id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.283 Rolnummer: A. 113992/X-10708 Zaak: Arrest 132283 - - 11/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:11 Fiche Arrest nr 132.283 van 11 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.283 van 11 juni 2004 in de zaak A. 113.992/X-10.
- In zake :
- Hendrik VAN SCHEL,
- Jeanine VANDEVELDE, die woonplaats kiezen bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen :
- de gemeente MEISE, die woonplaats kiest bij Advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3,
- het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg
- tussenkomende partijen :
- Georges VAN NIJVEL,
- Viviane DE SMECHT, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. DELACOURT, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Hamiltonpark
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik VAN SCHEL en Jeanine VANDEVELDE op 10 december 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij aan Georges VAN NIJVEL- DE SMECHT de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een grond gelegen aan de Hoek Blauwenberg/Landbeekstraat, kadastraal bekend Sectie F, nrs. 419 v, 419 t en 432 f deel "en bij samenhang" van "het besluit van de gemeenteraad van Meise dd. 30 maart 2000 waarbij het wegenistracé wordt goedgekeurd" en van "het besluit van de gemeenteraad van Meise dd. 30 maart 2000 X-10.708-1/12 betreffende de goedkeuring van het bestek en de plannen voor de aanleg van de wegen en de overeenkomst met de verkavelaar"; Gelet op het arrest nr. 107.941 van 18 juni 2002 waarbij het verzoek tot tussenkomst van Georges VAN NIJVEL in het administratief kort geding wordt ingewilligd, de schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing wordt bevolen, de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld en de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure ten laste van de tussenkomende partij worden gelegd; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 16 juli 2002 ingediend door de eerste verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 16 juli 2002 ingediend door Georges VAN NIJVEL en Viviane DE SMECHT; Gelet op de beschikking van 30 september 2002, die het verzoekschrift tot voortzetting van het geding voor het verdere verloop van de procedure aanziet als een verzoek tot tussenkomst en die de tussenkomst van Georges VAN NIJVEL en Viviane DE SMECHT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 29 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; X-10.708-2/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. DE PUYDT die, loco Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY verschijnt voor verzoekers, van Advocaat F. DE PRETER die, loco Advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat G. HAVET die, loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat P. ROTSAERT die, loco Advocaat L. DELACOURT verschijnt voor de tussenkomende partijen; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door Georges VAN NIJVEL en Viviane DE SMECHT wordt aangezien als een verzoekschrift tot tussenkomst in de vordering tot nietigverklaring; dat de kosten dienovereenkomstig worden begroot; dat zij worden bepaald op 250 euro; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memories van wederantwoord vragen om de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij uit de debatten te weren als laattijdig; dat op dat verzoek niet wordt ingegaan; dat immers op 21 juni 2002 het tussenarrest waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing werd bevolen, aan onder meer de verwerende partijen werd betekend; dat op 16 juli 2002, dit is tijdig, de eerste verwerende partij een verzoek tot voortzetting heeft ingediend; dat zulks impliceert dat de gewone rechtspleging wordt voortgezet ten aanzien van alle verwerende partijen; dat derhalve, gelet op het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, de op 16 augustus 2002 door de tweede verwerende partij ingediende memorie van antwoord tijdig is; Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak kan worden verwezen naar het arrest nr. 107.941 van 18 juni 2002; Overwegende dat de verzoekende partijen de nietigverklaring vorderen van het besluit van 8 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij aan Georges VAN NIJVEL- DE SMECHT de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een grond X-10.708-3/12 gelegen aan de Hoek Blauwenberg/Landbeekstraat, kadastraal bekend Sectie F, nrs. 419 v, 419 t en 432 f deel; dat zij "bij samenhang" de nietigverklaring vorderen van "het besluit van de gemeenteraad van Meise dd. 30 maart 2000 waarbij het wegenistracé wordt goedgekeurd" en van "het besluit van de gemeenteraad van Meise dd. 30 maart 2000 betreffende de goedkeuring van het bestek en de plannen voor de aanleg van de wegen en de overeenkomst met de verkavelaar"; Overwegende dat in beginsel slechts één rechtshandeling per verzoekschrift kan worden bestreden; dat meerdere rechtshandelingen slechts ontvankelijk in één verzoekschrift kunnen worden bestreden indien daardoor de goede rechtsbedeling wordt bevorderd, meer bepaald wanneer de bestreden rechtshandelingen verknocht zijn; Overwegende dat de beslissing van 8 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij aan Georges VAN NIJVEL-DE SMECHT de verkavelingsvergunning wordt verleend, het besluit van 30 maart 2000 van de gemeenteraad van Meise waarbij het wegenistracé wordt goedgekeurd en de beslissing van 30 maart 2000 van de gemeenteraad van Meise houdende goedkeuring van het lastenboek en de plannen voor de aanleg van de wegen evenals de overeenkomst tussen het gemeentebestuur en de verkavelaar, genomen zijn op grond van eigen wettelijke bepalingen met een eigen finaliteit; dat de bestreden beslissingen voorts niet aan elkaar gebonden zijn en een vernietiging van de ene beslissing niet noodzakelijk leidt tot de vernietiging van de andere beslissingen; dat er tussen deze respectievelijke beslissingen geen samenhang bestaat in de juridische zin van het woord; Overwegende dat indien meerdere vorderingen die niet samen- hangen in hetzelfde verzoekschrift worden ingesteld, alleen de eerst opgegeven vordering tot nietigverklaring ontvankelijk is; dat het beroep om deze reden alleen reeds niet ontvankelijk is wat de tweede en de derde vordering betreft; Overwegende dat verzoekende partijen in een derde middel de schending aanvoeren van de artikelen 52 en 55 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 19, laatste lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de X-10.708-4/12 bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het redelijkheidsbeginsel, en het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; onder meer, "Doordat, eerste onderdeel, het schepencollege, (qua) architectonisch karakter van oordeel is dat een meergezinswoning op deze plaats niet in strijd is met de goede plaatselijke ordening omdat aan de zijde van de Landbeekstraat in de Landbeekstraat verschillende rijen gekoppelde eengezinswoningen staan en dat gekoppelde eengezinswoningen visueel geen verschil zouden maken met het project, met dat onderscheid dat bij gekoppelde eengezinswoningen de opdeling verticaal gebeurt, daar waar het project een horizontale opdeling maakt, Dat het schepencollege o.m. overweegt (...) : ' ... Dat het College van Burgemeester en Schepenen evenwel van mening is dat het project wel degelijk aansluiting zoekt bij de Landbeekstraat; dat de bouwlijn niet alles is; dat het gebouw aan de zijde van de Landbeekstraat langer is; dat het gebouw wat het uitzicht betreft geïnspireerd is op de gekoppelde eengezinswoningen die in deze straat staan; dat het gebouw in dat opzicht wel degelijk aansluiting zoekt bij deze straat.' Dat verder deze bouwwijze dan moet doorgezet worden ten aanzien van de Blauwenberg, Terwijl, eerste onderdeel, eerste tak, de 'onmiddellijke omgeving' zowel langs de Landbeekstraat als langs de Blauwenberg uit eengezinswoningen bestaat, voornamelijk met residentieel karakter. Dat de rijen gekoppelde eengezinswoningen in de Landbeekstraat niet behoren tot de onmiddellijke omgeving, maar tot de ruimere omgeving, zoals wordt toegegeven, dat de dichtstbijzijnde huizenrij trouwens op meer dan 60 meter staat en hogerop ligt (...), Dat bijgevolg, wat het architectonisch karakter betreft, de beoordeling voorbijgaat aan de eigen kenmerken van de zich in de onmiddellijke omgeving bevindende bebouwing, Terwijl, eerste onderdeel, tweede tak, een grote meergezinswoning bovendien niet kan vergeleken worden met aaneengebouwde eengezinswonin- gen, de kenmerken zijn anders, zowel wat het uitzicht als wat het gebruik betreft, Zodat, zelfs wanneer zou geoordeeld worden dat aan een ruimere dan de onmiddellijke omgeving moet getoetst worden, die toetsing nog steeds voorbijgaat aan de eigen kenmerken van de zich in die ruimere omgeving bevindende bebouwing, (...) en, doordat, vijfde onderdeel, de bestreden beslissing beweert dat het complex qua uitzicht niet zou afwijken van de bestaande huizenrijen in de Landbeekstraat; dat in deze straat verschillende rijen gekoppelde ééngezins- woningen zouden staan, waarbij de opdeling vertikaal in plaats van horizontaal zou gebeuren en dit niets aan het uitzicht in de straat zou wijzigen; dat hier wordt gedoeld op een huizenblok van 5 aaneengesloten woningen die op een afstand van ongeveer 60 meter van het geplande projekt liggen; dat aan de kant van de Blauwenberg geen dergelijke gekoppelde woningen zouden staan, doch dat het gebouw aan deze kant minder lang zou zijn (26 meter t.o.v. 36 meter); dat het gebouw aan deze zijde aansluiting zou 'zoeken' bij de aanpalende vrijstaande eengezinswoning van eerste verzoeker; dat verder in de bestreden beslissing gesteld wordt dat het geplande complex van uitzicht zou verschillen doch qua nokhoogte, bouwvrije stroken en bouwlijn hetzelfde zou zijn als de woning van eerste verzoeker; X-10.708-5/12 terwijl, vijfde onderdeel, voor wat betreft de verenigbaarheid van een projekt met de onmiddellijke omgeving, uiteraard de woningen in de onmiddellijke omgeving dienen beoordeeld; dat t.a.v. de woning van tweede verzoeker, hoewel naast het geplande gebouw gelegen, geen enkele beoordeling is gemaakt; dat voor wat betreft de gelijkenis met de andere huizenrijen in de Landbeekstraat dient opgemerkt dat de bestreden beslissing een huizenrij bedoelt die op 60 meter van het geplande projekt is gelegen en daarom niet in de beoordeling kan worden betrokken; dat daarenboven immers het bovenste gedeelte van de Landbeekstraat waar deze huizenrij is ingeplant, een totaal andere structuur heeft en met name bestaat uit twee aan twee gekoppelde woningen en een paar aaneengesloten huizenblokken van 5 woningen per blok; dat de woningen in de onmiddellijke omgeving van het geplande projekt uitsluitend bestaan uit vrijstaande ééngezinswoningen die de aard en het karakter van de omgeving bepalen (...); dat bovendien, deze aaneengesloten huizenrij een maximale gevellengte (heeft) van 32 meter daar waar het geplande complex, in de Landbeekstraat een gevellengte heeft van 36,5 meter en 26 meter langsheen de Blauwenberg; dat daarenboven het gebouw één fysisch geheel uitmaakt en voor de beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, niet kan worden opgesplitst in twee afzonderlijke delen; dat immers de impakt van het gehele gebouw dient beoordeeld en zijn volledige omvang, t.t.z. 36,5 + 26 meter = 56,6 meter (lees 62,5 m); dat in de onmiddellijke omgeving van het projekt geen gebouwen van een dergelijke omvang zijn ingeplant; dat de bewering in de bestreden beslissing namelijk dat het complex qua uitzicht zou aansluiten bij de Landbeekstraat een miskenning inhoudt van de rechtens vereiste feitelijke grondslag; dat hetzelfde kan worden gezegd betreffende de woning van eerste verzoeker in de Blauwenberg; dat uit de feitelijke gegevens van de zaak (...) zeer duidelijk blijkt dat de woning van eerste verzoeker geheel verschillend is van het geplande complex; dat enkel de bouwlijn identiek is en de bouwvrije stroken; dat de vergelijking van deze woning niet opgaat gezien de duidelijke verschillen in grootte, omvang en impakt op de omgeving"; Overwegende dat de eerste verwerende partij wat het eerste en het vijfde onderdeel van het middel betreft, woordelijk hetzelfde verweer voert als in haar in het raam van de schorsingsprocedure neergelegde nota; dat ze te dezen antwoordt dat verzoekende partijen geen opportuniteitskritiek kunnen uitoefenen, maar enkel kritiek kunnen uiten op de motivering van de bestreden beslissing en de redelijkheid ervan, en dat, wat dit laatste betreft, zij dienen aan te tonen dat de beslissing kennelijk onredelijk is, dat verzoekende partijen in de beide takken van het eerste onderdeel van het middel kritiek uiten op de redelijkheid van de beslissing, dat het, wat de eerste tak van het onderdeel betreft, tot de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de vergunningverlenende overheid behoort om bij de beoordeling van het "architectonisch karakter" de "rijen gekoppelde eengezinswoningen" als een relevant gegeven in aanmerking te nemen, en, wat de tweede tak betreft, dat het college van burgemeester en schepenen uitdrukkelijk het volgende heeft gesteld : X-10.708-6/12 "Overwegende dat een meergezinswoning andere vragen van ruimtelijke ordening oproept dan een eengezinswoning, enerzijds omdat een dergelijk project specifieke vraagstukken oproept van parkeergelegenheid, eventuele bijkomende hinder voor de buren door het voorzien van woonvertrekken op de verdiepingen, andere inplanting, bouwhoogte, e.d.; dat deze elementen verder behandeld zullen worden ... dat het College van Burgemeester en Schepenen evenwel van mening is dat een meergezinswoning niet strijdig hoeft te zijn met de goede ruimtelijke ordening, enkel en alleen omdat het een meergezinswoning is; dat een meergezinswoning wel - zoals gezegd - een andere beoordeling vraagt op bepaalde elementen"; dat het college vindt dat men een meergezinswoning wel kan vergelijken met aaneengesloten eengezinswoningen en dat het tot de discretionaire beoordelingsbe- voegdheid van de vergunningverlenende overheid behoort om te bepalen voor welke aspecten een meergezinswoning een andere beoordeling behoeft, en dat verzoekende partijen wat de beide takken betreft geenszins aantonen dat de betwiste beoordeling onredelijk is, laat staan kennelijk onredelijk; Overwegende dat de eerste verwerende partij wat het vijfde onderdeel van het middel betreft, antwoordt dat verzoekers blijkbaar de redelijkheid betwisten van de vaststelling dat het project voldoende aansluiting zoekt bij de Landbeekstraat en bij de Blauwenberg, dat het standpunt van het college van burgemeester en schepenen dat de groepen van gekoppelde eengezinswoningen wel degelijk het karakter van de straat mede bepalen en dat deze bouwvorm mag worden verdergezet geenszins onredelijk, laat staan kennelijk onredelijk is, dat het voorts onlogisch is dat men de gevellengtes in de Landbeekstraat en de Blauwenberg moet samentellen om die dan te gaan vergelijken met deze van de groepen aaneengesloten eengezinswoningen, en dat het standpunt dat het vergunde project voldoende aansluiting zoekt bij de woning van eerste verzoekende partij in het bestreden besluit is gemotiveerd, met name als volgt : "dat de nok, net zoals de aanpalende woning (en in tegenstelling tot de woningen aan de overkant van de straat), evenwijdig is met de straat; dat de bouwlijn gelijk valt; dat de zijdelingse bouwvrije stroken gelijk zijn; dat de aanpalende woning door zijn moderne architectuur wel een ander uitzicht biedt, maar er ook, net door deze moderne architectuur, bij past; dat ondanks het andere uitzicht van de gevel het project dan ook voldoende aansluiting zoekt bij de bestaande bebouwing"; dat deze motivering door verzoekende partijen niet wordt weerlegd; dat de vergunningverlenende overheid ter zake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, en dat door de verzoekende partijen niet wordt gesteld dat de betrokken motivering onredelijk zou zijn, laat staan kennelijk onredelijk; X-10.708-7/12 Overwegende dat ook de tweede verwerende partij woordelijk hetzelfde verweer voert als in haar in het raam van de schorsingsprocedure neergelegde nota; dat ze te dezen wat de eerste tak van het eerste onderdeel van het middel betreft, antwoordt dat verzoekende partijen volstrekt in gebreke blijven het zogenaamde voorbijgaan aan de eigen kenmerken van de zich in de onmiddellijke omgeving bevindende gebouwen aan te geven, en wat de tweede tak van het eerste onderdeel van het middel betreft, dat het feit dat verzoekende partijen een andere invulling hebben van de beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening dan de vergunningverlenende overheid op zich geen onwettigheid van de bestreden beslissing meebrengt; Overwegende dat de tweede verwerende partij, wat het vijfde onderdeel van het middel betreft, antwoordt dat verzoekende partijen een verschil- lende beoordeling vooropstellen van de goede ruimtelijke ordening, hetgeen buiten de bevoegdheid van de Raad van State valt, en dit voorstellen als een motivering steunende op de verkeerde feitelijke grondslag, terwijl er geen kritiek is op de feitelijke gegevens zelf die de grondslag vormen voor de bestreden beslissing; Overwegende dat enkel de eerste tussenkomende partij een memorie heeft ingediend; dat die in essentie verwijst naar de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij; Overwegende dat de verzoekende partijen in de memories van wederantwoord en in de laatste memorie in essentie niets toevoegen aan hetgeen ze in het verzoekschrift hebben uiteengezet; Overwegende dat de eerste verwerende partij, die zich in haar memorie van antwoord heeft beperkt tot het woordelijk hernemen van haar verweer gevoerd in de voorafgaande schorsingsprocedure, in haar laatste memorie op omstandige wijze de overwegingen van het tussengekomen arrest betwist, alsook nieuwe of anders geformuleerde argumenten aanvoert die zij in de memorie van antwoord zinvol had kunnen aanvoeren; Overwegende dat geen rekening dient te worden gehouden met de repliek van de eerste verwerende partij op het middel in haar laatste memorie; dat die immers reeds zinvol kon worden aangevoerd in een memorie van antwoord en de openbare orde niet raakt; dat de verzoekende partijen op deze argumenten immers X-10.708-8/12 niet schriftelijk hebben kunnen repliceren en het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het auditoraat er zich al evenmin heeft over kunnen uitspreken; Overwegende dat de voorgaande overwegingen op gelijkaardige wijze opgaan voor het door de tweede verwerende partij in de laatste memorie gevoerde verweer; dat ook het aldaar uiteengezette hetzij anders geformuleerde, hetzij nieuw geformuleerde argumenten zijn die de openbare orde niet raken en die zinvol hadden kunnen aangevoerd worden in een eerder procedurestuk; Overwegende dat artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen bepaalt dat, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerpgewestplan, de vergunning slechts wordt afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; Overwegende dat luidens de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat die afdoende moeten zijn; dat uit voormelde bepalingen volgt dat enkel met de in het bestreden besluit vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het bestreden besluit wat de beoordeling betreft van de aanvraag ten aanzien van de goede ruimtelijke ordening overweegt, enerzijds "dat de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening betrekking heeft op de afweging van de aspecten van de goede ruimtelijke ordening van het bouwwerk, ten aanzien van de onmiddellijke omgeving; dat het in het kader van die beoordeling niet past om elementen uit de ruimere omgeving in de beoordeling te betrekken", maar anderzijds "dat wel moet worden gesteld dat één en ander relatief is; dat wat voor een bepaald aspect van de afweging wel behoort tot de onmiddellijke omgeving, daar niet noodzakelijk toe moet behoren voor een ander aspect; dat in dat opzicht onder meer voor wat betreft de elementen die een invloed hebben op het uitzicht op het project van op de straat (achteruitbouwstrook, bouwhoogte, architectonisch karakter), men X-10.708-9/12 ook rekening kan houden met gegevens uit een wat ruimere omgeving, met name de volledige Landbeekstraat en de volledige Blauwenberg, omdat deze elementen een esthetische impact hebben op de volledige straat, dat dit ook moet gelden voor de verkeerstechnische implicaties en de parkeerproblematiek; dat de bouwdiepte, de zijdelingse bouwvrije stroken, problemen van privacy e.d. vooral dienen te worden afgewogen ten opzichte van de onmiddellijke aangrenzende kavels."; Overwegende dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening in de eerste plaats rekening dient te worden gehouden met de ordening in de onmiddellijke omgeving; dat al naar gelang de aard en de omvang van de aanvraag ook rekening kan worden gehouden met de ordening in een ruimere omgeving; dat daarbij de ordening in de ruimere omgeving uiteraard minder doorslaggevend is en er alleszins niet mag toe leiden dat de ordening in de onmiddellijke omgeving, die de plaatselijke aanleg het meest bepaalt, wat de elementen betreft uit een ruimere omgeving die bij de beoordeling worden betrokken, buiten beschouwing wordt gelaten; Overwegende dat, wat de omvang van het op het lot 2 geplande project betreft, het bestreden besluit de vergunning verantwoordt door te stellen "dat het project wel degelijk aansluiting zoekt bij de Landbeekstraat. (...) dat het gebouw wat het uitzicht betreft geïnspireerd is op de gekoppelde eengezinswoningen die in deze straat staan; dat het gebouw in dat opzicht wel degelijk aansluiting zoekt bij deze straat"; dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat bedoelde gekoppelde eengezinswoningen in de Landbeekstraat zich bevinden op een afstand van meer dan 60 m van het betrokken perceel, terwijl de onmiddellijke omgeving uitsluitend blijkt te bestaan uit alleenstaande eengezinswoningen; dat het bestreden besluit, wat betreft de zijde gelegen langs de Blauwenberg, dan weer overweegt "dat aan de zijde van de Blauwenberg, geen dergelijke gekoppelde eengezinswoningen staan, die visueel één geheel vormen", maar dat "het gebouw aan deze kant evenwel minder lang is (26 meter t.o.v. 36 meter)", "dat het gebouw een hoekgebouw is" en "dat het aangewezen is dat het gebouw aan de korte zijde de bouwvorm voortzet die aan de lange zijde werd ingezet"; dat wat de zijde Blauwenberg betreft de aansluiting met deze straat dan weer niet blijkt te worden gezocht met de bebouwing in de ruimere omgeving, maar met de aanpalende vrijstaande eengezinswoning; dat het bestreden besluit hieromtrent stelt "dat het project wel volledig anders is dan de huizenrijen in gesloten bebouwing die verder in de Blauwenberg staan, maar zoals gezegd verkiest het College van Burgemeester en Schepenen geen aansluiting te zoeken met deze X-10.708-10/12 woningen", en dat het "gelet op de aanwezige vrijstaande eengezinswoning tussen deze huizenrij en het project, past (...) om aansluiting te zoeken met deze woning; dat dit gebeurt; dat de nok, net zoals de aanpalende woning (en in tegenstelling tot de woningen aan de overkant van de straat), evenwijdig is met de straat; dat de bouwlijn gelijk valt; dat de zijdelingse bouwvrije stroken gelijk zijn; dat de aanpalende woning door zijn moderne architectuur wel een ander uitzicht biedt, maar er ook, net door deze moderne architectuur, bij past; dat ondanks het andere uitzicht van de gevel het project dan ook voldoende aansluiting zoekt bij de bestaande bebouwing"; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de vergunning- verlenende overheid haar beoordeling van de verenigbaarheid van de verkavelingsaanvraag met goede plaatselijke ordening heeft gesteund, nu eens op elementen uit de ruimere omgeving, dan weer op elementen uit de onmiddellijke omgeving, al naar gelang deze elementen al dan niet gelijklopend blijken te zijn met hetgeen wordt beoogd in de verkavelingsaanvraag, en dat daarbij alle gegevens uit de onmiddellijke, respectievelijk ruimere omgeving terzijde worden geschoven of zelfs niet eens bij de beoordeling van de aanvraag worden betrokken wanneer de beoogde verkavelingsaanvraag er niet mee in overeenstemming blijkt te zijn; dat de vergunningverlenende overheid door aldus niet alle gegevens en elementen die de plaatselijke ordening bepalen op een gelijke wijze in haar beoordeling te betrekken de verenigbaarheid van de aanvraag met de goede plaatselijke ordening zoals vereist krachtens voornoemd artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972, niet naar behoren heeft verantwoord; dat het middel in zoverre gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 oktober 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Meise waarbij aan Georges VAN NIJVEL-DE SMECHT de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een grond gelegen aan de Hoek Blauwenberg/Landbeekstraat, kadastraal bekend Sectie F, nrs. 419 v, 419 t en 432 f deel. Artikel
- X-10.708-11/12 Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 697,06 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.708-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.283 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.941 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.