id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.475 Rolnummer: A. 121719/VII-26760 Zaak: Arrest 132475 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:14 Fiche Arrest nr 132.475 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.475 van 16 juni 2004 in de zaak A. 121.719/VII-26.760 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat 147 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Kazakse nationaliteit, op 21 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 juni 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; VII-26.760-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat F. LANDUYT, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 27 juli 2000 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 29 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 23 april 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U, een Kazachs staatsburger van Russische origine, verklaart tijdens uw verhoor in dringend beroep dat uw moeder B. L. midden de jaren negentig ontslagen werd omdat zij van Russische origine is. In de lente van 2000 vroeg de baas van uw zus, een Kazach, om met haar te trouwen. Uw zus weigerde hier op in te gaan en verliet het café waar zij werkte. Vervolgens werden jullie lastig gevallen door die cafébaas. Volgens uw verklaringen voert Kazachstan een beleid dat tegen de Russen is gericht. De Russen worden door de Kazachen aangevallen op straat. Daarom begon u vanaf 1998 of 1999 de LAD-partij te steunen. U verzamelde handtekeningen en verspreidde Russische kranten. Volgens uw verklaringen ging u LAD ondersteunen omdat er in Kazachstan een politiek gevoerd wordt tegen de Russische bevolking. Eind 1999 nam u deel aan betoging die werd georganiseerd door de LAD-partij. Tijdens deze betoging werden u, uw moeder en enkele andere personen opgepakt door de politie. Nadat jullie ondervraagd werden, mochten jullie gaan van de politie. Nadien, toen u in de sporthal aanwezig was, werd u meegenomen door een politieagent. U werd overgebracht naar VII-26.760-2/5 een politiebureau waar u werd mishandeld. De volgende dag bracht men u over naar het ziekenhuis. Daarna is uw moeder naar de politie geweest, maar zij werd daar weggestuurd. In de lente van 2000, toen u terugkeerde naar de sporthal, werd u geslagen door een groep Kazachen die gekleed waren in militaire uniformen. U werd opnieuw opgenomen in het ziekenhuis. Op 3 juni 2000 werd uw zus Svetlana geslagen door enkele Kazachen. Ook zij werd opgenomen in het ziekenhuis. Daarnaast hielden u en uw moeder een petitie voor veertien Russen die pleiten voor de Russische autonomie in Oost-Kazachstan. Deze veertien Russen werden door de Kazachse autoriteiten vastgehouden. Begin juli 2000 hadden jullie vijfentwintig duizend handtekeningen verzameld. Nadien lieten jullie deze handtekeningen registreren. Enkele dagen later werd bij jullie thuis een huiszoeking gehouden. De politie nam de handtekeningen die jullie verzameld hadden in beslag en jullie documentatie over Russen in Kazachstan. Vervolgens kregen jullie verschillende dreigtelefoons. Hierop besloten jullie, nadat jullie een oproepingsbrief hadden gekregen van de politie, Kazachstan te verlaten. Op 19 juli 2000 verlieten u en uw moeder jullie land. U reisde in de richting van België waar u op 27 juli 2000 de status van vluchteling aanvroeg. U legde in het kader van uw asielaanvraag volgende documenten voor: uw rijbewijs, twee medische attesten, een bewijs van de gezondheidsdienst dat uw zus Svetlana werd geslagen en twee oproepingsbrieven. U verklaart zowel tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken, als tijdens uw verhoor in dringend beroep dat u en uw familie in Kazachstan werden vervolgd omwille van jullie Russische origine (CGVS, p.2 en DVZ, vraag 41). U verklaart dat uw zus in juni 2000 werd geslagen door enkele Kazachen (CGVS, p.6) en dat ze problemen had met haar Kazachse baas toen zij in de lente van 2000 in een café werkte (CGVS, p.3). U werd in de lente van 2000 door enkele mannen geslagen op weg naar de sporthal (CGVS, p.6). U stelt bovendien dat Kazachstan een politiek voert tegen de Russen, dat de Russen op straat worden aangevallen en dat de politie Russen geen bescherming beidt (CGVS, p.4). Deze door u aangebrachte vervolging strookt echter niet met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Cedoca, The Situation of the Slavic Minority in Kazakhstan, february 2002). Uit de geciteerde informaie blijkt dat de Russische bevolkingsgroep niet wordt vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat de hogere Kazachse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning en dat eventuele bescherming u niet zou geweigerd worden omwille van uw etnische origine. Bijgevolg kan worden geconcludeerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat u mogelijkerwijze op grond van uw etnische origine actueel wordt vervolgd in de zin van de Conventie van Genève van
- Daarnaast steunt u uw asielaanvraag op problemen die u kende omwille van het feit dat u sympathisant was van de beweging LAD. U beweert tijdens uw verhoor in dringend beroep dat u sympathisant bent geworden van LAD omdat de Kazachse bevolking tegen de Russen was (CGVS, p.4). Gezien uit bovenstaande duidelijk blijkt dat de Russische bevolking geen noemenswaardige problemen heeft in Kazachstan kan er nog moeilijk geloof worden gehecht aan uw verklaringen als zou u omwille van de vervolging van de Russen in Kazachstan sympathisant van LAD zijn geworden. Deze vaststellingen zijn niet van die aard om de geloofswaarde van uw asielaanvraag te onderbouwen en kan er worden besloten dat u hiermee bedrieglijke verklaringen hebt afgelegd. Gezien het voorafgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat ze de geloofwaardigheid van uw verklaringen zouden kunnen herstellen.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, VII-26.760-3/5 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting; dat de verzoekende partij aanvoert dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing in hoofdzaak steunde op de informatie waarover hij beschikt in plaats van haar asielaanvraag individueel te benaderen, zoals wordt voorgeschreven in de proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties; dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris-generaal hierdoor een manifeste beoordelingsfout beging, zijn beslissing niet afdoende motiveerde, onzorgvuldig te werk ging en zich niet voldoende informeerde alvorens zijn beslissing te nemen; dat de verzoekende partij tevens verschillende mensenrechtenrapporten vermeldt waaruit haar vrees voor vervolging en gebrek aan bescherming door de Kazakse autoriteiten duidelijk blijkt en aldus de informatie van het Commissariaat-generaal weerleggen; dat zij tenslotte betoogt dat de commissaris- generaal niet motiveerde waarom hij de bewijsstukken die door de verzoekende partij werden neergelegd niet heeft weerhouden als bewijs voor haar vrees voor vervolging; Overwegende dat rapporten en documenten met betrekking tot de algemene toestand in het land van herkomst geen aanduiding vormen van een vervolging in de zin van de Conventie van Genève voor zover door de verzoekende partij niet met concrete elementen wordt aangetoond dat zij persoonlijk wordt geviseerd; dat de genoemde proceduregids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen bij de Verenigde Naties geen bindend juridisch karakter heeft, maar enkel dient als aanbeveling; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij besluit omdat haar verklaringen niet in overeenstemming blijken te zijn met de documentatie waarover hij beschikt en die afkomstig is van Cedoca ( het missierapport van de immigratieambtenaar van het ministerie van Binnenlandse zaken); dat dient te worden aangestipt dat al deze bronnen tot dezelfde conclusie komen, namelijk dat de Russische bevolkingsgroep in Kazachstan niet wordt vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie en dat blijkt dat de hogere Kazakse autoriteiten gevoelig zijn voor elke vorm van etnisch geweld en spanning; dat de verzoekende partij niet aantoont dat haar persoonlijke situatie afwijkt van de bevindingen van het bovenvermeld rapport; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de beslissing van de commissaris-generaal kennelijk onredelijk zou zijn, op feitelijk onjuiste motieven zou berusten of de wet zou schenden;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-26.760-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.760-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.475 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div