← België

Arrest 132284 - - 11/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.284 Rolnummer: A. 129157/X-11178 Zaak: Arrest 132284 - - 11/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-29 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:11 Fiche Arrest nr 132.284 van 11 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.284 van 11 juni 2004 in de zaak A. 129.157/X-11.

  1. In zake : de n.v. CARAVANPARK WESTMEERBEEK, die woonplaats kiest bij Advocaat P. VAN RILLAER, kantoor houdende te 2820 BONHEIDEN, Putsesteenweg 8 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. CARAVANPARK WESTMEERBEEK op 12 november 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juli 2002 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Terrein voor openluchtrecreatieve verblijven Westmeerbeek" te Hulshout, bekendgemaakt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 2 oktober 2002; Gelet op het arrest nr. 118.995 van 5 mei 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen, de bekendmaking van het arrest wordt bevolen op dezelfde wijze als het geschorste besluit, en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 3 juni 2003 ingediend door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; X-11.178-1/11 Gelet op de beschikking van 3 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN RILLAER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak kan worden verwezen naar het arrest nr. 118.995 van 5 mei 2003; Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit de schending van artikel 42, § 6, derde lid en 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat zij doet gelden wat volgt : "De definitieve vaststelling van het plan kan geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan (art. 42.§6, derde lid van het Decreet van 18 mei 1999). Het voorontwerp van het RUP bepaalt uitdrukkelijk : Het gebied dat in het kader van dit document besproken wordt spreekt zich uitsluitend uit over een mogelijke bestemmingswijziging van de zones die niet voor verblijfsrecreatie zijn. (...) Het bestreden RUP kadert immers in de problematiek van de (deels) zonevreemde terreinen en had precies tot doel een zone-eigen oplossing te geven zodat gebeurlijke overtredingen kunnen worden geregulariseerd (...) Dit doel kan uiteraard niet bereikt worden door de bestemming te wijzigen van de delen van het terrein die niet zonevreemd zijn. X-11.178-2/11 Vandaar dat het voorontwerp van het RUP uitdrukkelijk bepaalt dat het uitsluitend betrekking heeft op een mogelijke bestemmingswijziging van zones die niet voor verblijfsrecreatie zijn. Het bestreden RUP heeft echter het noordelijk deel van de camping omgevormd tot zone voor toeristische kampeerplaatsen terwijl dit deel van de camping volgens het gewestplan bestemd was voor verblijfsrecreatie zodat dit deel niet opgenomen was in het voorlopig vastgestelde plan en dus niet kon gewijzigd worden door het bestreden RUP (schending van art. 42.§6, derde lid en 188 bis van het Decreet van 18 mei 1999, art. 188 bis gewijzigd bij het Decreet van 26 april 2000). Het bestreden RUP heeft ook ten onrechte het strand aan de grote vijver omgevormd van zone voor verblijfsrecreatie tot natuurgebied met behoud van slechts een klein gedeelte voor recreatief medegebruik. Het strand lag immers in de zone voor verblijfsrecreatie en is bovendien de trekpleister van de camping. Vermits het strand bestemd was voor verblijfsrecreatie kon het door het bestreden RUP niet omgevormd worden tot natuurgebied vermits de gebieden voor verblijfsrecreatie niet opgenomen waren in het voorontwerp van het RUP (schending van art. 42, § 6, derde lid en 188bis van het Decreet van 18 mei 1999, art. 188bis gewijzigd bij het Decreet van 26 april 2000)"; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het volstaat het juridisch (grafisch) plan dat onderdeel is van het voorlopig vastgestelde ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan te vergelijken met dat welke onderdeel is van het definitief vastgestelde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan om vast te stellen dat het middel niet gegrond is; dat zij verder uiteenzet hetgeen volgt : "Het juridisch (grafisch) plan horend bij het voorlopig vastgesteld plan, geeft de contouren aan van het gebied waarvoor een gewestelijk (in feite via art. 188bis DORO: provinciaal) RUP wordt opgemaakt. Het is de uitvoering van art. 38, §1, 1ste alinea, 1/, van het DORO. Door het gebied als dusdanig vast te leggen kan het op te maken RUP zich uitspreken over de bestemmingen binnen dit gebied. Het gaat er zonder twijfel niet buiten, terwijl alle gebieden die er binnen liggen, precies door de juridische omschrijving van het grondgebied waarvoor het wordt opgemaakt ook tot het plan behoren en aldus kunnen behouden ofwel herbestemd worden. Door de vaststelling van het plan heeft het verordenende kracht op grond van de bepaling van art. 38, §l, 2de alinea, van het DORO. Wanneer grafisch het gebied voor het opmaken van een RUP is vastgesteld, kan dit, binnen dit gebied, onbeperkt de bestemming regelen op grond van de bepaling van art. 38, §l, lste alinea, 2/, van het DORO. In casu heeft het geweste- lijk RUP niets anders gedaan. Bij die vaststelling is de Vlaamse Regering bij het definitief vaststellen van het RUP ingegaan op bezwaren die werden geformu- leerd tijdens het openbaar onderzoek. De wijzigingen die aan het voorlopig vastgestelde plan zijn aangebracht zijn zonder mogelijkheid tot betwisting gebaseerd op en vloeien voort uit de tijdens het openbaar onderzoek geformu- leerde bezwaren en opmerkingen, én uit het naar aanleiding daarvan door de VLACORO geformuleerde advies zodat ze een rechtstreekse toepassing zijn van art. 42, §6, 2de lid, van het DORO en geen schending ervan, noch van art. 188bis DORO. (...)"; X-11.178-3/11 dat zij voorts betoogt dat het met toepassing van artikel 188bis van het decreet ruimtelijke ordening op te maken ruimtelijk uitvoeringsplan wel degelijk een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is "waarvoor, mutatis mutandis, de procedure zoals beschreven in artikel 41 tot 43 (DRO) moet worden gevolgd", dat het dan ook past de procedure te ontrafelen "met aandacht voor de bevoegdheidsverhouding provincie/gewest binnen die procedure"; dat zij ter zake betoogt dat het uitbrengen van een uitgewerkt voorstel duidelijk een exclusieve bevoegdheid van de provincieraad is en dat de Vlaamse regering hieraan geen wijzigingen mag aanbrengen, dat in deze fase, voorafgaand aan de eigenlijke aanvatting van de procedure tot opmaak, het subsidiariteitsbeginsel ten volle speelt; dat zij verder betoogt dat, nadat de provincieraad haar uitgewerkt voorstel heeft uitgebracht, de eigenlijke procedure wordt aangevat voor de opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dat die aanvangt met de opmaak van een voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat "de inhoud van het voorstel van de provincieraad respecteert en integraal overneemt"; dat, eenmaal in de eigenlijke procedure van opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beland, de verwerende partij betoogt dat de provincieraad geen andere bevoegdheid meer heeft dan die welke hem in het raam van deze procedure wordt toegekend, dat eenmaal het uitgewerkte voorstel van de provincieraad is opgenomen in het voorontwerp, de procedure van opmaak van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan haar volle uitwerking dient te krijgen; dat zij ter zake doet gelden dat wanneer de Vlaamse regering een ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voorlopig vaststelt, de Vlaamse regering de initiële inhoud van het voorontwerp desgevallend kan wijzigen gelet op de inmiddels uitgebrachte adviezen, dat het voorwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan aan het voorstel van de provincieraad moet beantwoorden, niet het voorlopig vastgestelde ontwerp, dat "anders oordelen zou indruisen tegen de uitdrukkelijke tekst van het decreet dat enkel van een 'voorstel' van de provincieraad gewag maakt en verder de procedure tot opmaak van een VLARUP van toepassing verklaart", dat het niet mogen wijzigen van het voorontwerp bij de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan op grond van de ingewonnen adviezen en standpunten de adviseringsprocedure voorafgaand aan de voorlopige vaststelling van het ontwerpplan zinledig zou maken; dat zij verder uiteenzet hetgeen volgt : "Verwerende partij kan derhalve de zienswijze van Uw Raad in het schorsingsarrest nr. 188.995 van 5 mei 2003 niet bijtreden. In de tekst zelf van artikel 188bis, DORO wordt immers expliciet gesteld dat de Vlaamse regering in voornoemd geval het RUP opmaakt. De opmaakprocedure van artikel 42 DORO wordt door artikel 188bis, DORO onverminderd van toepassing gelaten. X-11.178-4/11 De tekst van het decreet kan niet duidelijker zijn en laat geen ruimte voor interpretatie: de provincie is bevoegd voor de opmaak van een gemotiveerd voorstel, doch de Vlaamse Regering maakt uiteindelijk het plan op, volgens de daartoe in artikel 42, DORO voorziene procedure. Uitgaan van een louter goedkeuringstoezicht zou deze procedure en meer bepaald het openbaar onderzoek en de adviesverlening door Vlacoro in het kader van artikel 188bis, DORO in feite zinledig maken. Vermits de tekst van het decreet zelf duidelijk is, behoeft deze ook geen interpretatie: interpretatio cessat in claris! Er hoeft dan ook niet gekeken te worden naar de voorbereidende werken. De voorbereidende werken zijn overigens allesbehalve duidelijk. Toch bevatten zij ook tekstargumenten pro het standpunt van verwerende partij. Zo wordt in de voorbereidende werken het volgende gesteld (...) : Wanneer het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening in werking treedt, kunnen geen gewestplanwijzigingen meer worden gestart. Er kunnen wel gewestelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt voor de materies waarvoor het gewest, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, bevoegd is. Op dat ogenblik zullen de provinciale structuurplannen nog niet klaar zijn, waardoor de provincies ook nog geen provinciale uitvoeringsplannen kunnen opmaken. In die tussenperiode kan de provincieraad aan de regering vragen om gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken op voorstel en op maat van de provincie, die bij de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan, dus wanneer de provincie zelf uitvoeringsplannen kan opstellen, het statuut van provinciaal uitvoeringsplan krijgen. Ook uit de voorbereidende werken kunnen dus argumenten geput worden welke duidelijk maken dat de Vlaamse regering het RUP opmaakt op voorstel van de provincie. Dit dient te gebeuren met inachtneming van de procedure en principes van art. 42 DORO. Overigens zou het geheel onlogisch zijn en tevens een niet te verantwoorden onderscheid inhouden, wanneer in het kader van de opmaak van een RUP, wanneer wél reeds een provinciaal structuurplan bestaat, wél wijzigingen aangebracht kunnen worden, rekening houdend met de resultaten van het openbaar onderzoek en de adviezen, maar dit niet mogelijk zou zijn in het kader van artikel 188bis, DORO. In dat geval wordt de zin van het onderzoek en het advies van de Vlacoro grotendeels ondermijnd, wat uiteraard niet de bedoeling geweest kan zijn. Vermits de tekst van het decreet duidelijk is, dient deze niet teleologisch geïnterpreteerd te worden met gebruikmaking van de voorbereidende werken, welke zelf allesbehalve duidelijk zijn. Uit de tekst zelf van het decreet blijkt voldoende duidelijk dat het de Vlaamse regering is die het RUP opmaakt en er zijn geen aanwijzingen om te besluiten dat deze in het kader van artikel 188bis, DORO louter over een goedkeuringsbevoegdheid zou beschikken. De stelling - door uw Raad zelf voorzichtig geformuleerd - dat de tussenkomst van de Vlaamse regering in het raam van artikel 188bis, DORO geen vaststellingsbevoegdheid lijkt te zijn, maar lijkt neer te komen op het uitoefenen van administratief toezicht, kan om deze redenen geen stand houden"; Overwegende dat de verzoekende partij repliceert hetgeen volgt : "
  3. Volgens de verwerende partij is de vraag ten gronde welke procedure dient te worden gevolgd zodat het past de procedure te ontrafelen met aandacht voor de bevoegdheidsverhouding provincie/gewest binnen die procedure. X-11.178-5/11 De bevoegdheidsverhouding provincie/gewest is echter geen zuivere procedurekwestie. De bevoegdheid wordt bepaald volgens het voorwerp van de voorgenomen beslissing. Uit de voorbereidende werken blijkt immers zeer duidelijk dat er dient rekening gehouden met het subsidiariteitsbeginsel. Dit beginsel houdt in dat elke bevoegde overheid zich bezighoudt met de materies die het best op dat bewuste niveau worden geregeld. Het is duidelijk dat beleidskwesties inzake een deels zonevreemd kampeerterrein best op het niveau van de provincie geregeld worden vermits: - de bovenlokale recreatieve infrastructuur een provinciale bevoegdheid is; - de Vlaamse regering enkel optreedt op gemotiveerd verzoek van de provincie; - het voorstel van de provincieraad volledig uitgewerkt moet zijn; - het voorstel van de provincieraad moet kaderen in het provinciaal structuurplanningsproces; - de Vlaamse regering enkel kan optreden zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd; - het gewestelijke RUP (opgemaakt) met toepassing van art. 188bis het statuut krijgt van provinciaal RUP op het ogenblik van de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan. De Vlaamse regering mag bovendien enkel optreden in dringende aangelegenheden die niet kunnen wachten tot na de vaststelling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan. Uit de bepalingen van art. 188bis, uit de ratio legis van dit artikel en uit de voorbereidende werken kan dan ook worden afgeleid dat de beleidskeuzes terzake behoren tot de bevoegdheid van de betrokken provincieraad en dat de Vlaamse regering niet eigenmachtig wijzigingen kan aanbrengen aan het voorstel tot ruimtelijk uitvoeringsplan wanneer die wijzigingen ingaan tegen de bezwaren van de provincieraad. Dit volgt ook uit de voorbereidende werken als volgt geciteerd op p. 17 van de memorie van antwoord: 'Op dat ogenblik zullen de provinciale structuurplannen nog niet klaar zijn waardoor de provincies ook nog geen provinciale uitvoeringsplannen kunnen opmaken. In die tussenperiode kan de provincieraad aan de regering vragen om gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op te maken op voorstel en op maat van de provincie (...)'.
  4. De verwerende partij bevestigt dat het uitbrengen van een volledig uitgewerkt voorstel een exclusieve bevoegdheid is van de provincieraad en dat in deze fase het subsidiariteitsbeginsel ten volle speelt (...). Uit het belang dat in de voorbereidende werken aan het uitgewerkt voorstel van de provincieraad, vanuit het subsidiariteitsbeginsel, wordt gegeven, besluit de verwerende partij dat het voorontwerp van RUP de inhoud van het voorstel van de provincieraad respecteert en integraal overneemt (...). Ten slotte bevestigt de verwerende partij dat de provincie de mogelijkheid heeft, wanneer zij zou vaststellen dat het vastgestelde RUP in genendele in overeenstemming is met de principes van de subsidiariteit enerzijds en de bepalingen van het R.S.V. anderzijds, een annulatieprocedure aanhangig te maken bij de Raad van State (...). De verwerende partij bevestigt aldus dat het subsidiariteitsbeginsel tevens van toepassing is bij de vaststelling van het definitieve RUP vermits de provincie anders niet de mogelijkheid zou hebben een annulatieprocedure tegen het RUP aanhangig te maken wegens schending van dat beginsel. Door het voorstel van de provincieraad op verschillende beleidspunten essentieel te wijzigen tegen de bezwaren van de provincieraad in, heeft de Vlaamse Regering art. 188bis van het decreet van 18 mei 1999 en het subsidiari- teitsbeginsel geschonden. X-11.178-6/11
  5. Volgens de verwerende partij zou het geheel onlogisch zijn wanneer in het kader van de opmaak van een RUP, wanneer wel reeds een provinciaal structuurplan bestaat, wel wijzigingen aangebracht kunnen worden, rekening houdend met de resultaten van het openbaar onderzoek en de adviezen, maar dit niet mogelijk zou zijn in het kader van artikel 188bis. In dat geval zou de zin van het onderzoek en het advies van Vlacro grotendeels ondermijnd worden. Ook in het kader van artikel 188bis kunnen wijzigingen aangebracht worden rekening houdend met de resultaten van het openbaar onderzoek en de adviezen in zoverre die wijzigingen stroken met de beleidskeuzes van de provincie. Indien de Vlaamse regering niet akkoord gaat met de beleidskeuzes van de provincie dan zal de Vlaamse regering weigeren het plan vast te stellen. In dat geval kan de Vlaamse regering zelf geen wijzigingen aanbrengen die tegen de beleidskeuzes van de provincie ingaan vermits anders het subsidiari- teitsbeginsel zou geschonden worden en vermits de verwerende partij erkent dat de provincie de mogelijkheid heeft een annulatieprocedure aanhangig te maken wanneer het vastgestelde RUP in genendele in overeenstemming is met de principes van de subsidiariteit.
  6. De verwerende partij verwijst naar de procedure inzake de vaststelling van een gewestplan. Deze procedure kan echter niet zomaar vergeleken worden met de specifieke procedure van art. 188bis van het decreet van 18 mei
  7. (...)
  8. Volgens het verslag van het auditoraat valt op te merken dat de Vlaamse regering met een besluit van 10 juli 2001 goedkeuring heeft verleend aan het ruimtelijk structuurplan van de provincie Antwerpen. Ook ingevolge dit besluit van 10 juli 2001 kan de Vlaamse regering geen wijzigingen aanbrengen aan het voorstel tot RUP die tegen de beleidsbe- slissingen van de provincie ingingen. De Vlaamse regering kan immers enkel optreden zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd (art. 188bis, eerste lid, van het decreet van 18 mei 1999). Ingevolge de goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan op 10 juli 2001 kon de Vlaamse regering op 5 juli 2002 niet meer optreden."; Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie aan haar eerder uiteengezette argumentatie niets toevoegt; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie de aanvang van de toepassing van het subsidiariteitsprincipe en de grenzen ervan schetst en voorts in hoofdzaak haar argumentatie uit de memorie van antwoord herneemt en expliciteert; Overwegende dat artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt : "In afwijking van de artikelen 41 en 44 van de bepalingen van het richtinggevend en bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen die betrekking hebben op de taakverdeling tussen gewest, provincies en gemeenten, kan de Vlaamse regering, zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie, op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de provincieraad een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan opmaken voor een aangelegenheid die in een provinciaal X-11.178-7/11 ruimtelijk uitvoeringsplan had moeten geregeld worden. De aanpak van de betrokken aangelegenheid moet een dringend karakter hebben. Het voorstel van de provincieraad moet volledig zijn uitgewerkt. Het moet kaderen in het provinciaal structuurplanningsproces en in voorkomend geval verantwoord worden op basis van de bepalingen van het voorontwerp of ontwerp van provinciaal ruimtelijk structuurplan. Het moet in overeenstemming zijn met de principes van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen. Op het ogenblik van de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan voor de betrokken provincie verkrijgen de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die zijn opgemaakt met toepassing van het eerste lid, het statuut van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan. De betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor deze bepaling geldt worden opgesomd in het besluit tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk structuurplan en het besluit tot goedkeuring daarvan. Binnen 14 dagen na de beslissing tot goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk structuurplan stuurt de bestendige deputatie een afschrift van het goedkeuringsbesluit naar de gemeenten die overeenkomstig artikel 94 de bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan hebben opgenomen in hun plannenregister, met de vermelding dat de wijziging van het statuut van het plan in het register moet doorgevoerd worden. Het college van burgemeester en schepenen moet de aanpassing in het plannenregister binnen 14 dagen na ontvangst van het bericht doorvoeren"; Overwegende dat de taakverdeling inzake de planning tussen het gewest en de provincie op 1 mei 2000 in werking is getreden, maar dat evenwel overeenkomstig artikel 188, tweede lid, van het decreet ruimtelijke ordening, de opmaak van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen pas mogelijk is "vanaf het moment dat het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan door de Vlaamse regering is goedgekeurd"; dat zulks impliceert dat tot dat ogenblik de taken inzake planning die met toepassing van het voorgaande vanaf 1 mei 2000 decretaal aan het provinciaal niveau toekomen geen implementatie konden hebben bij gebrek aan toepasbaarheid van het geëigende planningsinstrument; dat artikel 188bis van het decreet ruimtelijke ordening in deze context dient te worden gelezen als een tijdelijke en beperkte overgangsregeling die geldt zolang het provinciaal niveau haar vaststellingsbevoegdheid nog niet mag uitoefenen; dat zulks steun vindt in de parlementaire voorbereiding waaruit blijkt dat artikel 188bis, dat het resultaat was van een amendement, als volgt werd verantwoord (Parl. St. Vl. Parl. 1999-2000, nr. 252-2, 9) : "Na 1 mei 2000 kunnen geen gewestplanwijzigingen meer worden opgestart. Tot die datum konden dringende ruimtelijke problematieken, die conform het subsidiariteitsbeginsel en de uitwerking ervan in decretale bepalingen en in bepalingen van het RSV in de toekomst hun regeling moeten krijgen in het provinciaal ruimtelijk structuurplan en provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, nog enigszins aangepakt worden met een gewestplanwijziging (op basis van de 'oude' taakverdeling en de bepaling van de inhoud van de gewestplannen). Na die datum kunnen alleen gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen opgemaakt worden voor onderwerpen die X-11.178-8/11 conform het subsidiariteitsbeginsel op gewestelijk niveau moeten aangepakt worden. Nu zal het nog een tijd duren vooraleer alle provincies hun provinciaal ruimtelijk structuurplan hebben vastgesteld, terwijl er nochtans dringende ruimtelijke behoeften kunnen zijn die ondertussen een regeling vergen, hoewel ze met provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen zouden moeten worden aangepakt. Om die reden wordt de nieuwe bepaling voorgesteld. De explicitering van deze regeling is overigens een aanduiding dat het subsidiariteitsprincipe geen loos principe is, en dat het dus, op expliciete uitzonderingen na, moet gehonoreerd worden. Wat de toepassing van de bepaling betreft, zijn een aantal voorwaarden gesteld die o.m. moeten garanderen dat de provincie het gewest slechts vraagt een problematiek te regelen indien zij zelf terdege bezig is met een structuurplanningsproces. Het voorstel van de provincie moet volledig zijn uitgewerkt. Logischerwijze kan het gewest geen wijzigingen in het voorstel aanbrengen (subsidiariteit). Zij kan het voorstel alleen gemotiveerd weigeren en eventueel een aanpassing van het voorstel suggereren. (...)"; Overwegende dat tijdens de bespreking in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement er door één van de indieners van het amendement op is gewezen dat "de provincies zelf het uitvoeringsplan moeten opmaken, dat dan op het niveau van het Vlaams Gewest zal worden bekrachtigd" en dat "dit plan (er zal) uitzien als een gewestelijk uitvoeringsplan, dat het statuut krijgt van een provinciaal uitvoeringsplan van zodra het provinciaal ruimtelijk structuurplan klaar is" (Parl. St., Vl. P. 1999-2000, nr. 252-3, 32); Overwegende dat uit de bepalingen van het eerste lid van het voornoemd artikel 188bis blijkt dat de Vlaamse regering slechts kan optreden "zolang er geen provinciaal ruimtelijk structuurplan is goedgekeurd voor de betrokken provincie", dat de tussenkomst van de Vlaamse regering gebeurt "op gemotiveerd verzoek en op voorstel van de provincieraad", dat het voorstel van de provincieraad "volledig (moet) zijn uitgewerkt" en dat een aldus goedgekeurd gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan vanaf de goedkeuring van het eerste provinciaal ruimtelijk structuurplan geacht wordt een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te zijn, terwijl uit de parlementaire voorbereiding voortvloeit dat de regering "geen wijzigingen in het voorstel (kan) aanbrengen"; dat uit al deze elementen kan worden afgeleid dat de aan het ruimtelijk structuurplan ten grondslag liggende beleidskeuzes zaak van de betrokken provincieraad zijn; dat bijgevolg de Vlaamse regering bij het opmaken van een in artikel 188bis van het decreet ruimtelijke ordening bedoeld gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan niet de bevoegdheid heeft verkregen een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken in de zin van de artikelen 23 juncto 41, § 2, X-11.178-9/11 van het decreet ruimtelijke ordening; dat, gelet op de hiervoor geschetste taakverdeling tussen het gewestelijk en provinciaal planningsniveau, de in artikel 188bis aan het gewest toegewezen planningsbevoegdheid zich beperkt tot het optreden van de Vlaamse Regering als instrument voor het provinciaal niveau - tot zolang dit zijn vaststellingsbevoegdheid niet kan uitoefenen - voor wat de provincieraad in haar volledig uitgewerkt voorstel als beleidskeuzes heeft uitgewerkt; dat derhalve de Vlaamse regering hierbij niet eigenmachtig wijzigingen kan aanbrengen aan het voorstel tot ruimtelijk uitvoeringsplan; dat zulks geen uitholling betekent van de advies- en inspraakprocedure, aangezien niets belet dat de Vlaamse regering, indien ze een bezwaar of advies gegrond bevindt, kan weigeren het plan vast te stellen; Overwegende dat niet wordt betwist dat de Vlaamse regering bij het uitoefenen van haar bevoegdheid eigenmachtig wijzigingen heeft aangebracht aan het voorstel tot ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het aanbrengen van deze wijzigingen verder reiken dan wat de Vlaamse regering bij het uitoefenen van de haar door artikel 188bis van het decreet van 18 mei 1999 toegewezen bevoegdheid kan stellen; dat gelet op deze toegewezen bevoegdheid, de omstandigheid dat deze aanpassingen zijn geschied om grotendeels tegemoet te komen aan het advies van de Vlaamse commissie voor ruimtelijke ordening niet relevant is; dat artikel 188bis van het decreet ruimtelijke ordening geschonden is; dat het middel in deze mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  9. Vernietigd wordt het besluit van 5 juli 2002 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan "Terrein voor openluchtrecreatieve verblijven Westmeerbeek" te Hulshout. Artikel
  10. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-11.178-10/11 Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.178-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.284 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.995 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.