwd” en de sluitingsmaatregel niet haar kennelijk onredelijk karakter doet verliezen, dat door de algehele sluiting van de herberg verzoeker zijn enige bron van inkomsten verliest, dat een beperkte maatregel eveneens het beoogde effect zou kunnen bereiken en dat in wezen de definitieve sluiting van de herberg beoogd wordt; Overwegende, wat de klacht betreft dat verzoeker niet “alleen kan instaan voor de bestrijding van de hinder”, dat de geluids- en andere hinder ten gevolge van de uitbating van de herberg Bleu niet nieuw zijn; dat zij reeds aanleiding gaven tot een sluiting van 13 januari 2004, waarbij uitdrukkelijk werd overwogen dat verzoeker er de kans door krijgt om, zoals door hem aangekondigd, de geluidshinder aan te pakken met aanpassingswerken en de andere hinder met een sensibiliseringscampagne bij de bezoekers van het café; dat er niettemin vanaf de XII-4161-5/7 eerste dag nà de sluiting weer klachten wegens geluidshinder waren; dat bij verschillende metingen ook effectief een overschrijding van de normen werd vastgesteld; dat tevens verzoeker een wel zeer eigenaardige invulling geeft aan de aangekondigde sensibiliseringscampagne; dat hij aan de ingangsdeur van het café een pamflet bevestigde waarin hij meedeelt al jarenlang “te moeten opboksen tegen een bepaalde buur die niet voor rede vatbaar was”, vaak “onder de gordel” speelde en “bij het minste geluid onmiddellijk moord en brand schreeuwde bij de politie”; dat in die omstandigheden de bestreden beslissing op het eerste gezicht niet ten onrechte overweegt dat verzoeker “niet aantoont dat hij de sluiting op 13 januari heeft aangegrepen om de eerder beloofde sensibiliseringscampagne te voeren en aan zijn publiek uit te leggen dat een trendbreuk noodzakelijk is in de houding van het cliënteel tegenover de woonomgeving”; Overwegende, wat specifiek de grief betreft dat de sluiting niet beperkt is tot de vrijdagmiddag en -avond, de beslissing van de burgemeester daar als volgt op anticipeert : “Dat het logisch voorkomt dat de meeste hinder zich situeert op de momenten dat het café het drukst bezocht wordt, maar dit niet noodzakelijk telkens op vrijdagavond is (onder meer gelet op feestdagen) en dat het niet te vermijden zou zijn dat bij een sluiting beperkt tot de vrijdagavond het zwaartepunt van de activiteiten zou verschuiven naar een andere avond. Dat alleen van een effectieve en volledige sluiting in redelijkheid verwacht mag worden dat ze de hoognodige mentaliteitswijziging teweegbrengt bij uitbater en cliënteel, waardoor na de heropening het nodige respect zou opgebracht worden voor de naleving van wettelijke normen en voor de openbare orde en rust”; Overwegende dat die motivering tenminste in de huidige stand van de procedure genoegzaam een volledige sluiting lijkt te kunnen verantwoorden; dat daartoe tevens bedacht wordt dat ook de sluiting van 13 januari 2004, wegens gelijkaardige feiten, algeheel was en verzoeker er toen niettemin niét tegen heeft doen gelden dat zij verder reikte dan nodig; Overwegende dat de opgelegde sluiting van drie maanden wegens “nieuwe ernstige feiten in een korte periode volgend op een eerdere sluiting van twee maanden”, de grenzen van de redelijkheid niet lijkt te buiten te gaan; dat er, tot slot, vooralsnog geen reden toe is de burgemeester ervan te verdenken met zijn beslissing iets anders te beogen dan wat hij zègt na te streven en ook wettig màg nastreven: “het nodige respect [...] voor de naleving van wettelijke normen en voor de openbare orde en rust”; XII-4161-6/7 Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is; Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat aldus aan tenminste een van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  6. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien juni 2004, door : de H. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. LUST. XII-4161-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.280 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.