← België

Arrest 132477 - - 16/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.477 Rolnummer: A. 121105/VII-26628 Zaak: Arrest 132477 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-07-04 07:14 Fiche Arrest nr 132.477 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.477 van 16 juni 2004 in de zaak A. 121.105/VII-26.628 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat R. QUINTELIER, kantoor houdende te 2140 ANTWERPEN, Plantin&Moretuslei 141 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Moldavische nationaliteit, op 16 mei 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 april 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 24 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; VII-26.628-1/4 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat R. QUINTELIER, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 11 september 2000 en verklaarde zich op 14 september 2000 vluchteling. 1.
  3. Op 21 maart 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 29 april 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag onontvankelijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. De Dienst Vreemdelingenzaken krijgt een kopie van deze beslissing. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping noch aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 19 februari 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw Vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). VII-26.628-2/4 U kan tegen deze beslissing een beroep tot nietigverklaring en een beroep tot schorsing, eventueel bij uiterst dringende noodzakelijkheid, instellen voor de afdeling Administratie van de Raad van State. Deze beroepen zijn niet opschortend.". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  5. Overwegende dat in het eerste middel de verzoekende partij de schending inroept van de beginselen van behoorlijk bestuur, omdat het bevel om het grondgebied te verlaten genomen werd zonder “enig persoonlijk contact met de betrokkene”, de bestreden beslissing in het Nederlands werd betekend aan de verzoekende partij, die deze taal niet spreekt en de bestreden beslissing te algemeen is vermits de verzoekende partij niet de kans heeft gekregen haar persoonlijke situatie te benadrukken; Overwegende dat na de bestreden beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen nieuw bevel werd gegeven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat het beroep enkel gericht is tegen de beslissing van de commissaris-generaal, zodat het onderdeel van het middel dat betrekking heeft op voornoemd bevel niet ontvankelijk is; Overwegende dat de eventuele gebrekkige wijze waarop te dezen de bestreden beslissing zou zijn betekend niet de wettigheid ervan kan aantasten; Overwegende dat de bewering dat de verzoekende partij niet de kans heeft gehad haar persoonlijke situatie “te benadrukken” feitelijke grondslag mist, vermits de verzoekende partij geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping om te worden gehoord die haar op regelmatige wijze werd toegezonden; dat de verzoekende partij bijzonder slecht geplaatst is om te klagen over een gevolgtrekking die werd afgeleid uit het feit dat zij een haar geboden procedurele mogelijkheid niet heeft benut; 2.
  6. Overwegende dat in een tweede middel de verzoekende partij de schending inroept van de formele motiveringsplicht, zoals deze voortvloeit uit de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij de bestreden beslissing verwijt haar “specifiek geval” niet te hebben benaderd; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; VII-26.628-3/4 Overwegende dat, zo ook de materiële motiveringsplicht geschonden is geacht, de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal, en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat reeds hierboven werd gezegd dat de verzoekende partij de haar geboden kans niet heeft benut om tijdens het verhoor, waarvoor zij deugdelijk werd opgeroepen, haar “specifiek geval” toe te lichten;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.628-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.477 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.