← België

Arrest 132389 - - 15/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.389 Rolnummer: A. 147458/XII-4049 Zaak: Arrest 132389 - - 15/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-30 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-07-04 07:20 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 132.389 van 15 juni 2004 - Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.389 van 15 juni 2004 in de zaak A. 147.458/XII-4049. In zake : Joseph BOETS, die woonplaats kiest bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt, gevestigd te Brussel, Lang Levenstraat 27-29 tegen : de HOGESCHOOL LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat E. Bral, kantoor houdende te Gent, Henleykaai 3 R. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Joseph Boets op 20 januari 2003 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “ de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van de Hogeschool Limburg van 18 november 2003 waarbij het College, enerzijds, de vraag van verzoeker tot heropening van de debatten onontvankelijk verklaart, en, anderzijds, op de vraag tot intrekking van de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van 15 september 2003 [niet] wordt ingegaan zodat die beslissing wordt bevestigd” en van “ de beslissing van het College van Beroep inzake Tucht van de Hogeschool Limburg van 15 september 2003 waarbij het College van Beroep waarbij de beslissing van het departemenshoofd IWT van de Hogeschool Limburg van 21 mei 2003 waarbij aan de heer Boets de tuchtstraf van de blaam werd opgelegd, wordt bevestigd”; Gezien het op dezelfde dag ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; XII-4049-1\4 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 29 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat E. Bral, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de procedure. Overwegende dat verzoeker, die niet door een raadsman is vertegenwoordigd en persoonlijk ter terechtzitting verschijnt en er het woord voert, vraagt om bijgestaan te mogen worden door Eric Roos, juridisch adviseur bij het Vrij Syndicaat voor het Openbaar Ambt; dat hij in geval van een eventuele verwerping van dat verzoek zegt zich op tweevoudige wijze gediscrimineerd te voelen - vooreerst ten opzichte van contractuele personeelsleden en vervolgens ten opzichte van administratieve overheden; dat hij de Raad van State daarom verzoekt alvorens recht te doen, aan het Arbitragehof de hierna in het beschikkend gedeelte woordelijk overgenomen vraag te stellen, die hij voor aanvang van de openbare terechtzitting schriftelijk aan de Raad en aan de verwerende partij heeft bezorgd; Overwegende dat artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State enkel toestaat dat partijen zich laten vertegenwoordigen of laten bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der advocaten of op de lijst van de stagiairs alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie XII-4049-2\4 die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen; dat Eric Roos onder geen van deze groepen ressorteert; dat hem niet kan worden toegestaan verzoeker bij te staan of hem te vertegenwoordigen; Overwegende dat de snelheid waarmee de Raad van State in de fase van het kort geding moet optreden in principe niet te verenigen is met het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat verzoeker, hier op gewezen door de Raad, niettemin volhardt in zijn verzoek dat de vraag zou worden gesteld, omdat hij het noodzakelijk acht ter terechtzitting door Eric Roos te worden bijgestaan, BESLUIT: Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Arbitragehof wordt de volgende prejudiciële vraag gesteld : “Worden de in de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde grondwet vervatte beginselen van de gelijkheid en de niet-discriminatie geschonden door : - artikel 19, derde lid van de bij koninklijk besluit van 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State volgens hetwelk de partijen zich mogen laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten; aldus geïnterpreteerd dat die bepaling toestaat dat een administratieve overheid ter zitting van de bevoegde kamer of de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State verschijnt bij monde van een ambtenaar; - artikel 728, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk de partijen op het ogenblik van de rechtsingang en later in persoon of bij advocaat dienen te verschijnen; - artikel 728, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk de afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie van arbeiders of bedienden die een schriftelijke volmacht heeft, de arbeider of bediende, partij in het geding voor de arbeidsgerechten mag vertegenwoordigen, in zijn naam alle handelingen mag verrichten die bij deze vertegenwoordiging behoren, mag pleiten en alle mededelingen betreffende de behandeling en de berechting van het geschil mag ontvangen; - en artikel 728, § 3, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek volgens hetwelk het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn in de geschillen zoals vermeld in artikel 728, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek verschijnt bij monde hetzij van een advocaat, hetzij van een door dit centrum afgevaardigd effectief lid of personeelslid, enerzijds, en de Minister XII-4049-3\4 tot wiens bevoegdheid het maatschappelijk welzijn behoort, zich kan laten vertegenwoordigen door een ambtenaar, anderzijds; - en de artikelen 81, 104, 199 t.e.m. 202 en 217 van het Gerechtelijk Wetboek; - in de mate dat die -aldus geïnterpreteerde en in samenhang gelezen- bepalingen tot gevolg hebben : 1/ dat arbeiders en bedienden voor de arbeidsgerechten, die optreden als het 'natuurlijke' rechtsprekend orgaan voor geschillen betreffende hun contractuele rechtspositie, ook indien zij personeelsleden zijn van een publiekrechtelijke overheid en waarin bovendien vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties zetelen -mogen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie, terwijl statutaire personeelsleden van een publiekrechtelijke overheid- voor de afdeling administratie van de Raad van State, die optreedt als het 'natuurlijke' rechtsprekend orgaan voor geschillen betreffende hun statutaire rechtspositie en waarin geen vertegenwoordigers van de representatieve vakorganisaties zetelen, slechts mogen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, maar niet door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie; 2/ dat een administratieve overheid in alle gevallen voor de bevoegde kamer of de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State zou mogen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat of een ambtenaar, terwijl : - een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alleen voor de geschillen zoals specifiek vermeld in artikel 728, § 3, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek mag verschijnen bij monde van een advocaat, een afgevaardigd effectief lid of een afgevaardigd personeelslid; - een verzoeker voor de bevoegde kamer of de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State slechts zou mogen worden bijgestaan of vertegenwoordigd door een advocaat, maar niet door een afgevaardigde van een representatieve vakorganisatie?”. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2004, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4049-4\4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.389 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.910 ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.155.383 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.