id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.337 Rolnummer: A. 87967/IX-2077 Zaak: Arrest 132337 - - 14/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:12 Fiche Arrest nr 132.337 van 14 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.337 van 14 juni 2004 in de zaak A. 87.967/IX-
- In zake : Patrick RONSSE, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRÉ, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick RONSSE op 19 november 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het ministerieel besluit van 2 september 1999 waarbij hem een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel voor de duur van twee dagen wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-2077-1/13 Gelet op de beschikking van 21 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRÉ, die verschijnt voor verzoeker, en van majoor militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker neemt op 6 augustus 1979 dienst bij de landmacht in de hoedanigheid van tijdelijk vrijwilliger. Op 31 december 1985 wordt hij opgenomen in het kader van de beroepsvrijwilligers. Op 26 maart 1992 wordt hij benoemd tot korporaal-chef. 1.
- Uit een "veroordelingsbericht" van 19 februari 1999, dat door de diensten van het strafregister aan de verwerende partij is gestuurd, blijkt dat verzoeker door de correctionele rechtbank te Leuven op 7 januari 1999 is veroor- deeld wegens "alcoholische intoxicatie van ten minste 0,8 gram per liter bloed" tot een geldboete van 200 BEF en een rijverbod voor 1 maand. Het vonnis heeft kracht van gewijsde. IX-2077-2/13 1.
- Op 26 maart 1999 stelt de commandant van het trainingscentrum der parachutisten, korpscommandant van verzoeker, voor om tegen verzoeker geen "statutaire maatregel" te nemen omdat hij een zeer goede staat van dienst heeft. Op 12 april 1999 adviseert de commandant van de brigade paracommando, "ongunstig". Hij meent dat een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel van twee dagen er kan toe bijdragen verzoeker te laten inzien dat een eventuele herhaling onaanvaardbaar is. Op 19 april 1999 verleent ook de chef van het operationeel commando van de landmacht een ongunstig advies. Ook hij suggereert een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel (hierna: TATM) voor de duur van twee dagen. 1.
- Met een nota van 9 juni 1999 zendt de Chef van de Generale Staf het dossier met betrekking tot het voorstel tot een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel voor beslissing aan de Minister van Landsverdediging. Hij maakt een beknopte analyse van het dossier en vermeldt dat verzoeker werd veroordeeld wegens alcoholintoxicatie tot een geldboete en één maand rijverbod. Met betrekking tot andere veroordelingen en tijdelijke ambtsontheffingen bij tuchtmaatregel vermeldt hij "nihil". Hij merkt op dat de korpscommandant wegens de opgelopen veroordeling voorstelt geen verdere statutaire maatregelen op te leggen en dat verzoeker geen verweerschrift heeft ingediend. Hij stelt voor "gelet op het feit dat betrokkene geen eerdere veroordeling opliep, over een blanco strafblad beschikt, een goede staat van dienst kan voorleggen, en wetende dat de feiten zich afspeelden in het burgermilieu en geen invloed hadden op de dienst", het dossier te klasseren zonder gevolg in navolging van het voorstel van de korpscommandant. 1.
- Bij ministerieel besluit nr. 80.344 van 2 september 1999 wordt verzoeker door de Minister van Landsverdediging bij tuchtmaatregel tijdelijk uit zijn ambt ontheven voor een duur van twee dagen. De aanhef van dit ministerieel besluit luidt als volgt : "Gelet op de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid op artikel 13; IX-2077-3/13 Gelet op de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de Krijgsmacht. Gelet op het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst, inzonderheid op artikel 3; Gelet op het voorstel van de Korpscommandant en de adviezen van de hiërarchische meerderen; Overwegende dat de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de veroordeling uitgesproken door de Correctionele rechtbank te LEUVEN op 7 januari 1999 afbreuk doen aan de waardigheid van zijn ambt van beroepsvrijwilliger; Overwegende dat het een alcoholintoxicatie betreft, het passend is een statutaire maatregel op te leggen; Overwegende dat een gerechtelijke beslissing het nemen van statutaire maatregelen niet uitsluit; Overwegende dat het voorstel van de Korpscommandant echter te mild is; Dat de feiten niet kunnen of mogen getolereerd worden in de Krijgsmacht; Overwegende dat er verzachtende omstandigheden in acht genomen kunnen worden; Dat betrokkene over een blanco strafblad en dito gerechtelijk verleden beschikt; Dat betrokkene een goede staat van dienst kan voorleggen; Dat hierdoor hij het vertrouwen van zijn chefs geniet; Dat de feiten zich afspeelden in het burgerleven en geen enkele invloed hadden op de dienst; Overwegende dat zij echt wel afbreuk doen aan de goede naam van de Krijgsmacht; Dat een milde statutaire maatregel aldus betrokkene moet doen inzien zijn handelwijze aan te passen;" Dit is het bestreden ministerieel besluit. Het is uitgevoerd op 27 en 28 september
- 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit “niet in rechte gemotiveerd (is)”; dat hij in het eerste en tweede onderdeel van het middel de rechtsgeldigheid van de juridische grondslag van het bestreden besluit betwist, in de mate dat verwezen wordt naar artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 houdende statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst en artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst; dat hij IX-2077-4/13 in het derde onderdeel van het middel de schending aanvoert van artikel 8 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens; Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het middel stelt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 geen rechtsgrond kan vinden in artikel 13 van de wet van 12 juli 1973, aangezien de wet de Koning niet heeft gemachtigd om vast te stellen wanneer een militair in activiteit of in non- activiteit is en aangezien de omschrijvingen gebruikt in artikel 3 wegens hun vaagheid arbitraire beslissingen mogelijk maken; dat hij in het tweede onderdeel van het middel betoogt dat het, rekening houdend met de artikelen 182 en 186 van de Grondwet, aan de wetgever toekomt vast te stellen voor welke feiten een TATM kan worden opgelegd en welke de minimum- en maximumduur ervan moet zijn; dat hij vervolgens -derde onderdeel van het middel- stelt dat een veroordeling een persoonsgegeven is waarvan de verwerking geregeld wordt door artikel 8 van de wet van 8 december 1992 en waarvan de mededeling afhangt van het vervullen van een aantal voorwaar- den bepaald in het koninklijk besluit van 7 februari 1995 en dat, zo de minister van Landsverdediging onder bepaalde voorwaarden toegang kan krijgen tot persoonlijke gegevens, zulks niet het geval is voor een mededeling met het oog op het opleggen van een TATM, zodat de onwettig verkregen persoonsgegevens niet de grondslag kunnen vormen voor een statutaire sanctie; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het eerste en het tweede onderdeel van het middel antwoordt wat volgt : "- waar verzoeker betoogt dat artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 de minimum- en maximumduur van een tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel had moeten vaststellen, brengt hij kritiek uit op de wet; integendeel, de minister vindt in artikel 13 alleen reeds, de discretionaire bevoegdheid om een vrijwilliger tuchtrechtelijk te bestraffen en daarmee is het bestreden besluit afdoende in rechte gemotiveerd; - aangezien de minister voor het opleggen van de bestreden tuchtstraf een rechtsgrond vindt in de wet zelf, heeft verzoeker geen belang bij het aanvoeren van de onwettigheid van het koninklijk besluit van 11 juni 1974; bovendien bevat artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 geen regeling die aan de IX-2077-5/13 wetgever voorbehouden is, aangezien het Arbitragehof aanvaardt dat artikel 182 van de grondwet niet verbiedt dat de wetgever, die bevoegd is om de essentiële elementen van het statuut vast te stellen -te dezen wie en waarom aan een militair een bepaalde statutaire maatregel voor een bepaalde tijd opgelegd kan worden-, aan de Koning een beperkte uitvoeringsbevoegdheid verleent -te dezen de opsomming van de tuchtredenen en enkele procedurevoorschriften; - ook de tuchtwet is een adequate rechtsgrond voor het bestreden besluit, aangezien die wet bepaalt dat de militairen alles moet vermijden wat afbreuk kan doen aan de eer of de waardigheid van hun staat en hun ambt;" Overwegende dat de verwerende partij met betrekking tot het derde onderdeel van het middel uiteenzet dat de behandeling van een veroordelings- bericht door het departement Landsverdediging niet valt onder de definitie “verwer- king” waarvan sprake in artikel 1 van de wet van 8 december 1992 zodat er geen sprake kan zijn van de schending van artikel 8, § 1 van die wet en dat het doorzenden van het veroordelingsbericht naar de korpsoverste en de besluitvorming met het oog op de totstandkoming van het bestreden besluit niet als een “geautomatiseerde ver- werking” of als het “houden van een manueel bestand” kan worden gezien; dat zij er ook op wijst dat, overeenkomstig artikel 14 van de wet, de gewone rechter bevoegd is voor het probleem dat een andere overheid ten onrechte aan de minister gegevens zou hebben bezorgd en dat zij niet inziet hoe de schending van de wet door een andere overheid dan de minister van Landsverdediging tot de vernietiging van het bestreden besluit zou kunnen leiden, aangezien het een vaststaand feit is dat verzoeker veroordeeld is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert wat volgt : "- de grondwettigheid van artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 staat niet ter discussie; het opleggen van een TATM wegens een veroordeling steunt evenwel niet op artikel 13 van de wet maar op artikel 3 van het koninklijk besluit dat ter zake een uitdrukkelijke regeling bevat en dat in dit geval toegepast moet worden; te dien aanzien moet vastgesteld worden dat de uitvoerende macht in artikel 13 van de wet geen rechtsgrond kan vinden om bij koninklijk besluit te bepalen voor welke feiten of soorten gedragingen een TATM opgelegd kan worden; de enige discretionaire bevoegdheid die de minister krachtens die bepaling bezit bestaat erin geen TATM op te leggen; dat verzoeker afbreuk IX-2077-6/13 gedaan zou hebben aan de eer en de waardigheid van zijn ambt -artikel 9, 4/ van de tuchtwet- kan ook geen tuchtstraf overeenkomstig het koninklijk besluit van 11 juni 1974 rechtvaardigen; het komt integendeel overeenkomstig artikel 182 en 186 van de Grondwet aan de wetgevende macht toe om te bepalen welke feiten en omstandigheden aanleiding kunnen geven tot een TATM; -het doorgeven van een vonnis door de minister aan een lagere overheid teneinde een statutaire maatregel mogelijk te maken is geen verwerking van persoonsgegevens die voldoet aan de voorschriften van de wet; de verwerende partij toont niet aan “op welke gronden haar een dergelijk vonnis mag worden medegedeeld of dat zij het mag bezitten”; de verwerende partij heeft met schending van artikel 8 van de wet van 8 december 1992 kennis genomen van de veroordeling;" 3.1.
- Overwegende dat het bestreden ministerieel besluit verwijst naar artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 houdende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst en naar artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst; dat deze bepalingen luiden als volgt : - artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 : "De Minister van Landsverdediging kan de vrijwilliger voor een bepaalde tijd bij tuchtmaatregel van zijn ambt ontheffen." - artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 : "Bij tuchtmaatregel kan op non-activiteit worden gesteld de vrijwilliger die een veroordeling heeft opgelopen, die herhaalde tuchtstraffen heeft ondergaan, die gestraft is geweest voor een ernstig vergrijp of die, om tuchtredenen, het voorwerp is geweest van een voorstel tot definitieve ambtsontheffing. (...)"; Overwegende dat het bestreden besluit ook verwijst, in het algemeen, naar de wet van 14 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht; dat er evenwel niet duidelijk wordt gemaakt op welke wijze die wet de rechtsgrond kan vormen voor de bestreden tuchtstrafbeslissing, die betrekking heeft op een zogenaamde statutaire maatregel die zijn grondslag vindt in de wet van 12 juli 1973; IX-2077-7/13 3.1.
- Overwegende dat verzoeker de grondwettigheid van artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 niet betwist; dat hij wel betoogt dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 geen deugdelijke rechtsgrond vindt in het genoemde artikel 13, aangezien de wet de Koning niet heeft gemachtigd om vast te stellen wanneer een militair in activiteit of in non-activiteit is, aangezien artikel 3 arbitraire beslissingen mogelijk maakt en aangezien de wetgever zelf had moeten bepalen in welke gevallen een TATM kon opgelegd worden; 3.1.2.
- Overwegende dat artikel 13 van de wet van 12 juli 1973 aan de minister van Landsverdediging de bevoegdheid verleent om een vrijwilliger bij tuchtmaatregel voor een bepaalde tijd van zijn ambt te ontheffen; dat die tijdelijke ambtsontheffing bij tuchtmaatregel nader uitgewerkt is in artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974 -daar een op non-activiteitstelling genaamd-, waar de vier gevallen zijn bepaald waarin de tuchtmaatregel kan opgelegd worden: het oplopen van een veroordeling, het ondergaan van herhaalde tuchtstraffen, gestraft geweest zijn voor een ernstig vergrijp en het voorwerp geweest zijn van een voorstel tot definitieve ambtsontheffing om tuchtredenen; dat in dit geval verzoeker tucht- rechtelijk gestraft is voor het oplopen van een veroordeling; dat die precies geformuleerde tenlastelegging aan de minister geen enkele appreciatiebevoegdheid verleent op het vlak van de omschrijving van de tuchtinbreuk; dat verzoeker geen belang heeft bij het onderzoek van de vraag of één van de overige gevallen, opgesomd in het voormelde artikel 3, aan de minister er mogelijk een al te ruime appreciatiebevoegdheid verleent; 3.1.2.
- Overwegende dat artikel 182 van de Grondwet, dat geschreven is vanuit de bekommernis om de rechten en de plichten van de militairen te laten vaststellen door de democratisch verkozen beraadslagende vergadering en om aldus de aangelegenheid niet volledig aan de uitvoerende macht over te laten, verhindert dat de wetgever een essentieel aspect betreffende de vaststelling van die rechten en plichten delegeert aan de Koning; dat daarmee evenwel niet elke bevoegdheids- toewijzing aan de uitvoerende macht uitgesloten wordt en dat, daarnaast, ook rekening gehouden moet worden met artikel 167, §1, tweede lid, van de Grondwet, IX-2077-8/13 dat aan de Koning de bevelvoering over de krijgsmacht opdraagt, hetgeen insluit dat de Koning in de Grondwet zelf de bevoegdheid vindt om de rechten en de plichten van de militairen nader te bepalen voor zover zij met die bevelvoering verband houden, wat onmiskenbaar het geval is voor het treffen van maatregelen wegens mis- dragingen van de militairen; dat, voort, ook de minister een grondwettelijke status heeft waarop het parlement controle uitoefent, zodat ook hij met bepaalde uitvoeringstaken kan worden belast, zowel op het vlak van de uitvoering van de wetten getroffen op grond van artikel 182 van de grondwet als op het vlak van reglementering getroffen overeenkomstig artikel 167, § 1, tweede lid, van de grondwet; Overwegende dat de wetgever aan de minister de bevoegdheid heeft gelaten om een vrijwilliger tijdelijk van zijn ambt te ontheffen, terwijl de Koning de gevallen heeft bepaald waarin de minister die bevoegdheid kan uitoefenen; dat, in het licht van de hiervoor uiteengezette grondwettelijke constellatie, uit artikel 182 van de Grondwet niet noodzakelijk volgt dat alleen de wetgever kan bepalen op welke gronden een statutaire tuchtmaatregel kan worden opgelegd en dat niet elke delegatie aan de minister ongrondwettig is; dat artikel 3 van het koninklijk besluit van 11 juni 1974, waar het een tuchtmaatregel mogelijk maakt voor een opgelopen veroordeling, de bevoegdheid van de uitvoerende macht niet buitensporig uitbreidt; 3.1.2.
- Overwegende dat, rekening houdend met wat voorafgaat, aangenomen wordt dat het koninklijk besluit van 11 juni 1974, in de mate dat erin bepaald wordt dat een vrijwilliger die een veroordeling opgelopen heeft tijdelijk uit zijn ambt ontheven kan worden, artikel 182 van de Grondwet niet miskent; dat de toepassingsbevoegdheid die de wetgever aan de minister van Landsverdediging heeft toegekend evenmin de grondwettelijk vastgestelde grenzen met betrekking tot de vaststelling van de rechten en de plichten van de militairen te buiten gaat; IX-2077-9/13 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker terloops ook verwijst naar de miskenning van artikel 186 van de Grondwet; dat hij evenwel niet duidelijk maakt op welke wijze die bepaling, waarin gesteld is dat de militairen niet van hun graad kunnen worden ontzet dan op de wijze bij de wet bepaald, bij de hier besproken zaak betrokken zou kunnen worden, aangezien verzoeker niet ontzet is van zijn graad maar enkel tijdelijk uit zijn ambt ontheven en daarenboven die tijdelijke ambtsont- heffing door de wet zelf is ingesteld; 3.1.2.
- Overwegende dat het eerste en het tweede onderdeel van het middel niet gegrond zijn; 3.2.
- Overwegende, wat het derde onderdeel van het middel betreft, dat artikel 8 van de wet van 8 december 1992, zoals die ten tijde van het bestreden besluit van kracht was, de verwerking van persoonsgegevens reglementeert; dat artikel 1 van de wet de begrippen “verwerking”, “bestand”, “geautomatiseerde verwerking” en “houden van een manueel bestand” als volgt nader bepaalde : “§
- Voor de toepassing van deze wet wordt onder “verwerking” verstaan de geautomatiseerde verwerking of het houden van een manueel bestand. §
- Onder “bestand” wordt een geheel van persoonsgegevens verstaan, samengesteld en bewaard op een logisch gestructureerde wijze met het oog op een systematische raadpleging ervan. §
- Onder “geautomatiseerde verwerking” wordt verstaan elk geheel van bewerkingen die geheel of gedeeltelijk langs geautomatiseerde weg zijn uitgevoerd en betrekking hebben op de registratie en de bewaring van persoons- gegevens, alsook op de wijziging, de uitwissing, de raadpleging en de versprei- ding van deze gegevens. §
- Onder het “houden van een manueel bestand” wordt verstaan de registratie, de bewaring, de wijziging, de uitwissing, de raadpleging of de verspreiding van persoonsgegevens in de vorm van een bestand op een niet- geautomatiseerde drager.” 3.2.
- Overwegende dat de besluitvorming met betrekking tot het opleggen van een tuchtmaatregel aan verzoeker geen verwerking van persoons- gegevens betreft zoals artikel 1, § 1, van de wet dat definieert; dat die besluitvorming IX-2077-10/13 immers geen “geautomatiseerde verwerking” is en dat zij ook niet kan gezien worden als het “houden van een manueel bestand”; Overwegende dat verzoeker ook niet aantoont welke wettelijke bepaling de bevoegde diensten van het ministerie van Justitie zou verbieden aan de minister van Landsverdediging kennis te geven van de veroordelingen die tegen de leden van de krijgsmacht uitgesproken zijn; 3.2.
- Overwegende dat ook het derde onderdeel van het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat hij betoogt dat het bestreden besluit erkent dat er verzachtende omstandigheden voorhanden zijn -hij verwijst in dat verband naar het bezit van een blanco strafregister en dito gerechtelijk verleden, naar zijn goede staat van dienen, naar het vertrouwen van zijn chefs dat hij steeds genoten heeft en naar de omstandigheid dat de feiten zich afgespeeld hebben in het burgerleven en dat zij geen invloed hebben gehad op zijn dienst- maar dat de minister dan toch verwijst naar de onmogelijkheid om de feiten te tolereren binnen de krijgsmacht en dat hij ook stelt dat de feiten afbreuk doen aan de goede naam van de krijgsmacht; dat hij benadrukt dat de feiten zich “in de privé-sfeer hebben afgespeeld, buiten de diensturen” en zonder dat derden erbij betrokken waren terwijl de veroordeling ook aan niemand mocht medegedeeld worden; dat naar zijn oordeel de straf kennelijk onevenredig is omdat de strafrechtelijke veroordeling na drie jaar uitgewist kan worden, terwijl het bestreden besluit pecuniaire en ook administratieve gevolgen -drie maand achteruitstelling voor bevordering en anciënniteitsverlies voor zijn pensioen- heeft, welke nooit worden uitgewist; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord tegenover stelt dat de Raad van State ter zake slechts over een marginale toetsingsbevoegdheid beschikt, dat de omstandigheid dat de korpscommandant van verzoeker -overigens als enige van de overheden die advies hebben uitgebracht- IX-2077-11/13 voorstelde om geen TATM op te leggen, de tuchtstraf niet kennelijk onredelijk maakt en dat de minister in het bestreden besluit duidelijk uiteenzet waarom hij een milde statutaire maatregel gepast acht; 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat, aangezien hij de goede naam van de krijgsmacht niet geschaad heeft en hij ook de eer en de waardigheid van zijn ambt niet in het gedrang gebracht heeft, er geen redenen voorhanden waren die de opgelegde straf rechtvaardigen; dat hij in zijn laatste memorie herhaalt dat de minister, door hem te straffen voor feiten die zich volledig binnen zijn private sfeer bevinden, zich inmengt in zijn privé-leven; 4.
- Overwegende dat de Raad van State, binnen de grenzen van de marginale toetsing die hij op het vlak van de straftoemeting kan uitoefenen, vaststelt dat uit de termen van het bestreden besluit blijkt dat de minister de door verzoeker in het licht gestelde verzachtende omstandigheden in zijn beslissing betrokken heeft, maar dat hij daarnaast ook groot belang gehecht heeft aan het bewaren van de goede naam van de krijgsmacht, in die zin dat alcoholintoxicatie er niet kan geduld worden, zelfs niet wanneer zij volledig binnen de privé-sfeer van de militair gesitueerd is; dat de minister daarmee geen kennelijk onredelijk handelen kan verweten worden; dat zulks evenmin het geval is voor de duur van de opgelegde tuchtstraf, die door de verwerende partij terecht als “mild” wordt bestempeld; dat het tweede middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. IX-2077-12/13 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-2077-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.337 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.