id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.473 Rolnummer: A. 128133/VII-28133 Zaak: Arrest 132473 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:14 Fiche Arrest nr 132.473 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.473 van 16 juni 2004 in de zaak A. 128.133/VII-28.133 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van beweerde Afghaanse nationaliteit, op 16 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 mei 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-28.133-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 14 mei 2002 en verklaarde zich op 15 mei 2002 vluchteling. 1.
- Op 21 mei 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 september 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten, beweert afkomstig te zijn uit Tchingai en geboren te zijn in
- U beweert dat uw grootvader, uw vader en uw broer vermoord zijn door personen van Pachaganafkomst omwille van een conflict over land. Uw moeder zou u hebben geadviseerd te vertrekken. U verklaarde zich vluchteling op 15 mei
- Aan uw identiteit en nationaliteit kan echter op geen enkele manier geloof worden gehecht: niet alleen beschikt u over geen enkel identiteitsdocument, maar ook uw verklaringen doen in sterke mate twijfelen aan uw beweerde Afghaanse nationaliteit. Zo is uw kennis van de Afghaanse kalender ondermaats. U beantwoordt de vraag naar de namen van de maanden in de zomer eerst met drie foute namen (Saur, Jawza, Hamal) en slechts één correcte naam (Sarathan), u herneemt dan uw antwoord maar geeft nog steeds één foutieve naam (Jawza) op. U geeft geen enkele correcte naam op van de lentemaanden (Dalwa, Hut, Djedi). Op de vraag naar de namen van de maanden van de winter en de herfst geeft u geen namen van maanden op, doch cijfers. Voor de herfst antwoordt u eerst de zesde en de zevende, om dan meteen weer bij te stellen met vijfde en zesde. Wanneer u gevraagd wordt om de maanden niet in cijfers te omschrijven maar om ze te benoemen, antwoordt u met slechts twee zomermaanden (Assad, Sunbullah) voor de herfst, voor de winter voegt u er een herfstmaand (Qaws) aan toe. Op de vraag naar de naam van het seizoen volgend op de zomer geeft u eerst een foutief antwoord (Djemai). Hoogst eigenaardig geeft u voor de seizoensnamen slechts drie namen op in het Pashtoe, een vierde drukt u uit in de andere officiële landstaal. U beweert dat de namen van de maanden die u opgeeft Pashtoe zijn maar dit is niet correct. U kan de namen van de maanden niet in het Pashtoe benoemen, hoewel u beweert dat dit uw moedertaal is (Gehoorverslag CGVS pg. 4-5). Het is ongerijmd om te stellen dat u zich de namen van de maanden soms niet kan herinneren omdat u niet naar school ging, alsof deze kennis enkel op school onderwezen zou worden VII-28.133-2/5 (Gehoorverslag GGVS pg. 5). Als lid van een landbouwersgezin zou u integendeel zeer goed op de hoogte moeten zijn van deze basiskennis. Het feit dat u de in uw beweerde vaderland gangbare kalender slechts zeer gebrekkig kan hanteren doet sterke twijfels rijzen over uw Afghaanse afkomst. Op de vraag naar de andere officiële taal behalve Pashtoe geeft u twee namen op; één van deze namen (Goejrai) is verkeerd want bestaat niet in Afghanistan. Evenzo stelt u verkeerdelijk dat de Parsikhwan en Pokhtane de etnieën zijn in uw land, hetgeen uitermate onvolledig is en de eerste naam is niet de naam van een etnie maar betekent enkel 'de Perzisch-sprekenden'. De bevolkingsgroep die het shia-geloof aanhangt kan u niet benoemen wat zeer bevreemdend is in de Afghaanse context (Gehoorverslag CGVS pg. 6-7). Een dergelijk manifest gebrek aan essentiële kennis van het land waarin u heel uw leven zou hebben gewoond maakt uw bewering uit Afghanistan afkomstig te zijn zeer ongeloofwaardig. Bovendien is er sprake van tegenstrijdigheden in uw opeenvolgende verklaringen, wat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas verder aantast. U verklaart bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat u landbouwer was. Voor het Commissariaat-generaal bevestigt u dit eerst en even later ontkent u op het land gewerkt te hebben en stelt u plots dat het enkel uw vader en broer waren die het land bewerkten en dat u hen thee en voedsel bracht (Gehoorverslag CGVS pg. 4, 10). Verder is het ongeloofwaardig dat u niet in staat zou zijn om exact aan te geven over hoeveel land uw familie eigenlijk beschikte, a fortiori gezien de context waartegen u uw vluchtrelaas plaatst met name het conflict omwille van land (Gehoorverslag CGVS pg. 10). Het argument dat u niet naar school ging en het daarom niet weet houdt geen steek, ook ongeletterde boeren weten zeer goed over hoeveel land zij beschikken. Hogervermelde lacunes, tegenstrijdigheden en ongerijmdheden stellen uw relaas in een bedrieglijk daglicht. In de mate dat geen geloof kan gehecht worden aan uw Afghaanse nationaliteit, kan geen geloof worden gehecht aan uw vluchtrelaas.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij de schending inroept van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953 in combinatie met artikel 52 wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van het recht van verdediging; dat de verzoekende partij de in de bestreden beslissing vastgestelde leemten en tegenstrijdigheden wijt aan een gebrekkige vertaling van haar verklaringen en aan haar lage scholingsgraad; dat zij stelt dat haar asielrelaas niet manifest bedrieglijk is en haar aanvraag derhalve daarom alleen niet kon worden verworpen in de ontvankelijkheidsfase; dat zij daaraan toevoegt in haar memorie van wederantwoord dat de nota’s betreffende haar verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onnauwkeurig zijn en door haar niet werden ondertekend; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te VII-28.133-3/5 bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband, het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag onder meer kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene aangetast zijn door tegenstrijdigheden, verward zijn of onsamenhangend of in strijd zijn met algemeen bekende feiten; dat de bewering van de verzoekende partij dat enkel tot de bedrieglijkheid van een asielaanvraag kan worden besloten wanneer deze “manifest” is niet kan worden bijgetreden; dat de verzoekende partij, die het verhoorverslag op de Dienst Vreemdelingenzaken zonder opmerkingen heeft ondertekend, wel beweert maar niet bewijst dat er vertalingsmoeilijkheden zouden zijn geweest; dat zij daarvan trouwens evenmin gewag heeft gemaakt in de procedure van dringend beroep; dat zij evenmin gewag heeft gemaakt van andere beweerde onregelmatigheden bij het verhoor; dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat niet wordt aangetoond, maar enkel wordt geïnsinueerd, dat de nota’s van het verhoor bij de commissaris-generaal niet zouden weergeven wat de verzoekende partij heeft verklaard; VII-28.133-4/5
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.133-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.473 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div