← België

Arrest 132496 - - 16/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.496 Rolnummer: A. 127961/VII-28101 Zaak: Arrest 132496 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:15 Fiche Arrest nr 132.496 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.496 van 16 juni 2004 in de zaak A. 127.961/VII-28.101 In zake : XXX die woonplaats kiest bij advocaat K. GOVAERTS, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Beekstraat 9 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 7 oktober 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 september 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 23 juli 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het verzoek tot voortzetting van de procedure; Gelet op de beschikking van 16 oktober 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; VII-28.101-1/3 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die, loco advocaat K. GOVAERTS, verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 9 juli 2002 en verklaarde zich op 16 juli 2002 vluchteling. 1.
  3. Op 23 juli 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 24 september 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister. Dit is de bestreden beslissing;
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in haar inleidende akte het volgende uiteenzet: "dat de bestreden beslissing nietig is wegens machtsoverschrijfing, schending van de wet, nl. art. 52 van de wet van 15 december 1980 en de Conventie van Genève, de beginselen van behoorlijk bestuur en de motiveringsplicht; dat ten onrechte werd geoordeeld dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond zou zijn; dat verzoeker betwist dat hij tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd; dat verzoeker heeft aangetoond dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een vrees voor vervolging; dat de bestreden beslissing bijgevolg ook onvoldoende gemotiveerd is; dat de bestreden beslissing bovendien niet onderzocht heeft in welke mate de sikhgemeenschap in de deelstaat Punjab door de Indische autoriteiten wordt vervolgd en/of gediscrimineerd; dat aldus het beginsel van behoorlijk bestuur wordt geschonden dat bepaalt dat de overheid een volledig onderzoek dient uit te voeren naar alle omstandigheden van de zaak."; Overwegende dat artikel 20, tweede lid, 2/ van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen VII-28.101-2/3 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bepaalt dat het verzoekschrift tot nietigverklaring onder meer een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen; dat de uiteenzetting van een middel vereist dat zowel de rechtsregel of het rechtsbeginsel wordt aangeduid welke zou zijn geschonden als de wijze waarop de bestreden beslissing die rechtsregel of dat rechtsbeginsel zou hebben geschonden; dat dit te dezen niet het geval is; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-28.101-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.496 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.