id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.493 Rolnummer: A. 107188/VII-26253 Zaak: Arrest 132493 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:14 Fiche Arrest nr 132.493 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.493 van 16 juni 2004 in de zaak A. 107.188/VII-26.253 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat V. PUZAJ, kantoor houdende te 4000 LUIK, rue du Général Bertrand 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Mongoolse nationaliteit, op 9 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het arrest nr. 109.981 van 2 september 2002 waarin de debatten worden heropend omdat bleek dat de verzoekende partij tijdig een memorie van wederantwoord indiende; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-26.253-1/5 Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. VERLEYEN, die, loco advocaat V. PUZAJ, verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat C. DECORDIER, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 18 oktober 1999 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 22 november 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 20 juni 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt: "Aan betrokkene werd op 6 april 2001 op zijn gekozen woonplaats een oproeping aangetekend verstuurd om de motieven voor zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het Commissariaat-generaal. Aangezien betrokkene zonder geldige reden binnen de maand na de verzending ervan geen gevolg heeft gegeven aan de vraag om inlichtingen, bevestigt de Commissaris-generaal overeenkomstig artikel 52, par. 2, al. 4 van de Vreemdelingenwet, de weigering van verblijf besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 22 november
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.". Dit is de bestreden beslissing. VII-26.253-2/5
- Overwegende dat de Raad van State alleen acht kan slaan op de middelen die werden uiteengezet in het verzoekschrift en niet op de middelen die de verzoekende partij daaraan in haar memorie van wederantwoord toevoegt en die de openbare orde niet raken; 3.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van het recht van verdediging en van het beginsel van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij kritiek formuleert op het verloop van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en stelt dat het voor haar onmogelijk was gevolg te geven aan de oproeping om te verschijnen bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (hierna: de commissaris-generaal); Overwegende dat het recht van verdediging als dusdanig niet van toepassing is op de administratieve procedure zoals voorzien door de artikelen 52 en 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de kritiek op de in eerste aanleg genomen beslissing niet ter zake dienend is; dat de verzoekende partij het verhoorverslag zonder opmerkingen ondertekende en in haar beroepsschrift geen grieven hieromtrent liet gelden; dat de verzoekende partij zegt dat zij geen gevolg kon geven aan de oproeping om te verschijnen bij de commissaris-generaal; dat zij tot staving daarvan een doktersattest voorlegde; dat dit attest echter stelt dat de verzoekende partij de woning mocht verlaten; dat zij dit attest derhalve niet kan inroepen om overmacht te staven; dat de verzoekende partij trouwens evenmin gevolg gaf aan het verzoek tot inlichtingen; dat het middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 52 van de Vreemdelingenwet, van artikel 14 van de universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948, van de artikelen 1 en 33 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), van artikel 3 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (E.V.R.M.) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij tracht aan te tonen dat de bestreden beslissing gebrekkig gemotiveerd is en dat zij voldoet an de definitie van vluchteling, zoals voorzien door de Conventie van Genève; Overwegende dat de universele verklaring van de Rechten van de Mens van 10 december 1948 een beginselverklaring is die geen rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde; dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 VII-26.253-3/5 van de Vreemdelingenwet; dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat de verzoekende partij ook een schending van artikel 33 van voornoemd Verdrag inroept; dat, zonder dat moet worden nagegaan of deze verdragsbepaling rechtstreekse werking heeft en of zij te dezen van toepassing is, moet worden gesteld dat daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat de overheden die over de asielaanvraag moeten oordelen, niet zouden mogen beslissen dat die aanvraag niet ontvankelijk of ongegrond is; dat het verbod tot uitzetting of terugleiding enkel slaat op een uitvoerende beslissing op grond waarvan de vreemdeling die zich vluchteling heeft verklaard verplicht zou worden terug naar zijn land van herkomst te gaan, dat de commissaris-generaal terzake slechts een advies geeft overeenkomstig artikel 63/5 in fine van de Vreemdelingenwet; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991, tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; dat, zo kan worden aangenomen dat de verzoekende partij ook de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij een gedeelte van de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden minimaliseert of nuanceert, maar deze niet tegenspreekt; dat die tegenstrijdigheden steun vinden in het administratief dossier, meer bepaald in de door de verzoekende partij afgelegde verklaringen; dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat, in het licht van het geheel van de motieven van de bestreden beslissing, de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing zou hebben genomen die steunt op onjuiste feiten of die kennelijk onredelijk is; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat vaststellen; dat dit in de eerste plaats zaak is van de administratieve overheid; dat de Raad enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat de bestreden beslissing naar behoren formeel is gemotiveerd, nu zij de feitelijke en juridische elementen aangeeft waarop de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich te dezen heeft gesteund om de asielaanvraag bedrieglijk te verklaren; dat de verzoekende partij zoals reeds gezegd niet aantoont dat de bestreden beslissing steunt op onjuiste feitelijke gegevens of kennelijk onredelijk zou zijn; dat de verzoekende partij de door haar aangevoerde schending van artikel 3 van het E.V.R.M. ontwikkelt op basis van dezelfde feiten als haar asielrelaas; dat, nu uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij op wettige wijze als niet-ontvankelijk VII-26.253-4/5 werd beschouwd, er niet kan worden besloten tot een schending van artikel 3 van het E.V.R.M;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.253-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.493 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div