← België

Arrest 132285 - - 11/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.285 Rolnummer: A. 122951/X-11025 Zaak: Arrest 132285 - - 11/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:11 Fiche Arrest nr 132.285 van 11 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.285 van 11 juni 2004 in de zaak A. 122.951/X-11.025. In zake : 1. Emiel VANDENBEMPT, 2. Elise STEENO, wonende te 3360 BIERBEEK, Bevekomsestraat 7 tegen : 1. het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg 271, 2. de gemeente BIERBEEK, die woonplaats kiest bij Advocaten M. BOES en W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emiel VANDENBEMPT en Elise STEENO op 5 juli 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Het Park" van de gemeente Bierbeek, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 juni 2002, en waarbij gevorderd wordt "een dwangsom op te leggen van 250.000 euro per onwettig B.P.A. en per onwettige bouwvergunning, welke men thans nog aflevert m.b.t. het perceel CHRISTENS, met miskenning van het gezag van gewijsde van de reeds tussengekomen arresten, evenals van het nog tussen te komen arrest m.b.t. (

  1. de)huidige procedure"; Gelet op het arrest nr. 116.236 van 21 februari 2003 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen, de vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen, de bekendmaking van het arrest wordt bevolen op dezelfde wijze als het geschorste besluit, en de X-11.025-1/10 uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 25 maart 2003 ingediend door het Vlaamse Gewest; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 27 maart 2003 ingediend door de gemeente BIERBEEK; Gezien de memorie van antwoord van de tweede verwerende partij en gezien de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de o p mer k ingen van Advo caat W. VAN BETSBRUGGE, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen ter terechtzitting afstand doen van de dwangsomvordering; X-11.025-2/10 Overwegende dat voor de feitelijke gegevens van de zaak kan worden verwezen naar het arrest nr. 116.236 van 21 februari 2003; Overwegende dat de tweede verwerende partij betwist dat de verzoekende partijen belang hebben bij de gehele nietigverklaring van het bestreden besluit, dat een gedeeltelijke vernietiging, beperkt tot de A.T.-zone, de algemene economie van het plan niet aantast, dat bij een eventuele gedeeltelijke vernietiging, de percelen die thans zijn opgenomen in de A.T.-zone de oorspronkelijke in het gewestplan bepaalde bestemming behouden, dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen enkel bezwaar hebben tegen die A.T.-zone en niet tegen het bijzonder plan van aanleg als zodanig, dat het grootste deel van het bijzonder plan van aanleg valt buiten de kring van 100 m binnen dewelke het belang van een verzoekende partij wordt aanvaard; dat zij tot slot betoogt dat in het kader van de beoordeling van het belang een belangenafweging moet worden gedaan tussen het belang van de tweede verwerende partij - voor wie een algehele vernietiging een onevenredig zwaar (financieel) gevolg heeft - en dat van de verzoekende partijen; Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord repliceren dat zij een belang hebben bij de algehele nietigverklaring van het bijzonder plan van aanleg "Het Park" en dat het weglaten van de AT-zone een essentiële wijziging van het ganse bijzonder plan van aanleg inhoudt; dat wat de "belangenafweging" betreft, de verzoekende partijen stellen dat de tweede verwerende partij bewust het risico heeft genomen en dat ze vanaf het begin de gemeente hebben gewezen op de onwettigheid van het bijzonder plan van aanleg; Overwegende dat een gedeelte van de eigendom van de verzoeken- de partijen deel uitmaakt van het bestreden bijzonder plan van aanleg; dat zij om die reden alleen reeds doen blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep; dat de vraag of zij maar belang hebben inzoverre het beperkt wordt tot hun eigendom en het voorwerp enkel de vernietiging beoogt van de A.T.-zone, wezenlijk de vraag doet rijzen of, indien zoals hierna zal blijken, het beroep gegrond is, de nietigverklaring van het bestreden besluit geheel of slechts gedeeltelijk moet zijn; dat uit de verantwoordings- en toelichtingsnota bij het bestreden plan blijkt dat dit vanuit planologisch oogpunt is opgevat als één geheel; dat het plan de opties die binnen het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn genomen, tracht waar te maken, met name kernversterking, afbakening van de kern en verdichting, openheid aan de randen, relatie met de omringende natuur en meer diversificatie van woningen overeen- X-11.025-3/10 komstig de draagkracht van de bevolking; dat het onttrekken van bepaalde stedenbouwkundige voorschriften met betrekking tot de projectzone uit dit geheel van stedenbouwkundige voorschriften of van percelen of van gebiedsdelen de algemene economie van het plan dat dit geheel moet beheersen, zou aantasten; dat de vraag tot partiële vernietiging wordt verworpen; dat voorts, ingeval het annulatieberoep gegrond is, de Raad van State ertoe gehouden is, op grond van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het bestreden besluit te vernietigen; dat genoemd wetsartikel geen ruimte laat voor belangenafweging; dat het verzoek tot belangenafweging niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoekers in een derde middel aanvoeren dat het bijzonder plan van aanleg op verschillende punten strijdig is met het gewestplan, alhoewel de voorwaarden voor een afwijking manifest niet zijn vervuld, dat door de creatie van een zone voor ambachtsbedrijven en tuinen wordt afgeweken van het gewestplan, dat de ambachtelijke zones op het gewestplan expliciet worden opgesomd, dat het telkenmale gaat om afgescheiden zones, gelegen buiten de bestaande woongebieden, dat het duidelijk is dat thans, door de creatie van een "AT zone" middenin een woongebied met landelijk karakter, wordt afgeweken van het gewestplan, dat ten onrechte in de weerlegging van de bezwaren wordt gesteld dat de "AT zone" moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, dat deze zone flagrant in strijd is met voornoemde bepaling, dat met de creatie van deze zone uitsluitend een oplossing wordt gezocht voor het bouwproject CHRISTENS, dat het duidelijk is dat de bestreden handelsinrichting CHRISTENS waarvoor de "AT zone" op maat werd gecreëerd, een bedrijf is waarvoor mede gelet op de omvang en de ligging, een verweving met de woonfunctie niet mogelijk is; dat verzoekers inzake de voorwaar- den voor afwijking van het gewestplan, uiteenzetten dat deze mogelijkheid als zeer restrictief moet worden gezien, dat aan de verschillende cumulatieve voorwaarden die de rechtspraak van de Raad van State stelt en die ze opsommen, te dezen niet is voldaan, dat de gemeente, hierin gevolgd door de minister, zich beperkt tot het stellen dat het in casu geen afwijking van het gewestplan betreft; Overwegende dat de eerste verwerende partij zich van ieder verweer onthoudt; X-11.025-4/10 Overwegende dat de tweede verwerende partij antwoordt dat er bij de behandeling van de bezwaarschriften reeds op werd gewezen dat het bijzonder plan van aanleg niet strijdt met de bepalingen van het gewestplan, dat de ingetekende AT-zone van 14 are en 40ca niet mag worden gezien als een industriegebied, onderverdeeld in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en in een gebied voor kleine en middelgrote ondernemingen in de zin van de artikelen 7 en 8 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, noch als een lokaal bedrijventerrein in de zin van artikel 5.3. van de gewenste ruimtelijke structuur van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, dat deze zone enkel moet worden geïnterpreteerd in de zin van artikel 5 van het genoemd koninklijk besluit van 28 december 1972, namelijk een zone voor ambacht en kleinbedrijf die wel toegelaten zijn in woongebieden, waaronder woongebieden met landelijk karakter ressorteren, dat het huidig bijzonder plan van aanleg een concretisering is van het verwevingsprincipe beschreven in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat uit de grondige lezing van de stedenbouw- kundige voorschriften die van toepassing zijn in de AT-zone, blijkt dat deze conform zijn aan het gewestplan, dat in die zone geen ambachtsbedrijven worden toegestaan die niet beantwoorden aan het wettelijk begrip "ambacht" in de zin van het aangehaalde artikel 5,1.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972, noch "taken" van bedrijf worden toegelaten die niet bestaanbaar zijn met de in het gewestplan bepaalde bestemming; dat zij voorts inzake de conformiteit van de voorschriften met het gewestplan betoogt wat volgt : "Zij zijn conform. Immers, om een zekere graad van gemengdheid van functies mogelijk te maken in het dorpscentrum, heeft verwerende partij in de Bevekom- sestraat in hoofdorde de zone voor kernbebouwing, exclusief winkel en horeca afgebakend. De voorschriften daarvan luiden als volgt : '21.1 Bestemming Hoofdbestemming : wonen Zijn ook toegelaten als nevenbestemming : financiële of persoonlijke diensten op het gelijkvloers, voor zover ze : - geen hinder veroorzaken voor het rustig karakter van de woonwijken; - een oppervlakte hebben kleiner dan 150 m2. Het gelijkvloers kan als een niet-bewoonbaar niveau worden ingericht (indeling in garage, ontvangsthal of kantoor).' Het lijdt geen twijfel dat deze voorschriften voldoen aan artikel 5.1.0 van het KB van 28/12/72. In ondergeschikte orde en in een beperkt gebied, aansluitend op de dorpskern, wordt achter deze zone voor kernbebouwing de mogelijkheid voorzien om complementaire ambachtsbedrijven mogelijk te maken, met beperkte oppervlakte (max. 50% van hele zone) en beperkte hoogte (maximaal 4 meter). Art. 22 van het BPA bepaalt expliciet dat deze bedrijven in de AT zone geen hinder mogen veroorzaken die schadelijk is voor de voorgeschreven of feitelijke hoofd- en nevenbestemmingen van de omliggende gebieden (zie artikel 21). X-11.025-5/10 Anders uitgedrukt betekenen de voorwaarden van artikel 22 juist dat de aard van de bedrijvigheid moet verenigbaar en bestaanbaar zijn met de huidige en geplande bestemmingen in de onmiddellijke omgeving. Dit betekent derhalve dat deze bedrijven moeten verenigbaar zijn met de 'zone voor kernbebouwing exclusief winkels en horeca' en dat derhalve deze bedrijven volledig binnen de omschrijving (moeten) vallen van artikel 5.1.0 van het KB van 28/12/72. Alhoewel hinderlijke bedrijven zelfs niet a priori moeten worden uitgesloten om conform het gewestplan te blijven (...), heeft verwerende partij het toch uitdrukkelijk opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften. Een zone voor ambacht en voor KMO bedrijven die het rustig karakter van de buurt niet verstoort, is verenigbaar met de bestemming woonzone. (...) Ook de bestendige deputatie van Vlaams Brabant stelt in haar advies van 21 maart 2002 op bladzijde 2 uitdrukkelijk : 'Bijgevolg wijkt het BPA niet af van het gewestplan' (stuk 11) De voorschriften van de zone voor ambachtsbedrijven en tuinen stemmen in casu overeen met het geldende gewestplan. Er is geen sprake van afwijkingen; derhalve moet niet voldaan worden aan artikel 14, derde en vierde lid, van het decreet gecoördineerd op 22/10/96 en moeten de voorwaarden daaromtrent niet geverifieerd worden."; Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord in essentie niets toevoegen aan hetgeen ze reeds eerder hebben uiteengezet; Overwegende dat de tweede verwerende partij in de laatste memorie voor een verweer op dit middel verwijst naar de memorie van antwoord; Overwegende dat krachtens artikel 6, 1.2.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen woongebieden met landelijk karakter zijn "bestemd voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven"; dat artikel 5,1.0., van hetzelfde besluit bepaalt dat "de woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf, voor zover deze 'taken' van bedrijf om redenen van goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd (...)", en dat "deze bedrijven, voorzieningen en inrichtingen (...) echter maar (mogen) worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving"; dat uit de samenlezing van de beide bepalingen volgt dat in het gebied in kwestie, ambachtsbe- drijven slechts toegestaan kunnen worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de "taken" van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, m.a.w. dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddel- lijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming, X-11.025-6/10 rekening dient te worden gehouden met de aard en de omvang van het bedrijf, waardoor dat laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken gebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van het bedrijf, ofwel wegens het bijzonder karakter van het gebied; dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving van een bouwwerk, dient te worden uitgegaan van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik van de in die onmiddellijke omgeving bestaande gebouwen of open ruimten; Overwegende dat op grond van de hiervoor aangehaalde bepalingen, wanneer het gewestplan een gebiedsdeel opneemt in de woonzone, ambachtsbedrijven enkel daar mogen worden toegestaan indien zij verenigbaar zijn met de bestemming woongebied, en enkel onder dezelfde voorwaarde de bestemming die een bijzonder plan aan dat gebiedsdeel geeft met het oog op het toestaan van dergelijke bedrijven, in overeenstemming is met de bestemming van het gewestplan; Overwegende dat uit de overgelegde stedenbouwkundige voorschriften van het bij het bestreden besluit goedgekeurde bijzonder plan van aanleg, "Het Park" genaamd, van de gemeente Bierbeek, blijkt dat de stedenbouwkundige voorschriften voor de "Zone voor ambachtsbedrijven en tuinen (AT)" luiden als volgt : "22.1. Bestemming Bestemd voor de aanleg van ambachtsbedrijven (voor zover deze bedrijven geen rook-, reuk-, of lawaaihinder en/of andere hinder veroorzaken die schadelijk is voor de voorgeschreven of feitelijke hoofd- en nevenbestemmingen van de omliggende gebieden) en alle inrichtingen die er noodzakelijk bijhoren. Alle inrichtingen dienen te beantwoorden aan de wetten en besluiten die in dit verband van toepassing zijn. In dit gebied zijn eveneens toegestaan : - de opslag van de bij het bedrijf horende goederen; - de verkoop van de in het bedrijf vervaardigde of gestockeerde producten aan particulieren of andere bedrijven; - de kantoren die al of niet bij een in het gebied gevestigd bedrijf horen, op voorwaarde dat zij maximaal 10 % van de vloeroppervlakte binnen deze zone beslaan"; dat luidens artikel 2 van voornoemde stedenbouwkundige voorschriften een ambachtsbedrijf een bedrijf is "waar de vervaardiging van producten of de bewerking van grondstoffen wordt verricht, soms met directe verkoop aan het publiek"; dat luidens dezelfde bepaling een bedrijf een "geheel van gebouwen en inrichtingen (
  2. is)voor productie of de distributie van goederen of de organisatie van diensten"; X-11.025-7/10 Overwegende dat uit de eenvoudige samenlezing van voornoemde stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn in de "Zone voor ambachtsbedrijven en tuinen (AT)", blijkt dat deze "ambachtsbedrijven" in de betrokken zone toelaten die niet noodzakelijk beantwoorden aan het wettelijk begrip "ambacht" bedoeld in het hiervoor aangehaalde artikel 5, 1.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972, alsook toelaten dat deze "ambachtsbedrijven" "taken" van bedrijf kunnen uitvoeren die niet bestaanbaar zijn met de in het gewestplan bepaalde bestemming als woongebied met landelijk karakter; dat de beperking ter zake in het betwiste voorschrift tot de "ambachtsbedrijven" dewelke geen "rook-, reuk- of lawaaihinder en/of andere hinder veroorzaken die schadelijk is voor de voorgeschreven of feitelijke hoofd- en nevenbestemmingen van de omliggende gebieden" op zich niet uitsluit dat "ambachtsbedrijven" in de zin van dit voorschrift kunnen worden toegelaten die niet voldoen aan het bepaalde in artikel 5 van het vernoemde koninklijk besluit van 28 december 1972; dat in die mate de stedenbouw- kundige voorschriften betreffende de zone voor ambachtsbedrijven en tuinen (AT) onverenigbaar zijn met het geldende gewestplan en bijgevolg in dezelfde mate hiervan afwijken; Overwegende dat in casu het aannemen en goedkeuren van een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van een vroeger vastgesteld gewestplan, op wettige wijze enkel mogelijk is op grond van artikel 14, derde en vierde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, gecoördineerd op 22 oktober 1996 zoals het op dat ogenblik van toepassing was; dat uit de gegevens van de zaak niet blijkt dat het bestreden bijzonder plan van aanleg als zodanig is onderzocht en vastgesteld op grond van genoemd artikel 14, derde en vierde lid; dat niet blijkt dat is voldaan aan de vereisten om met een bijzonder plan van aanleg wettig van het gewestplan af te wijken; dat het middel in die mate gegrond is, X-11.025-8/10 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 23 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Het Park" van de gemeente Bierbeek, bestaande uit een plan van de bestaande toestand, een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een onteigeningsplan. Artikel 2. De afstand van de vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt ingewilligd. Artikel 3. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 4. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 700 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. X-11.025-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.025-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.285 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.116.236 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.