← België

Arrest 132330 - - 14/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.330 Rolnummer: A. 144497/IX-3989 Zaak: Arrest 132330 - - 14/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2024-02-13 Raadplegingen: 111 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 132.330 van 14 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.330 van 14 juni 2004 in de zaak A. 144.497/IX-

  1. In zake : Werner PODEVIJN, wonende te BRAKEL, Kerkmeers 1 tegen :
  2. het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij adjunct van de directeur bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, departement Algemene Zaken en Financiën V. LAEVENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Boudewijnlaan 30,
  3. de Voorzitter van het Vlaams Parlement, die woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Werner PODEVIJN op 26 november 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat hem op 5 november 2003 bij deurwaardersexploot op verzoek van de ambtenaar van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap inzake de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2001 heeft betekend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 maart 2004 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 3 mei 2004; IX-3989-1/3 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van adjunct van de directeur V. LAEVENS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. DE CONINCK, die loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota opwerpt dat de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de ingestelde vordering aangezien het geschil tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken behoort; dat de tweede verwerende partij in haar nota opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is onder meer omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting van de feiten en de middelen bevat; Overwegende dat de vordering tot schorsing niet ontvankelijk is om tweeërlei redenen; dat, eerstens, luidens artikel 569, eerste lid, 32/, van het Gerechtelijk Wetboek de rechtbanken van eerste aanleg kennis nemen van de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet; dat die bijzondere exclusieve bevoegdheid van de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State overeenkomstig artikel 14, van de gecoördineerde wetten uitsluit; dat bovendien artikel 148, tweede lid, van het koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bepaalt dat de geldigverklaring van een dwangbevel behoort tot de bevoegdheid van de gewone rechtbanken; dat, tweedens, de vordering tot schorsing ook niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift geen rechtsmiddelen bevat en evenmin een uiteenzetting van de feiten die moet aantonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte aan verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals voorgeschreven bij artikel 8, tweede lid, 4/en 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State; dat de vordering tot schorsing bijgevolg kennelijk niet ontvankelijk is, IX-3989-2/3 BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  6. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2000 en vier, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-3989-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.