id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.498 Rolnummer: A. 120372/VII-26472 Zaak: Arrest 132498 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:15 Fiche Arrest nr 132.498 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.498 van 16 juni 2004 in de zaak A. 120.372/VII-26.472 In zake :
- XXX,
- XXX,
- XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2100 DEURNE (ANTWERPEN), Sint-Rochusstraat 59 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, XXX en XXX, van Kosovaarse afkomst, op 26 april 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van respectievelijk 27 maart 2002 voor wat betreft de eerste en tweede verzoekende partij en 28 maart 2002 voor wat betreft de derde verzoekende partij, tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van respectievelijk 9 mei 2002 voor wat betreft de eerste en tweede verzoekende partij en 27 april 2000 voor wat betreft de derde verzoekende partij, tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 3 mei 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; VII-26.472-1/5 Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 19 maart 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 2 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. JESPERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van adjunct-adviseur F. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen kwamen België binnen op 29 december 1999 en verklaarden zich op 5 januari 2000 vluchteling. 1.
- Op 9 mei 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten ten aanzien van de eerste en tweede verzoekende partij, op 27 april 2000 ten aanzien van de derde verzoekende partij. 1.
- De commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat de asielaanvragen kennelijk ongegrond waren en bevestigde de beslissingen van de minister letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij, bij beslissing van 27 maart 2002: VII-26.472-2/5 "(...) Volgens uw verklaringen bent u een Roma-zigeuner afkomstig uit Mitrovica (provincie Kosovo) en hebt u de Joegoslavische nationaliteit. In juni 1999 zou u door Servische militairen uit uw woning gezet zijn en naar de sporthal van Mitrovica gebracht zijn. Na drie dagen zou u vrijgelaten zijn. Een paar dagen later zouden twee of drie etnische Albanezen in uw woning binnen gekomen zijn. Ze zouden u bevolen hebben te vertrekken. U zou diezelfde dag samen met heel uw familie naar Bar (Montenegro) gevlucht zijn en daar een woning hebben gehuurd. U zou er twee keer door de politie zijn beboet omwille van de Kosovaarse nummerplaat van uw wagen. Voor de rest zou u in Montenegro geen enkel probleem hebben gekend. In december 1999 zou u samen met uw vrouw en uw vier kinderen naar België gekomen zijn om uw broers te vervoegen. Op 5 januari 2000 hebt u asiel aangevraagd in België. U bent in het bezit van een Joegoslavische identiteitskaart, een Joegoslavisch rijbewijs, een huwelijksakte, een lidkaart van de roma-gemeenschap, en documenten in verband met de oprichting en registratie van uw bandenbedrijf in Kosovo. Vooreerst moet worden vastgesteld dat u, volgens uw verklaringen, de laatste vijf maanden vóór uw vertrek naar België in Montenegro hebt verbleven en dat u geen concrete feiten of elementen hebt aangehaald waaruit blijkt dat u Montenegro in december 1999 hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit uw opeenvolgende verklaringen blijkt immers dat u in Montenegro geen noemenswaardige problemen hebt gekend met die plaatselijke bevolking, noch met de lokale of hogere autoriteiten, maar Montenegro uiteindelijk louter hebt verlaten om uw familie te vervoegen in België. Als dusdanig kunnen ook de twee boetes die u in Montenegro zou gehad hebben bezwaarlijk beschouwd worden als een systematische en persoonsgerichte vervolging in de zin van de Geneefse Conventie. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat ook inzake het dringend beroep, ingediend door uw meerderjarige zoon Dibrani Nevzat, door mij inmiddels een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen.". Ten aanzien van de tweede verzoekende partij, bij beslissing van 27 maart 2002: "(...) Er dient te worden opgemerkt dat u uw asielaanvraag duidelijk steunt op de motieven die door uw echtgenoot, XXX, werden uiteengezet. In het kader van het door deze laatste ingediende dringend beroep heb ik echter een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen. Bijgevolg kan ook wat u betreft niet besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie.". Ten aanzien van de derde verzoekende partij, bij beslissing van 28 maart 2002: "(...) Uit uw verklaringen blijkt duidelijk dat u uw asielaanvraag steunt op de motieven die door uw ouders, XXX en XXX, werden uiteengezet. Daar in hoofde van deze laatsten, in het kader van hun dringend beroep, door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève.". Dit zijn de bestreden beslissingen; VII-26.472-3/5 2.
- Overwegende dat in een eerste middel de schending wordt ingeroepen van artikel 52, § 1, 4/ en 62, eerste lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de motiveringsplicht, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 149 van de Grondwet; dat de verzoekende partijen in essentie betwisten dat het motief dat zij de laatste vijf maanden voor hun vertrek naar België in Montenegro hebben verbleven en geen concrete elementen konden aanhalen waaruit bleek dat zij aldaar een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève konden koesteren een wettelijk motief is om de asielaanvraag af te wijzen; dat zij stellen dat zij hun land nooit hebben verlaten vermits Montenegro een deel is van Joegoslavië; Overwegende dat uit de bestreden beslissingen, en inzonderheid uit de eerste, blijkt dat de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard, niet omdat de verzoekende partijen langer dan drie maanden in een ander land hebben verbleven (art. 52, 1, 4/ van de Vreemdelingenwet) maar omdat die aanvragen geen verband houden met de criteria van de Conventie van Genève; dat de verzoekende partijen voorts niet aantonen dat het oordeel van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen kennelijk onredelijk zou zijn; dat de bestreden beslissingen formeel met redenen zijn omkleed; dat tenslotte artikel 149 van de Grondwet alleen van toepassing is op vonnissen en arresten en niet, zoals te dezen, op beslissingen van het actief bestuur; dat het middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat in een tweede middel de schending wordt ingeroepen van het gelijkheidsbeginsel; dat de verzoekende partijen stellen dat de asielaanvragen van een deel van hun familie wel en de hunne niet, ontvankelijk werden verklaard; Overwegende dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de asielaanvragen waarover sprake volledig identiek zouden zijn geweest aan de hunne; dat het middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: VII-26.472-4/5 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 525 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-26.472-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.498 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.