id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.523 Rolnummer: A. 152734/VII-32306 Zaak: Arrest 132523 - - 16/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-21 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:15 Fiche Arrest nr 132.523 van 16 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 132.523 van 16 juni 2004 in de zaak A. 152.734/VII-32.306 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat V. VEREECKE, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan 178 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX op 15 juni 2004 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 juni 2004 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 16 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-32.306-1/3 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. KIWAKANA, die, loco advocaat V. VEREECKE, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker heeft geen staatsburgerschap. Hij is België binnengekomen in april 2001, samen met zijn partner, met wie hij een gezin vormt. Op 1 maart 2004 werd een zoon geboren uit deze verhouding. Verzoeker diende in mei 2004 bij het gemeentebestuur van I. een vestigingsaanvraag in. 1.
- Op 11 juni 2004 nam de verwerende partij de bestreden beslissing; deze is als volgt gemotiveerd: "(...) artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten; de betrokkene is niet in het bezit van een geldig paspoort voorzien van een visum. (...) artikel 7, eerst lid, 5/: werd door Duitsland (DP980060307075) ter fine van weigering van toegang gesignaleerd in de staten die partij zijn bij de Uitvoeringsovereenkomst van het Akkoord van Schengen, ondertekend op 19 juni 1990, hetzij omdat hij het voorwerp heeft uitgemaakt van een verwijderingsmaatregel die noch ingetrokken noch opgeschort werd en die een verbod van toegang behelst wegens overtreding van de nationale bepalingen inzake de binnenkomst of het verblijf van de vreemdelingen. (...).".
- Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeker geseind staat als persoon die geen toegang mag verkrijgen tot het grondgebied van de Staten die partij zijn bij de uitvoeringsovereenkomst van het “Schengenakkoord” van 19 juni 1990; dat dit toegangsverbod op het eerste gezicht bindend is voor alle betrokken staten, met inbegrip van België; dat dit door verzoeker niet wordt betwist; dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt aangegeven waarop dit toegangsverbod is gesteund; dat de gevorderde schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel voor verzoeker geen nut kan opleveren; dat zelfs indien de Raad van State de schorsing zou bevelen de verwerende partij opnieuw dezelfde beslissing zal moeten nemen, gelet op de verplichtingen van voormeld verdrag; dat de VII-32.306-2/3 verzoekende partij dan ook geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang bij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing; dat de vordering niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien juni tweeduizend en vier, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-32.306-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.523 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div