id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.404 Rolnummer: A. 123620/X-11037 Zaak: Arrest 132404 - - 15/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:13 Fiche Arrest nr 132.404 van 15 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.404 van 15 juni 2004 in de zaak A. 123.620/X-11.037. In zake: de n.v. AVEVE, die woonplaats kiest bij Advocaat J. STIJNS, kantoor houdende te 3001 LEUVEN, Ubicenter-Philipssite 5 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Ph. DECLERCQ, kantoor houdende te 3010 LEUVEN, Tiensesteenweg 271. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. AVEVE op 8 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 7 mei 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, houdende de intrekking van het besluit van 8 september 1993 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden waarbij aan de verzoekende partij de vergunning wordt verleend tot oprichting van een silo-installatie voor granen op een perceel gelegen aan de Oude Tiensebaan te Bekkevoort, kadastraal bekend Sectie H, nrs. 154 f en g/delen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 juni 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-11.037-1/12 Gelet op de beschikking van 20 november 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VERHAEGHE, die loco Advocaat J. STIJNS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. HAVET, die loco Advocaat Ph. DECLERCQ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat, na de vernietiging van een eerder verleende bouwverguning bij 's Raads arrest nr. 35.399 van 5 juli 1990, de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant op 12 september 1991 op grond van een gewijzigd inplantingsplan het hoger beroep van de verzoekende partij opnieuw inwilligt; dat de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden op 8 september 1993 het door de gemeente Bekkevoort ingediende beroep verwerpt; dat de nietigverklaring van dit besluit wordt gevorderd door de gemeente Bekkevoort (A. 54.355); dat bij besluit van 7 mei 2002 de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening het voornoemde besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden van 8 september 1993 intrekt; dat dit het thans bestreden besluit is; dat deze beslissing als volgt is gemotiveerd : "(...) Overwegende dat op 4 november 1993 een verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij de Raad van State werd neergelegd, waarin de wettigheid van het ministerieel besluit van 8 september 1993 wordt betwist, erop wijzende dat het vernietigingsarrest van de Raad van State van 5 juli 1990 de reden van vernietiging van de aanvraag uitdrukkelijk bepaalt als volgt : 'Overwegende dat o.m. als middel wordt aangevoerd dat de inplanting van het ontworpen gebouwencomplex met een hoogte van 23,46 m op één van de hoogste punten in de omgeving, waardoor het kilometers in de omtrek zichtbaar zal zijn, het ongeschonden groen landschap zal verknoeien en hierin dus erg storend zal zijn... X-11.037-2/12 Overwegende dat uit het middel zelf, zoals het in het inleidend verzoekschrift in de hiervoren aangehaalde bewoordingen werd uiteengezet, duidelijk blijkt welke grief tegen de bestreden bouwvergunning wordt aangevoerd; Overwegende dat zowel uit de motieven van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar als uit de motieven van het bestreden besluit blijkt dat beide bevoegde overheden ervan zijn uitgegaan dat het bouwontwerp uit landschappelijk oogpunt op zichzelf de goede ordening van de plaats in het gedrang brengt ...'; Overwegende dat in het auditoraatsverslag van 11 mei 2001 onder meer wordt gesteld dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant in zijn beslissing van 12 september 1991 het gezag van het gerechtelijk gewijsde negeert door een bouwtoelating te verlenen voor een bouwwerk waarvan de Raad van State bij vernietigingsarrest van 5 juli 1990 uitdrukkelijk stelde dat de inplanting op die welbepaalde plaats niet gerechtvaardigd is, dat nochtans de bestendige deputatie de plannen van een bouwwerk goedkeurt dat identiek is aan hetgeen door de Raad van State werd afgewezen, dat de silo-installatie reeds werd opgericht, dat aan de plannen die in 1991 door de bestendige deputatie werden voorgelegd wat betreft de plaats van de inplanting, het volume van het bouwwerk, de situering ten opzichte van de naburen niets werd gewijzigd t.o.v. de plannen die door de Raad van State reeds voordien niet werden goedgekeurd, dat de nieuwe plannen waarop de bestendige deputatie haar oordeel steunde enkel summiere wijzigingen betreffen omtrent het groenscherm omheen het bouwwerk dat de bestendige deputatie dan ook een huichelachtige beslissing nam, stellende dat het gaat om andere plannen dan deze die door de Raad van State werden afgekeurd, dat aan de essentie immers niets veranderde, dat ook aan die elementen waarom de Raad van State de inplanting niet goedkeurde niets werd veranderd; Overwegende dat in het ministerieel besluit van 8 september 1993 de vergunning werd gegeven onder meer omdat ten opzichte van het door de Raad van State beoordeelde plan, dat slechts een aanplanting ten noorden, noordwesten en zuidwesten van het gebouw voorzag, een veel ruimer en volledig rondom het gebouw gaand groenscherm wordt voorzien, dat na enkele jaren, wanneer alle door de bestendige deputatie voorgestelde bomen en struiken zijn volgroeid, het gebouw zal omgeven zijn door een groenscherm dat op een afdoende wijze een degelijke inkleding in het betrokken landschap zal bewerkstelligen, dat aldus kan besloten worden dat uit landschappelijk oogpunt de goede ordening van de plaats niet in het gedrang komt, dat om deze reden de aanvraag voor vergunning vatbaar is; Overwegende dat gelet op het auditoraatsverslag dat impliceert dat in het arrest van 5 juni 1990 duidelijk werd gesteld dat bewust gebouw niet past in het open landschap en dat dit probleem niet op te lossen is door het plaatsen van een groenscherm, het ministerieel besluit van 8 september 1993 van de Vlaamse Minister van Openbare werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden wordt ingetrokken en de aanvraag aan een nieuw onderzoek ten gronde zal worden onderworpen, waarbij uit een nieuwe afweging van de zaak moet blijken of de inwilliging van de zaak kan stand houden, maar dan aangevuld wat de motivatie betreft, of daarentegen, gelet op de lopende procedure of op inmiddels gewijzigde omstandigheden, een andere beslissing verantwoord is"; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel; dat zij te dezen, na het vertrouwensbeginsel te hebben geschetst, betoogt dat dit beginsel onder X-11.037-3/12 meer wordt geschonden indien zonder gewichtige reden aan de rechtsonderhorige een voordeel wordt ontnomen - in casu de bevestiging op 8 september 1993 van een reeds door de bestendige deputatie verleende vergunning - "om de reden dat het Auditoraatsverslag van 11 mei 2001 zou impliceren dat het gezag van gewijsde van het arrest van 5 juni 1990 zou zijn geschonden, (dat) er (...) geen sprake (
- is)van een rechtvaardigingsgrond waarop het bestuur zich zou kunnen beroepen, (dat) de reden waarop de intrekkingsbeslissing gebaseerd is, zijnde het tussengekomen advies van de Auditeur, (...) niet (kan) beschouwd worden als een gewichtige reden", dat de rechtszekerheid van verzoekster op de helling werd gezet door het haar verleende voordeel te ontnemen, dat derhalve geen enkele rechtvaardigingsgrond voor de thans bestreden beslissing aanwezig is, dat het niet de bedoeling van ons rechtssysteem kan zijn dat het bestuur op elk moment van gedacht kan veranderen en op basis daarvan beslissingen intrekt die reeds jaar en dag bestaan; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat in de bestreden beslissing de intrekking als volgt is gemotiveerd: "Overwegende dat gelet op het Auditoraatsverslag dat impliceert dat in het arrest van 5 juni 1990 duidelijk werd gesteld dat bewust gebouw niet past in het open landschap en dat dit probleem niet op te lossen is door het plaatsen van een groen scherm, het Ministerieel Besluit van 8 september 1993 van de Vlaamse Minister ... wordt ingetrokken en de aanvraag aan een nieuw onderzoek ten gronde zal worden onderworpen, ..."; dat derhalve "deze motivering (...) wel degelijk de gewichtige redenen in(houdt), m.n. de verkeerde beoordeling van het gezag van gewijsde van het arrest van uw Raad d.d. 5 juni 1990, die een herziening van de beleidslijn en de intrekking van het eerste besluit van 8 september 1993 rechtvaardigen"; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dupliceert wat volgt : "Verzoekster wenst dienaangaande te benadrukken dat de bestreden beslissing genomen werd op basis van de overweging dat gelet op het Auditoraatsverslag, dat impliceert dat in het arrest van 5 juni 1990 duidelijk werd gesteld dat bewust gebouw niet past in het open landschap en dat dit probleem niet op te lossen is door het plaatsen van een groen scherm."; dat de verzoekende partij stelt dat "uit niets blijkt (... ) dat het bestuur zelf tot andere inzichten is gekomen", dat uit de bestreden beslissing enkel blijkt dat de opsteller van het Auditoraatsverslag de bovenvermelde mening is toegedaan; X-11.037-4/12 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie stelt dat het bestuur het door haar gewekte vertrouwen enkel mag beschamen indien drie voorwaarden zijn vervuld, te weten "het bestaan van een vergissing vanwege het bestuur, het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan een rechtsonderhorige en de afwezigheid van gewichtige reden om de rechtsonderhorige dat voordeel te ontnemen", dat de verzoekende partij verder stelt wat volgt : "In voorliggende zaak stelt men het voor alsof de gewichtige reden eruit zou bestaan dat in strijd met de wet voordelen worden verleend aan de burger en dat die hem dienvolgens kunnen werden ontnomen zonder dat het vertrouwensbeginsel wordt geschonden. De vraag naar de aan- of afwezigheid van gewichtige reden dient dan ook te worden verbonden met de vraag naar de rechtmatigheid van het ingetrokken besluit. Het kan immers niet geduld worden dat als gewichtige reden wordt aanvaard, hetgeen een gemeente opgeworpen heeft in het kader van een beroep tot nietigverklaring, terwijl deze gemeente zelf tot twee maal toe naliet om tegen de verleende bouwvergunning een beroep in te stellen, zodat de opgeworpen argumenten met omzichtigheid dienen te worden benaderd. Bovendien heeft de gemeente dezelfde argumenten naar voren gebracht voor de Minister. Geen enkel nieuw argument werd ontwikkeld in het annulatieberoep en nu trekt de Minister op basis van die reeds gekende argumenten zijn beslissing in. Dat kan niet worden aanvaard. Zoals bij de bespreking van het tweede middel zal blijken, werd het Ministerieel Besluit op rechtmatige wijze genomen, zodat hiermee dient te worden besloten tot de afwezigheid van gewichtige reden. Bovendien werd het besluit ingetrokken op 7 mei 2002, een jaar na de tussenkomst van het Auditoraatsverslag en op basis van een middel dat werd opgeworpen in het verzoekschrift van 4 november 1993. Los van de drie voorwaarden die worden gekoppeld aan een schending van het vertrouwensbeginsel, kan alleen al op basis van het gevoel dat gepaard gaat met een intrekking van reeds sinds 1993 toegekende rechten, op basis van reeds sinds 1993 gekende redenen, besloten worden dat het door het bestuur gewekte vertrouwen werd beschaamd."; Overwegende dat het beginsel dat het bestuur het door haar gewekte vertrouwen niet mag beschamen, geschonden is indien drie voorwaarden vervuld zijn, te weten het bestaan van een vergissing vanwege het bestuur, het ten gevolge van die vergissing verlenen van een voordeel aan een rechtsonderhorige en de afwezigheid van gewichtige redenen om de rechtsonderhorige dat voordeel te ontnemen; dat wat deze laatste voorwaarde betreft, uit de hiervoor weergegeven motivering van het bestreden besluit deze "gewichtige reden" blijkt, met name een rechtmatigheidsbezwaar dat in een annulatieberoep tegen de ingetrokken bouwvergunning werd aangevoerd en dat overigens door het bevoegde lid van het Auditoraat in diens verslag gegrond werd bevonden; dat, overigens zoals uit het tweede middel zal blijken, dit rechtmatigheidsbezwaar ook de intrekking van de X-11.037-5/12 bouwvergunning door het bestreden besluit wettigt; dat voorts het vertrouwensbeginsel niet meebrengt dat vertrouwen dat zou zijn gewekt "op basis van reeds sinds 1993 gekende redenen" zou moeten leiden tot het handhaven van een onwettige situatie; dat immers van een bestuur niet kan worden verwacht dat het zijn mogelijkheid tot intrekking van een administratieve rechtshandeling heeft "verwerkt" door gedurende jaren niet in te gaan op reeds eerder tegen de ingetrokken vergunning aangevoerde rechtmatigheidsbezwaren en dit pas te doen na - of ten gevolge van - het tussengekomen verslag ter zake van het bevoegde lid van het Auditoraat; Overwegende wat de aangevoerde schending van het rechtszekerheidsbeginsel betreft, de verzoekende partij - los van het feit of dit beginsel wel inhoudt dat de vergunningverlenende overheid haar standpunt niet zou mogen wijzigen als daar reden toe bestaat - niet uiteenzet waaruit deze schending bestaat; dat voorzover het rechtszekerheidsbeginsel zou samenvallen met het vertrouwensbeginsel, kan worden verwezen naar hetgeen hiervoor is uiteengezet; dat het eerste middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van het beginsel van verbod van intrekking van administratieve rechtshandelingen; dat zij ter zake stelt dat uit het bestreden besluit kan worden afgeleid dat "het Ministerieel Besluit van 8 september 1993 werd ingetrokken, aangezien men zich vergiste nopens de draagwijdte van het gerechtelijke gewijsde van het arrest van de Raad van State van 5 juli 1990", dat een beslissing niet kan worden ingetrokken op grond van een vergissing die aan de overheid zelf te wijten is, dat de bestreden beslissing enkel kon worden genomen indien het ministerieel besluit van 1993 een onregelmatige beslissing was, dat dit volgens haar niet het geval is en het al dan niet rechtmatig karakter ervan het voorwerp is van een procedure voor de Raad; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord onder meer doet gelden dat een onregelmatige bestuurshandeling kan worden ingetrokken binnen de beroepstermijn, maar ook ingeval een dergelijk beroep is ingesteld, tot aan het sluiten van de debatten, dat dit a fortiori geldt wanneer het intrekkingsbesluit is gesteund op het advies van het Auditoraat waarin het in het intrekkingsbesluit aangehaalde middel ontvankelijk en gegrond wordt geacht; dat zij ook doet gelden dat "de plicht tot eerbiediging van het gezag van gewijsde van een X-11.037-6/12 arrest van de Raad van State een regel van openbare orde (is), waarvan de overtreding als zodanig de intrekking van een daarmee strijdig besluit rechtvaardigt", dat het argument dat een beslissing niet kan worden ingetrokken op grond van een vergissing die aan de overheid zelf te wijten is, niet opgaat; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord niets aan haar verzoekschrift toevoegt; Overwegende dat de verzoekende partij, na in haar laatste memorie te hebben gesteld dat een administratieve rechtshandeling slechts kan worden ingetrokken buiten de termijn van 60 dagen bepaald voor het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State wanneer een ontvankelijk beroep bij de Raad van State is ingesteld, betoogt dat het annulatieberoep gericht tegen de ingetrokken beslissing niet ontvankelijk is; dat de verzoekende partij ter zake verwijst naar de door haar in de zaak A. 54.355/X-10.146 opgeworpen excepties van niet- ontvankelijkheid dewelke zij herhaalt; dat zij voorts stelt wat volgt : "3. Het intrekkingsbesluit dient te worden gebaseerd op een middel dat werd opgeworpen in het kader van een annulatieberoep voor de Raad van State. Uit het gegeven dat een administratieve rechtshandeling slechts buiten de termijn van 60 dagen kan worden ingetrokken op basis van een middel opgeworpen in het kader van een annulatieberoep, dient noodzakelijkerwijs te worden afgeleid dat het om een nieuw element moet gaan. Immers, de gemeente wierp dezelfde argumenten op in de procedure voor de Minister. De argumenten die werden opgeworpen onder de vorm van middel in de annulatieprocedure betreffen geen nieuwe elementen en waren allen ten eerste gekend door de Minister en ten tweede verworpen door de Minister. Het feit dat een termijn van 60 dagen wordt voorzien om een annulatieberoep in te stellen tegen een administratieve rechtshandeling, samen genomen met het feit dat een intrekking van die administratieve rechtshandeling slechts buiten die termijn van 60 dagen mag gebeuren én op basis van een middel opgeworpen in het annulatieberoep, impliceert dat het een nieuw en nog ongekend argument moet betreffen. Waarom anders zou een termijn van 60 dagen in eerste instantie worden voorzien? Het feit dat de discussie omtrent de interpretatie van het arrest van 5 juli 1990 al dan niet van openbare orde zou zijn, neemt niet weg dat dezelfde discussiemolen reeds meermaals had gedraaid vooraleer de Minister alsnog besloot zijn besluit in te trekken. 4. Ondanks het feit dat een administratieve rechtshandeling onder de voorwaarde van een ontvankelijk ingesteld annulatieberoep nog kan worden ingetrokken na de termijn van 60 dagen, zijn het enkel de onregelmatige overheidsbeslissingen die kunnen worden ingetrokken. In de annulatieprocedure tegen het Ministerieel Besluit kon geen arrest tussenkomen, zodat het oordeel over de rechtmatigheid ervan ontbreekt. De procedure zelf zal zonder voorwerp worden bevonden, doordat het besluit werd ingetrokken. Toch kan het oordeel over deze zaak niet zonder een beoordeling van de rechtmatigheid van het Ministerieel Besluit. X-11.037-7/12 Wanneer immers wordt besloten dat het besluit wel degelijk op regelmatige wijze tot stand kwam, kon het niet worden ingetrokken. Zoals reeds werd gesteld bij de bespreking van de afwezigheid van het belang van het Schepencollege, dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de inplanting van het gebouw en het groenscherm. Het gezag van gewijsde van het arrest van 5 juni 1990 werd niet geschonden door verzoekende partij een stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Immers, het arrest stelde dat 'niet in redelijkheid kan worden gesteld dat de beperkte groenaanplanting (...) voldoende tegemoetkomt aan het (...) bezwaar tegen de inplanting van het ontworpen gebouw (...)'. De groenaanplanting vervult de grammaticale functie van onderwerp. De groenaanplanting werd onvoldoende bevonden, waarop een nieuw en uitgebreid plan van de groenaanplanting werd opgesteld, hetwelk werd goedgekeurd door de Bestendige Deputatie en door de Minister. Door de vergunning onder die voorwaarden te verlenen werd het gezag van gewijsde van het arrest van 5 juni 1990 niet geschonden. Ten overvloede werd gewezen op het feit dat de gemeente zelf voordien niet is opgekomen tegen het gegeven van de inplanting van het gebouw, dat de aanwezigheid van de constructie in overeenstemming is met de bestemming van het gebied, zijnde landbouw in de ruime zin, en dat in de nabije omgeving grote constructies werden opgericht, vergund door de gemeente. Het Ministerieel Besluit kwam op regelmatige wijze tot stand."; Overwegende dat een onregelmatige administratieve rechtshandeling die rechten toekent slechts op geldige wijze kan worden ingetrokken, te allen tijde, en buiten elke wettekst om, wanneer die handeling door bedrog is uitgelokt of door een zodanige onregelmatigheid is aangetast dat zij voor onbestaande moet worden gehouden, wanneer en voor zover een uitdrukkelijke wetsbepaling de intrekking toelaat, of, bij ontstentenis van enige wetsbepaling, enkel op rechtmatigheidsgronden, binnen de termijn bepaald voor het instellen van een annulatieberoep bij de Raad van State en, wanneer een ontvankelijk annulatieberoep is ingesteld, tot de sluiting van de debatten; Overwegende dat door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bekkevoort een beroep tot nietigverklaring tegen de ingetrokken bouwvergunning is ingesteld (A. 54.355), beroep waarnaar in het thans bestreden intrekkingsbesluit wordt verwezen; dat op het ogenblik dat het thans bestreden intrekkingsbesluit werd genomen, de debatten in het beroep tegen de bouwvergunning nog niet gesloten waren; dat in het bestreden intrekkingsbesluit uitdrukkelijk wordt verwezen naar de in dat beroep aangevoerde onwettigheid van het ministerieel besluit van 8 september 1993 en naar het verslag ter zake van het bevoegde lid van het Auditoraat; dat derhalve het bestreden intrekkingsbesluit is genomen op grond van een rechtmatigheidsbezwaar dat werd aangevoerd in het raam van een hangend annulatieberoep gericht tegen het ingetrokken besluit; dat ter zake X-11.037-8/12 niet is vereist dat dit rechtmatigheidsbezwaar "nieuw" is in die zin dat het een "nieuw en nog ongekend" argument zou moeten betreffen, daargelaten de vraag of een intrekking hangende een geding niet kan geschieden op grond van de overtreding van een regel van openbare orde zoals te dezen het geval is; dat tenslotte, om een onregelmatige administratieve beslissing te kunnen intrekken, niet is uitgesloten dat de onregelmatigheid aan de overheid zelf te wijten is, eens deze onregelmatigheid als een ontvankelijk annulatiemiddel wordt aangevoerd; dat voor het overige de argumentatie die de verzoekende partij in de laatste memorie ontwikkelt, en die betrekking heeft op de regelmatigheid van het annulatieberoep in de zaak A. 54.355 en op het al dan niet regelmatig karakter van het ingetrokken besluit, reeds nuttig had kunnen worden aangevoerd in eerdere procedurestukken en derhalve niet ontvankelijk is; dat het tweede middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de materiële motiveringsplicht; dat zij ter zake betoogt wat volgt : "Het bestreden Ministerieel Besluit van 7 mei 2002 citeert in het overwegend gedeelte het verzoekschrift van 4 november 1993, ingediend door de gemeente BEKKEVOORT tegen het Ministerieel Besluit van 8 september 1993. Vervolgens citeert het bestreden besluit het Auditoraatsverslag van 11 mei 2001. De twee laatste paragrafen van het motiverend gedeelte van het besluit bevatten eigen argumentatie : 'Overwegende dat in het ministerieel besluit van 8 september 1993 de vergunning werd gegeven onder meer omdat ten opzichte van het door de Raad van State beoordeelde plan, dat slechts een aanplanting ten noorden, noordwesten en zuidwesten van het gebouw voorzag, een veel ruimer en volledig rondom het gebouw gaand groenscherm wordt voorzien, dat na enkele jaren, wanneer alle door de bestendige deputatie voorgestelde bomen en struiken zijn volgroeid, het gebouw zal omgeven zijn door een groenscherm dat op een afdoende wijze een degelijke inkleding in het betrokken landschap zal bewerkstelligen, dat aldus kan besloten worden dat uit landschappelijk oogpunt de goede ordening van de plaats niet in het gedrang komt, dat om deze reden de aanvraag voor vergunning vatbaar is.' Het dient nogmaals opgemerkt te worden dat na de woorden 'de vergunning werd gegeven', alle werkwoorden in de tegenwoordige tijd gebruikt worden, zodat hieruit dient te worden afgeleid dat geen andere inzichten terzake werden bekomen. Vervolgens : 'Overwegende dat gelet op het auditoraatsverslag dat impliceert dat in het arrest van 5 juni 1990 duidelijk werd gesteld dat bewust gebouw niet past in het open landschap en dat dit probleem niet op te lossen is door het plaatsen van een groenscherm, het ministerieel besluit van 8 september 1993 van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en X-11.037-9/12 Binnenlandse Aangelegenheden wordt ingetrokken en de aanvraag aan een nieuw onderzoek ten gronde zal worden onderworpen, waarbij uit een nieuwe afweging van de zaak moet blijken of de inwilliging van de zaak kan stand houden, maar dan aangevuld wat de motivatie betreft, of daarentegen, gelet op de lopende procedure of op inmiddels gewijzigde omstandigheden, een andere beslissing verantwoord is.' Uit deze laatste paragraaf blijkt dat het Ministerieel Besluit tot intrekking nagenoeg enkel gebaseerd werd op de overweging 'gelet op het auditoraatsverslag'. Een Auditoraatsverslag heeft een adviserende functie naar de Raad toe. Nadien hebben partijen nog de mogelijkheid hun argumentatie uiteen te zetten in de laatste memories, alsook tijdens de pleidooien. Het verslag van de Auditeur geeft dan ook geen garantie dat de Raad van State in dezelfde zin een arrest zal vellen. Bovendien kan men moeilijk voorhouden dat men door het tussengekomen Auditoraatsverslag tot andere inzichten zou zijn gekomen, daar waar dit verslag reeds een jaar eerder werd opgesteld, namelijk op 11 mei 2001, en waar in het besluit zelf nog lijkt te worden besloten dat de goede ordening van de plaats niet in het gedrang komt, hetgeen beschouwd dient te worden als een kennelijke tegenspraak in de motieven. Er dient dan ook te worden op gewezen dat van het bestuur toch een betere staving mag verwacht worden, wanneer een beslissing na maar liefst 9 jaar wordt ingetrokken. Uit het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het niet naar redelijkheid kan worden verantwoord dat voormeld besluit wordt ingetrokken 'gelet op het auditoraatsverslag'. Ten slotte kan worden herhaald dat verzoekster meent dat het gezag van gewijsde van het arrest van Uw Raad van 5 juni 1990 niet geschonden werd door het Ministerieel besluit van 8 september 1993, zodat de bestreden intrekkingsbeslissing gegrond werd op een onjuiste voorstelling van de feiten, discussie waarover enkel Uw Raad zal mogen oordelen. (...)"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de bestreden beslissing steunt op een pertinente en coherente motivering die zowel in feite als in rechte voldoende draagkrachtig is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord dupliceert wat volgt : "De motivering van het besluit is niet afdoende, in die zin dat nergens wordt gesteld dat men dezelfde mening is toegedaan zoals gesteld in het Auditoraatsverslag. De tegenstrijdigheid in de motieven doet het tegendeel zelfs vermoeden, waar de redenen van ruimtelijke ordening tot toekenning van de vergunning in de tegenwoordige werkwoordvorm worden benadrukt. Tot slot dient de aandacht te worden gevestigd op het feit d(
- at)het voorliggend bestreden besluit zeer vergaande gevolgen heeft. Door de tussenkomst van het MB werden immers de rechten voortkomend uit een bouwvergunning dewelke reeds 9 jaar effectief verleend werd en uitgevoerd werd, aan verzoekster ontnomen. Dergelijke beslissing vergt zonder twijfel een grondige ondersteuning door degelijke motieven, hetgeen in casu niet het geval is."; X-11.037-10/12 Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie niets wezenlijks aan het voorgaande toevoegt; Overwegende dat van een schending van de formele motiveringsplicht moeilijk sprake kan zijn daar uit de hiervoor weergegeven motivering blijkt dat in het betwiste intrekkingsbesluit wel degelijk motieven worden aangevoerd; dat de verzoekende partij dat als dusdanig ook niet betwist in haar verzoekschrift; dat de kritiek ter zake aangevoerd in de memorie van wederantwoord reeds nuttig had kunnen worden aangevoerd in het verzoekschrift en derhalve niet- ontvankelijk is; dat wat de deugdelijkheid van de in het bestreden besluit aangedragen motieven betreft, uit het ongegrond bevinden van het eerste middel volgt dat de kritiek ter zake geuit in het derde middel ongegrond is; dat het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-11.037-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. G. DEBERSAQUES, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier, De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. G. DEBERSAQUES. X-11.037-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div