id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.494 Rolnummer: A. 117171/VII-25870 Zaak: Arrest 132494 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:15 Fiche Arrest nr 132.494 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.494 van 16 juni 2004 in de zaak A. 117.171/VII-25.870 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Opperstraat 95 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 12 februari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 januari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 4 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; VII-25.870-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 1 februari 2000 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
- Op 2 oktober 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 januari 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaarde geboren en getogen te zijn in Balcad en te behoren tot de Shanshi-clan, subclan Morshe. De Abgalleden die de regio controleren, wensten uw vader in te lijven bij hun militie maar hij weigerde. Sinds 1992 kwamen ze regelmatig langs net als de clanoudsten van de Hawiye-clan en na het in ontvangst nemen van een som geld, keerden ze terug. In 1999 werd uw vader ervan verdacht een eigen rebellengroep op te richten met clangenoten waarna hij op 25 november 1999 werd vermoord. Vervolgens vielen een aantal mannen - dezelfde die uw vader hadden vermoord - uw woonst binnen. Het hele huis werd doorzocht en uw moeder werd gearresteerd. U slaagde erin samen met uw nonkel te vluchten. Na een paar uur werd uw moeder vrijgelaten. Ze was gewond en ze zei dat ze verkracht geweest was. Uw moeder vond het veiliger voor u het land te verlaten. Op 5 januari 2000 reisde u naar Addis Abeba (Ethiopië) samen met uw nonkel. Te Addis Abeba nam u op 31 januari 2000 het vliegtuig met bestemming Senegal vanwaar u verder vloog naar Italië. VII-25.870-2/5 Vervolgens reisde u per trein door naar België. Op 1 februari 2000 heeft u zich aangemeld op de Dienst Vreemdelingenzaken en vroeg u asiel aan. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat u het geenszins aannemelijk maakt afkomstig te zijn uit Balcad en te behoren tot de Shanshi-clan. Verder kan ernstig getwijfeld worden aan uw vermeende Somalische nationaliteit. Zo verklaarde u geheel verkeerdelijk dat uw vermeende woonplaats Balcad zich in de Jowharprovincie situeert, wat hoe dan ook een onbestaande provincie is (verhoorverslag CGVS, p.1); dat Afgooye een Somalische provincie zou zijn en nadat u met een voorbeeld werd duidelijk gemaakt wat met 'provincie' bedoeld werd, antwoordde u er geen enkele te kunnen noemen (verhoorverslag CGVS, p.1). U kende slechts vier grote steden in Somalië (verhoorverslag CGVS, p.11). De door u vernoemde dorpen kunnen bezwaarlijk omliggende dorpen van Balcad worden genoemd, aangezien zij zich op geruime afstand van Balcad situeren (verhoorverslag CGVS, p.1). De weg naar Beledweyne welke vanuit Balcad vertrekt, liet u geheel onvermeld. Buulo Burte - een door u vernoemd dorp - situeerde u verkeerdelijk op de weg naar Afgooye en de drie andere door u vernoemde dorpen situeerde u foutief op de weg naar Mogadishu (verhoorverslag CGVS, p.1). U stelde verkeerdelijk dat je langs Afgooye moet passeren alvorens Mogadishu te bereiken en in tegenstelling tot uw verklaring dat u geen enkel dorp zou passeren op de route Balcad - Jowhar, dient te worden vastgesteld dat zich verschillende dorpen situeren tussen Balcad en Jowhar (verhoorverslag CGVS, p. 11). Garas Bintow alsook Hiilweyne en Gololey - omliggende dorpen - waren u onbekend en Caliyaalo kon u niet situeren (verhoorverslag CGVS, p.2 - p.5) (zie: geografische kaarten van Somalië en de regio van Balcad). Daarenboven kende u slechts één subclan van de Hawiye-clan en meende u reeds van de Tuniclan gehoord te hebben, maar kon u hier niets méér over zeggen (verhoorverslag CGVS, p.4). U stelde verder dat de Marehan-clan voornamelijk in Gedo leeft, maar u kon geheel niet preciseren waar Gedo zich situeert (verhoorverslag CGVS, p.4). De clan van de Somalische interim-president was u onbekend (verhoorverslag CGVS, p. 10). U wist daarenboven niet wanneer de Verenigde Naties in Somalië aanwezig waren en verklaarde in contradictie met de werkelijkheid dat zij niet in Balcad gelegerd waren (verhoorverslag CGVS, p. 11) (cfr The United Nations and Somalia 1992-1996, United Nations New York, 1996). Verder verklaarde u te behoren tot de Shanshi-clan, subclan Morshe. Het was echter niet mogelijk voor u andere subclans van de Shanshi-clan te vernoemen (verhoorverslag CGVS, p.3). Daarenboven stelde u niet te weten waar de Reer Hamar-clanleden voornamelijk leven en u stelde daarenboven expliciet dat er geen enkel verband bestaat tussen de Reer Hamar-clan en uw eigen clan noch tussen uw clan en een eventuele andere Somalische clan (verhoorverslag CGVS, p.3-p.4). In tegenstelling tot uw verklaringen, blijkt uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt dat de Shanshi-clan een subclan is van de Reer Hamar-clan. Ook de Morshe-clan is volgens deze informatie een subclan van de Reer Hamar en alsdusdanig is het weinig waarschijnlijk dat de Morshe-clan een subclan zou zijn van de Shanshi. De specifieke betekenis van het begrip iskashaato in relatie met uw clan, was u onbekend (verhoorverslag CGVS, p.10) (zie: Refworld, UNHCR, 1997). Uw uiterst summiere kennis van de Somalische geografie en de lokale clans laten niet toe geloof te hechten aan uw vermeende Somalische nationaliteit. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat u doelbewust hebt getracht de Belgische autoriteiten te misleiden door uw ware clanbehoren, herkomst en nationaliteit te verhullen. Bijgevolg kan er in het geheel geen geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal en komen de motieven voor uw asielaanvraag volkomen op de helling te staan. Het gegeven dat u de Somalische taal machtig bent, doet geenszins afbreuk aan de vaststellingen betreffende uw nationaliteit aangezien deze taal ook gangbaar is in de Somalische buurlanden. U bent daarenboven niet in het bezit van enig document (zelfs geen bagage- of treinticket) dat een controle van uw reisweg mogelijk maakt. Aangezien het hier een intercontinentale vlucht betreft, getuigt dit van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit eveneens een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. Ook uw identiteit en nationaliteit kan, bij afwezigheid van geldige documenten ter zake, niet worden nagegaan. VII-25.870-3/5 Uw verzoekschrift ter instelling van een dringend beroep bevat tenslotte geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een enig middel, dat uit twee onderdelen bestaat, de schending wordt ingeroepen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953; dat in een eerste onderdeel wordt gesteld dat er te dezen sprake is van een manifeste appreciatiefout; dat de verzoekende partij uiteenzet dat zij wel degelijk valt onder het begrip “vluchteling”, zoals omschreven door de Conventie van Genève; dat in het tweede onderdeel kritiek wordt geleverd op de vaststelling van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de verzoekende partij geen elementaire kennis had van de geografische situatie en de lokale clans in haar land van herkomst; Overwegende dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat de vaststelling dat de asielaanvraag bedrieglijk was volstond om de bestreden beslissing te nemen;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de VII-25.870-4/5 tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-25.870-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.494 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div