id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.338 Rolnummer: A. 99729/IX-3002 Zaak: Arrest 132338 - - 14/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-29 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:12 Fiche Arrest nr 132.338 van 14 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.338 van 14 juni 2004 in de zaak A. 99.729/IX-
- In zake : Raymond VANOVERSCHELDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. VAN CASTER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louis Schmidtlaan 72 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Pensioenen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raymond VANOVERSCHELDE op 13 januari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 20 november 2000 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen waarbij zijn aanvraag voor een vergoedingspensioen wegens gehoorproblemen wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3002-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker, die tevens het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging bevat, en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. F. DE BOCK, die loco advocaat A. VAN CASTER verschijnt voor verzoeker; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- wnd. afdelingshoofd R. VAN DER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Raymond VANOVERSCHELDE, rijkswachtofficier op rust, vraagt op 14 juli 1995 een vergoedingspensioen aan wegens gehoorproblemen te wijten aan de schietoefeningen die hij diende te volgen gedurende zijn opleiding tijdens de jaren 1960 tot
- 1.
- Deze aanvraag wordt op 16 september 1998 door de commissie voor vergoedingspensioenen verworpen op grond van de volgende motieven : "Overwegende dat verzoeker op 14/07/1995 een geldige aanvraag om invaliditeitspensioen heeft ingediend samen met het medisch attest van Dr. COURTOIS voor de volgende aandoening : IX-3002-2/8 deficit auditif, opgelopen volgens hem tijdens zijn opleiding bij de Koninklijke Militaire School tussen 1960 en 1963 waar hij regelmatig zou blootgesteld geweest zijn aan lawaai te wijten aan schietoefeningen; Overwegende dat er in het medisch dossier enkele ORL onderzoeken terug te vinden zijn, doch blijkbaar nooit in verband met schietoefening en dat men ook moeilijk kan spreken van continuïteit in de verzorgingen, daar het gehoor steeds als normaal werd bestempeld; Overwegende dat de expert van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst verklaart dat er een discrete gehoorsvermindering is die niet invalideerbaar is en dat er in het medisch dossier geen duidelijk gehoorstrauma kan worden teruggevonden. Hij geeft 0 % invaliditeit. Gelet op deze bevindingen en op het feit dat het niet bewezen is dat de feiten die gebeurd zijn bijna 30 jaar geleden aan de basis zouden liggen van een miniem gehoorsprobleem, verwerpt de Commissie de ingediende aanvraag". 1.
- Verzoeker tekent tegen deze beslissing op 19 november 1998 hoger beroep aan. 1.
- De medische beroepskamer van de Gerechtelijk Geneeskundige Dienst (GGDB) besluit in haar protocol van 29 maart 1999 na onderzoek van betrokkene : "déficit auditif léger, non imputable et non invalidant". Deze conclusie rust op volgende gerechtelijk-geneeskundige bespreking : "Après avoir pris connaissance de la mission (voir note de la CAPR du 10/12/98), la CMA a revu le requérant et examiné à nouveau l'ensemble du dossier médical de celui-ci. La taxation prenant cours au 01/07/95, la CMA estime inutile de demander un nouvel avis ORL qui ne pourrait que refléter la situation actuelle et non pas celle existant au 01/07/
- Il y a donc lieu de se référer au bilan audiométrique du dr. MASSART du 12/07/95 qui montre une légère perte auditive bilatérale sur les fréquences 500, 1000 et 2000 Hz. En dehors des antécédents rapportés par le requérant (déclare traumatismes sonores répétés pendant sa formation à l'ERM), la CMA ne dispose d'aucun élément objectif lui permettant d'apprécier l'imputabilité du déficit auditif allégué par le requérant". IX-3002-3/8 1.
- Op de zitting van 20 november 2000 van de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen wordt door verzoeker een conclusie neergelegd, met daarbij het resultaat van een nieuw onderzoek van zijn gehoorsituatie, uitgevoerd op 27 september
- 1.
- Dezelfde dag neemt de beroepscommissie de thans bestreden beslissing waarbij zijn hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond wordt verklaard en waarbij de beslissing van 16 september 1998 van de commissie voor vergoedings- pensioenen wordt bevestigd. De beslissing is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat de Commissie zich aansluit bij het advies van de G.G.D.B.; Overwegende dat de nieuw ingebrachte stukken, twee getuigenverklaringen die bevestigen dat er geen gehoorbeschermers voorhanden waren en een nieuw audiogram niet van aard zijn om het advies van de G.G.D.B. te wijzigen; dat de G.G.D.B. het niet aangewezen acht een nieuw ooronderzoek aan te vragen omdat het onderzoek de toestand van 95 niet zou weergeven en dat ze over een audiogram beschikt van 12 juli 1995, besluit de commissie derhalve dat het niet nodig is het audiogram van 27 september 1999 over te maken aan de G.G.D.B.. Overwegende dat, voor het overige, de omstandigheid dat, volgens verzoeker, hij tijdens zijn opleiding aan de K.M.S. aan hevig geluid werd blootgesteld en er toentertijd geen oorbescherming bestond, de omstandigheid dat verzoeker werd aangeraden een dossier in te dienen met het oog op een vergoedingspensioen en tenslotte de overweging dat in bepaalde gevallen een gehoortrauma sluipend kan evolueren, geen bewijs opleveren van het door verzoeker aangevoerde letsel". 2.
- Overwegende dat verzoeker de bestreden beslissing onwettig acht om reden dat de commissie van beroep de blootstelling aan hevige geluiden en het ontbreken van gehoorbescherming niet aanvaardt, terwijl een commissielid goed bekend was met de trainingsmethodes die indertijd bij de opleiding van de rijkswach- ters werden gebruikt en het aanvaarden dat schietoefeningen lawaai maken slechts een oplossing van gezond verstand is en terwijl de commissie met haar stellingname voorbij gaat aan de schriftelijke getuigenissen die verzoeker heeft voorgebracht en om reden dat de commissie het audiogram van september 1999, dat hij aan de commissie heeft voorgelegd en waaruit de verergering van het letsel blijkt, niet bij IX-3002-4/8 haar beoordeling betrokken heeft, hoewel de evolutie van een letsel een element vormt dat dienstig kan zijn bij de beoordeling van het letsel zelf; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij daar in haar memorie van antwoord op antwoordt dat de commissie van beroep de aanvraag verworpen heeft omdat de GGDB geen aanrekenbare invaliditeit voor de gehoorproblemen had aanvaard en zij die conclusie heeft overgenomen en dat de commissie van beroep voor wat betreft de graad van invaliditeit en het medisch verband tussen de ingeroepen oorzaak en de kwaal, gebonden is door het advies van de GGDB; dat zij ook betoogt dat de commissie van beroep terdege heeft uiteengezet dat een audiogram uit 1999 aan de GGDB geen nadere informatie zou verschaffen aangezien hij van oordeel was met het audiogram van 12 juli 1995 over alle nodige inlichtingen te beschikken om uit te maken of verzoeker op 1 juli 1995 een zekere invaliditeit bezat; dat zij tenslotte stelt dat de commissie van beroep in het bestreden besluit duidelijk laat blijken dat zij acht geslagen heeft op de getuigenverklaringen die verzoeker had voorgebracht maar dat de commissie soeverein oordeelt over de waarde van de voorgebrachte stukken en over het gevolg dat aan de overgelegde bewijsstukken gegeven moet worden, terwijl de Raad van State geen nieuw onderzoek mag voeren over de feitelijke elementen van de zaak; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord insisteert op de progressieve en onomkeerbare aftakeling van zijn gehoor -waarvoor hij verwijst naar het bijkomend onderzoek dat hij in september 1999 heeft laten uitvoeren-, op de daadwerkelijke vermindering van zijn gehoorvermogen en de nadelen die hij daarvan ondervindt en op de terughoudendheid waarmee de commissie van beroep het oorzakelijk verband tussen de feiten en zijn letsel benaderd heeft; dat hij in zijn laatste memorie nog betoogt dat de motivering van het bestreden besluit twee aspecten bevat -enerzijds de conclusies die de commissie van beroep koppelt aan het advies van de GGDB en anderzijds de problematiek van het oorzakelijk verband tussen het vastgestelde letsel en de oorzaak ervan- en dat de motivering van elk van die aspecten faalt; dat hij wat het eerste aspect betreft, uiteenzet dat het advies van de GGDB op een aantal punten gebrekkig is -die dienst IX-3002-5/8 is niet bevoegd om uit te maken of een nieuw medisch onderzoek nuttig zou kunnen zijn, maar enkel om het medisch onderzoek uit te voeren; de regelgeving bevat geen bepaling aangaande de datum waarop de invaliditeit wordt vastgesteld; niets belet de commissie van beroep toch rekening te houden met de evolutie van het gebrek- zodat de commissie van beroep niet rechtsgeldig naar dat advies kon verwijzen, terwijl zij evenmin rechtsgeldig kon weigeren het auditief onderzoek van 27 september 1999 aan de GGDB voor te leggen; dat hij, wat het tweede aspect betreft, uiteenzet dat artikel 1 van de samengeordende wetten hem de mogelijkheid biedt om met alle rechtsmiddelen het causaal verband tussen het letsel en het dienstverband te bewijzen, wat betekent dat het bestreden besluit had moeten aanduiden waarom de nieuw overgelegde stukken het oorzakelijk verband niet aantoonden; 2.4.
- Overwegende dat de Raad van State, als cassatierechter, niet vermag de beoordeling van de feiten door de commissie van beroep over te doen; dat derhalve, waar verzoeker stelt dat de commissie wel degelijk wist of moest weten dat de rijkswachters tijdens hun opleiding storende schietoefeningen dienden te houden zonder oorprotectie, het middel niet in aanmerking genomen kan worden; Overwegende, in ieder geval, dat de commissie van beroep -net als de commissie voor vergoedingspensioenen vóór haar- de aanvraag van verzoeker verworpen heeft omdat uit het onderzoek van 12 juli 1995 reeds gebleken was dat verzoeker aan een licht gehoorverlies leed, dat niet invalideerbaar was en niet aanrekenbaar; dat, rekening houdend met het feit dat de invaliditeit van verzoeker op 0% bepaald is, de verwijzing naar de aanrekenbaarheid van de invaliditeit aan het letsel duidelijk geen dragend motief van het bestreden besluit vormt; dat het middel, in de mate dat het tegen dat subsidiair motief gericht is, niet tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker de bestreden beslissing voor het overige onwettig acht omdat de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen geen rekening gehouden heeft met het audiogram van 27 september 1999; dat evenwel de commissie van beroep dat stuk wel degelijk in haar besluitvorming heeft IX-3002-6/8 betrokken, aangezien het bestreden besluit uitdrukkelijk overweegt dat dit nieuw audiogram niet van aard is om het advies van de GGDB te wijzigen, terwijl het ook niet nodig is om op basis van dit audiogram opnieuw het advies van de GGDB in te winnen; dat die stellingname ook inhoudelijk verantwoord wordt door de vaststelling dat de toestand van verzoeker vastgesteld is op 12 juli 1995 en een nieuw onderzoek die toestand onmogelijk kan bevestigen; dat de commissie daarmee binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid gebleven is; 2.4.
- Overwegende dat verzoeker wel van oordeel is dat een nieuw onderzoek had kunnen wijzen op een verergering van zijn letsel, bij zoverre dat hij thans mogelijk wel een bepaalde invaliditeit zou bezitten; dat evenwel in dit geval de vraag aan de orde staat of de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen terecht de aanvraag van verzoeker, ingediend op 14 juli 1995, heeft geweigerd omdat geen invaliditeit bewezen was en dat, in dat kader, de problematiek van de verergering van het letsel niet ter sprake komt; 2.4.
- Overwegende dat het enig aangevoerde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-3002-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3002-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.338 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.