id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.490 Rolnummer: A. 120378/VII-26474 Zaak: Arrest 132490 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:14 Fiche Arrest nr 132.490 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.490 van 16 juni 2004 in de zaak A. 120.378/VII-26.474 In zake :
- XXX 2.XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Kosovaarse afkomst, op 26 april 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 maart 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 7 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; VII-26.474-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 4 december 1999 en verklaarden zich op 8 december 1999 vluchteling. 1.
- Op 21 juni 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 maart 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond waren en bevestigde hij de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "(...) Volgens uw verklaringen bent u een Roma-zigeuner afkomstig uit Mitrovica (provincie Kosovo) en hebt u de Joegoslavische nationaliteit. Op 14 april 1999 zou u, evenals tal van andere Roma, door Servische militairen uit uw woning verdreven zijn. U zou eerst naar een busstation en daarop naar de sporthal van Mitrovica gebracht zijn, en na 24 uur zijn vrijgelaten. Op 12 of 13 juni zouden 200 of 300 leden van het etnisch Albanees "Kosovaarse bevrijdingsleger" (UÇK) uw wijk zijn binnengekomen. Ze zouden iedereen bevolen hebben te vertrekken, en u ook om geld gevraagd hebben. U zou hen niets hebben gegeven. U zou niet direct vertrokken zijn en de daaropvolgende dagen zouden de UÇK leden teruggekomen zijn. Na het vierde bezoek zou u samen met uw gezin gevlucht zijn naar Kraljevo (Servië). Ongeveer een week na uw vertrek VII-26.474-2/5 zou u alleen naar Mitrovica teruggekeerd zijn om naar uw woning te gaan kijken. Zowel uw woning als uw bedrijf zouden inmiddels echter in brand gestoken zijn, en u zou dan ook naar Kraljevo teruggegaan zijn. In Kraljevo zou u met uw gezin in een park hebben geslapen, en na (minstens) 15 of 20 dagen zouden jullie naar Podgorica (Montenegro) vertrokken zijn omdat jullie in Kraljevo door Servische burgers uitgescholden werden. In Podgorica zouden jullie (minstens) 10 of 15 dagen in een vluchtelingenkamp verbleven hebben, maar omwille van het gebrek aan voedsel en de slechte hygiënische omstandigheden zouden jullie vertrokken zijn naar Bar (Montenegro). Daar zou u gedurende (op zijn minst) 20 of 25 dagen een kamer gehuurd hebben, alvorens andere zigeuners naar Italië te volgen. Onderweg zou u echter opgepakt zijn door de Italiaanse kustwacht en zou u meer dan anderhalve maand in een vluchtelingenkamp te Brindisi verbleven hebben. U zou van de Italiaanse autoriteiten een tijdelijk verblijfsdocument hebben gekregen, maar in Italië evenwel geen asiel hebben aangevraagd. U zou beslist hebben om verder te reizen naar België en u zou hier eind november zijn aangekomen. Op 8 december 1999 hebt u in België asiel aangevraagd. U bent in het bezit van een Joegoslavische identiteitskaart, een huwelijksakte, een geboorteakte, geboorteaktes van uw kinderen, een medisch boekje, een catalogus en bestelbonnen van uw bedrijf in Mitrovica, documenten in verband met de oprichting en registratie van dit bedrijf evenals foto's van uw vernielde eigendommen en straat in Kosovo. Vooreerst moet worden vastgesteld dat u verklaarde de laatste vijf maanden vóór uw vertrek naar België achtereenvolgens in Servië, Montenegro en Italië te hebben verbleven maar geen concrete feiten of elementen hebt aangehaald waaruit blijkt dat u deze plaatsen respectievelijk hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit uw verklaringen blijkt immers dat u in Servië en Montenegro geen noemenswaardige problemen hebt gekend met de plaatselijke bevolking, noch met de lokale of hogere autoriteiten. Zo kon u te Bar zonder enige problemen een kamer huren, en kan het gegeven als zou u in Kraljevo door Servische burgers zijn uitgescholden bezwaarlijk weerhouden worden als een systematische en persoonsgerichte vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. De slechte hygiëne en het gebrek aan voedsel in het vluchtelingenkamp te Podgorica zijn problemen van louter socio-economische aard die als dusdanig niet ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Daarenboven probeerde u nooit asiel aan te vragen in de Schengenlidstaat Italië, alwaar u desalniettemin een tijdelijke verblijfsvergunning hebt genoten, en niet minder dan anderhalve maand hebt verbleven. De door u neergelegde documenten en foto's aangaande uw voormalige (inmiddels vernielde) bezittingen in Kosovo, zijn ten slofte niet van aard om bovenstaande vaststellingen te doen wijzigen.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: "(...) Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag duidelijk steunt op de motieven die door uw echtgenoot, Skender Dibrani, werden uiteengezet in het kader van het door deze laatste ingediende dringend beroep heb ik echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Bijgevolg kan ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.". Dit zijn de bestreden beslissingen. 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52, § 1, 4/ en 62, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend VII-26.474-3/5 te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 149 van de Grondwet; dat de verzoekende partijen in essentie betwisten dat het motief dat zij de laatste vijf maanden voor hun vertrek naar België in Montenegro hebben verbleven en geen concrete elementen konden aanhalen waaruit bleek dat zij aldaar een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève konden koesteren een wettelijk motief is om de asielaanvraag af te wijzen; dat zij stellen dat zij hun land nooit hebben verlaten vermits Montenegro een deel is van Joegoslavië; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen blijkt dat de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard, niet omdat de verzoekende partijen langer dan drie maanden in een ander land hebben verbleven (art. 52, 1, 4/ van de Vreemdelingenwet) maar omdat die aanvragen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève; dat de verzoekende partijen voorts niet aantonen dat het oordeel van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zou zijn; dat de bestreden beslissingen formeel met redenen zijn omkleed; dat tenslotte artikel 149 van de Grondwet alleen van toepassing is op vonnissen en arresten en niet, zoals te dezen, op beslissingen van het actief bestuur; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het gelijkheidsbeginsel; dat de verzoekende partijen stellen dat de asielaanvragen van een deel van hun familie wel en de hunne niet, ontvankelijk werden verklaard; Overwegende dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de asielaanvragen waarover sprake volledig identiek zouden zijn geweest aan de hunnen; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-26.474-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.474-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.490 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.