← België

Arrest 132570 - - 17/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.570 Rolnummer: Zaak: Arrest 132570 - - 17/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-28 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:17 Fiche Arrest nr 132.570 van 17 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.570 van 17 juni 2004 in de zaken A. 55.700/XII-

  1. A. 55.701/XII-
  2. A. 55.702/XII-
  3. In zake : I. + II. + III. de NV AEG, die woonplaats kiest bij advocaat D. Lindemans, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan 3 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat K. Ronse, kantoor houdende te Brussel, Louizalaan 149, bus
  4. tussenkomende partij : de NV UITRUSTING SCHREDER, die woonplaats kiest bij advocaten B. Cambier en L. Cambier, kantoor houdende te Brussel, Jean-Baptiste Meunierstraat
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV AEG op 13 januari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 oktober 1993, waarbij het bestek nr. Y12/93E34 betreffende het leveren van verlichtings- toestellen met esthetische vormgeving voor de doortocht van de gewestweg N2 in Sint-Joris-Winge (Tielt-Winge) wordt goedgekeurd en vastgesteld, alsmede van de beslissing tot gunning die op basis van dat bestek is geschied (zaak A. 55.700/XII-806); Gelet op het arrest nr. 46.576 van 22 maart 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die bestreden beslissingen wordt verworpen; XII-806-1/12 Gezien het verzoekschrift dat de NV AEG op 13 januari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 oktober 1993, waarbij het bestek nr. Y12/93E35 betreffende het leveren van verlichtings- toestellen met esthetische vormgeving voor de doortocht van de gewestweg N272 in Galmaarden wordt goedgekeurd en vastgesteld, alsmede van de beslissing tot gunning die op basis van dat bestek is geschied (zaak A. 55.701/XII-807); Gelet op het arrest nr. 46.577 van 22 maart 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift dat de NV AEG op 13 januari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 oktober 1993, waarbij het bestek nr. Y12/93E33 betreffende het leveren van verlichtings- toestellen met esthetische vormgeving voor de doortocht van de gewestweg N717 in Schulen (Herk-de-Stad) wordt goedgekeurd en vastgesteld alsmede van de beslissing tot gunning die op basis van dat bestek is geschied (zaak A. 55.702/XII-808); Gelet op het arrest nr. 46.578 van 22 maart 1994 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de verzoekschriften van 20 mei 1994 tot tussenkomst in de voormelde zaken; Gelet op de beschikkingen van 16 juni 1994 die de tussenkomst van de NV Uitrusting Schreder toelaat; Gezien de administratieve dossiers; Gezien de toelichtende memories en de memorie in tussenkomst; Gezien het verslag opgesteld door auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 26 januari 1998 tot voeging van de zaken; XII-806-2/12 Gelet op de beschikking van 26 januari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Lindemans, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat J. Bert, die loco advocaat K. Ronse verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. Smout, die loco advocaten B. Cambier en L. Cambier verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  7. De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor de voormelde opdrachten van levering : op 5 november 1993 wordt een bericht van aankondiging bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen. De opening van de inschrijvingen wordt bepaald op 2 december
  8. 1.
  9. De verzoekende partij stelt dat zij rond 20 november 1993 kennis heeft gekregen van de besteksvoorwaarden. XII-806-3/12 1.
  10. Op de drie opdrachten wordt telkens ingeschreven door de ondernemingen NV Urbis, NV Philips Lighting en NV Uitrusting Schreder. Voor de opdracht voor Galmaarden wordt bijkomend door de onderneming NV Sirien ingeschreven. 1.
  11. Voor de drie opdrachten wordt telkens de inschrijving van de NV Uitrusting Schreder goedgekeurd op 6 december 1993 : die beslissingen worden betekend bij brieven van 5 januari
  12. 1.
  13. De bedragen waaraan wordt toegewezen belopen, BTW inbegrepen : - Tielt-Winge : 1.968.534 frank - Galmaarden : 1.493.756 frank - Herk-de-Stad : 1.558.313 frank. 1.
  14. De verzoekende partij stelt dat zij zich inlaat met verkoop van wegenisverlichting, waarbij zij de verlichtingstoestellen betrekt uit de AEG-fabriek in Duitsland. Zij merkt voorts op dat er “tussen de NV Constructions electriques Schreder en Philips niet louter toevallige maar wel structurele banden bestaan” en dat de besteksvoorschriften zo opgesteld zijn dat “slechts 1 fabricant-leverancier daaraan kan voldoen, te weten de NV Constructions electriques Schreder (met Philips als leverancier van de lampen en de electrische hulpapparatuur)”;
  15. Over de ontvankelijkheid. 2.1.
  16. Overwegende dat de tussenkomende partij in een eerste exceptie de verzoekende partij belang bij haar annulatieberoep ontzegt, aangezien de verzoekende partij zich nooit kandidaat heeft gesteld voor de uitvoering van de in het geding zijnde opdrachten, zij niet bewijst dat zij niet zou kunnen voldoen aan de gestelde eisen van het bestek, de vaststelling van het bestek een voorbereidende handeling is die niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en de verzoekende partij ten slotte niet heeft ingeschreven voor een vorige algemene aanbesteding met dezelfde specificaties, die zij aldus reeds kende en waarop zij zich kon voorbereiden; XII-806-4/12 2.1.
  17. Overwegende, wat het aanvechten van de vaststelling van een bestek betreft, dat dergelijke vaststelling niet als een louter voorbereidende beslissing mag worden aangemerkt, indien zij onmiddellijk grievend is voor de verzoekende partij en deze bijvoorbeeld bij toepassing van dat bestek van elke kans op toewijzing zou zijn beroofd; dat te dezen zulks slechts kan blijken na onderzoek van het eerste middel waarin de verzoekende partij juist betoogt dat zij door besteksbepalingen wordt uitgeschakeld; dat ook uit dat onderzoek moet blijken of zij bewijst niet aan de gestelde vereisten te kunnen voldoen; dat dit onderdeel van de exceptie samenvalt met het eerste middel; Overwegende dat het feit dat de verzoekende partij niet heeft ingeschreven bij een andere opdracht dan de in het geding zijnde opdrachten, haar het belang niet ontneemt bij haar annulatieberoep betreffende die opdrachten; dat dit onderdeel van de exceptie niet wordt aanvaard; Overwegende dat, wat betreft het feit dat de verzoekende partij niet inschreef op de in het geding zijnde opdrachten, zulks in principe reden is om haar het belang te ontzeggen bij het aanvechten van de na de betrokken procedures genomen toewijzingsbeslissingen; dat echter die conclusie anders zou kunnen luiden, ingeval tegen de betrokken beslissingen dermate zwaarwichtige grieven zouden worden aangedragen, dat haar niet-deelname in rechte zou kunnen zijn verantwoord; dat daartoe haar middelen moeten worden onderzocht, een onderzoek dat het onderzoek van dit onderdeel van de exceptie dus moet voorafgaan; 2.2.
  18. Overwegende dat de tussenkomende partij in een tweede exceptie, wat het bestek betreft, betoogt dat een beroep ingesteld op 12 [lees : 13] januari 1994, te laat is aangezien dit diende te worden ingesteld binnen de zestig dagen na de bekendmaking in het Bulletin der Aanbestedingen op 5 november 1994; 2.2.
  19. Overwegende dat in de voormelde aankondiging niet het gehele bestek is bekendgemaakt; dat dienvolgens, bij toepassing van artikel 4 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, het beroep dient te zijn ingesteld zestig dagen nadat de verzoekende partij van het gehele bestek kennis had; dat de verzoekende partij beweert dat zij pas “rond 20 november 1993” kennis kreeg van de besteksvoorwaarden; dat zij daarin niet wordt tegengesproken door de tussenkomende of de verwerende partij; dat dienvolgens de beroepen van 13 januari XII-806-5/12 1994 zijn ingesteld binnen de zestig dagen na 20 november 1993 en dienvolgens tijdig; dat de exceptie niet wordt aanvaard;
  20. Over de gegrondheid. 3.1.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij in de zaak A. 55.700/XII-806 een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt : “Eerste middel, genomen uit de schending van de artikelen 6 en 6bis van de Grondwet, van art. 4 § 2 van het Koninklijk Besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en wegens machtsafwending, en met toepassing van art. 107 van de Grondwet, doordat in het bestek technische specificaties en modelbeschrijvingen met betrekking tot de vorm en opbouw van het verlichtingstoestel, het lamptype en de hulpapparatuur zijn opgenomen die, zonder technische noodzaak, de keuzemogelijkheden van de leveranciers aanzienlijk beperken -zo al niet uitschakelen- door beperking van de te leveren verlichtingstoestellen, lampen en hulpapparatuur tot één fabricant. terwijl het verboden is om in een bestek technische specificaties op te nemen die produkten van een bepaald fabricaat of van een bepaalde herkomst of bijzondere werkwijzen vermelden, waardoor bepaalde ondernemingen worden begunstigd of uitgeschakeld, en doordat op basis van dit bestek een eenzijdige gunningsbeslissing is genomen, terwijl zo'n gunningsbeslissing niet wettig kan worden genomen op grond van een illegaal bestek. Toelichting Vanzelfsprekend kan de overheid diverse criteria bepalen waaraan de te leveren materialen (in casu : armaturen met lampen en hulpapparatuur en armaturen) moeten voldoen. In casu bevat het bijzonder bestek voor de te leveren verlichtingstoestellen criteria waaraan de toestellen moeten voldoen : * de vorm en de opbouw van de verlichtingstoestellen * de fotometrische eigenschappen, waaronder : - de luminatie en de gelijkmatigheidsgraad van de luminatie; - de verbindingsindex; - het globaal rendement; * de constructieve eigenschappen, waaronder : - de algemene mechanische weerstand; - de samenstelling en de mechanische weerstand van het lichaam; - de uitvoering van het optisch systeem; - de bescherming tegen corrosie; - de elektrische eigenschappen (overspanningstest; isolatieklasse). Op pagina 3 van het bestek wordt m.b.t. het te leveren type van verlichtingstoestel een beschrijving gegeven en verder verwezen naar een 'elementaire schets' die bijlage 2 vormt bij de technische voorschriften. Deze 'elementaire schets' is een redelijk gedetailleerde tekening van een verlichtingstoestel dat qua concept identiek is als het verlichtingstoestel 'Calypso' van de firma Schréder, net zoals de beschrijving er een is van dit toestel. Daarenboven wordt op pagina 15 van het bestek -onder de vorm van een aanvulling van het algemeen bestek- een nog meer gedetailleerde omschrijving XII-806-6/12 gegeven van de opbouw van het vereiste verlichtingstoestel. Daarbij wordt niet alleen bepaald uit welke elementen het verlichtingstoestel moet bestaan (in hoofdzaak een lichaam, een optisch systeem en een lichtkap) maar wordt bovendien bepaald uit welke materialen de verschillende onderdelen dienen te bestaan. Op pagina 18 wordt de materiaalsamenstelling zó beschreven dat zij precies aan dit model van Schreder beantwoordt. Uit de 'elementaire schets' in de bijlage 2 van de technische voorschriften en de omschrijving van de opbouw van het verlichtingstoestel in het bestek blijkt overduidelijk dat het gevraagde verlichtingstoestel in het bestek Y12/93 E34 het toestel 'Calypso' van de firma Schréder is. Door op dergelijke wijze te handelen wordt elke eerlijke concurrentie uitgesloten. In het bestek vindt die bevoordeliging van de n.v. Constructions Electriques Schreder (met Philips onderdelen) verder nog bewijzen of minstens zeer sterke vermoedens in het feit dat een zéér korte periode wordt opgelegd waarbinnen de lichttechnische eigenschappen onder de vorm van een computerdiskette, allerlei certificaten en testen evenals een model moeten worden aangebracht (p. 7 van het bestek). Die periode kan alléén geëerbiedigd worden door de fabricant die de verlichtingstoestellen in productie heeft. Verder worden de officiële normen waaraan de verlichting moet voldoen gemanipuleerd opdat de armaturen van Schreder (met de lampen van Philips) zouden kunnen worden gebruikt. De terzake in het bestek vermelde normen zijn :
  22. NBN C 20-001 Dit is een norm van februari 1982 en betreft de beschermingsgraden gegeven door omhulsels in het algemeen (bv. voor motoren, elektrische kasten,...) Deze norm is voor wat betreft de verlichtingstoestellen achterhaald door de specifieke norm vermeld onder
  23. NBN C 71 - 598 - 1 Dit is een specifieke norm voor verlichtingstoestellen van april
  24. Hij is gebaseerd op de Europese norm EN 60598-
  25. NBN L18-001 Dit is een algemene norm onder de titel 'Leidraad voor verlichting van openbare wegen' van maart
  26. Publicatie CIE (Commission internationale de l'éclairage). Nr. 30.
  27. Deze aanbevelingen hebben geen verbindend karakter. Deze publicatie heeft echter wel mee gediend bij de opmaak van de norm NBN L 18-001, zoals op p. 7 van die norm is vermeld.
  28. Verder geldt terzake ook het type-bestek 400 Deze normen worden op een merkwaardige wijze opgelegd doordat voor de construktieve eigenschappen van de verlichtingstoestellen naar twee verschillende normen wordt verwezen, terwijl de geldende norm voor verlichtingstoestellen de NBN C 71.598-1 (afkomstig van de EN 60598-1) van 1990 is. Deze norm wordt wel gebruikt voor de algemene elektrische veiligheid, maar niet voor het bepalen van de schokweerstand en de beschermingsgraad van het optisch systeem waarvoor de oude algemene norm inzake de beschermingsgraden wordt opgelegd (rubriek 7.4.
  29. p. 19 en rubriek 7.4.
  30. p. 19)”; dat in de zaken A. 55.701/XII-807 en A. 55.702/XII-808 het eerste middel identiek is, met uitzondering van het bedoelde verlichtingstoestel : in de zaak A. 55.701/XII-807 is dit het toestel “Villersoise” en in de zaak A. 55.702/XII-808 het toestel “Gema”; XII-806-7/12 Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie tegenwerpt dat de verzoekende partij er niet in slaagt het bewijs te leveren dat één product met uitsluiting van andere is bevoordeligd, dat uit het administratief dossier blijkt dat verscheidene ondernemingen voldoen aan de beschrijving en de vereiste technische specificaties, dat de tussenkomende partij niet met het verlichtingstoestel “Villersoise” maar met “Belgica” heeft ingeschreven, dat in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij beweert, de vermeldingen in het bestek nog ruim genoeg zijn om aan verschillende types verlichtingstoestellen te beantwoorden -zoals “Villersoise” en “Belgica”, dat nog andere ondernemingen dan de tussenkomende partij inschreven en voldeden aan de gestelde normen, dat die normen niet meer zo recent zijn en de verzoekende partij aldus tijd heeft gehad om er zich aan te conformeren, dat ten slotte de producten van de tussenkomende partij en zeker het “Belgica”-toestel overigens voldoen aan “veel hogere” kwaliteitsnormen dan deze vermeld in het bestek; Overwegende dat de verzoekende partij in haar toelichtende memorie nog nader betoogt hetgeen volgt : “Zowel de tegenpartij als de tussenkomende partij probeerden in hun verweer bij de schorsingsprocedure het eerste middel van de verzoekende partij te weerleggen door erop te wijzen dat óók andere bedrijven dan de tussenkomende partij verlichtingstoestellen in hun assortiment hebben die voldoen aan het hier bestreden bestek. Ten dien einde trouwens, voegde de tegenpartij bij stuk nr. 5 van het administratief dossier de catalogus van een andere fabricant toe. Wat betreft het hier bestreden bestek, verwees de tegenpartij naar de modellen Ypsilon 7200/7201 van de firma A+G die worden verdeeld door de b.v.b.a. Technilite te Asse. Alhoewel de tegenpartij laat uitschijnen dat dit model voldoet aan alle bestekvereisten, wenst de verzoekster het volgende op te merken :
  31. Het door Technilite verdeelde model Ypsilon is totaal verschillend van hetgeen in bijlage 2 bij de technische voorschriften als 'elementaire schets' wordt weergegeven. Het voldoet evenmin aan de omschrijving van het type zoals deze wordt weergegeven op pagina 3 van het bestek. Het verlichtingstoestel dient immers de vorm van een dubbele regelmatige pyramide of kegel met gemeenschappelijk basisvlak te hebben. Welnu, het door de tegenpartij aangehaalde model Ypsilon is geenszins een dubbele regelmatige pyramide aangezien de onderste pyramide totaal verschillend is van de bovenste pyramide en uit de schets bij het bestek duidelijk blijkt dat de beide pyramides een identieke vorm dienen te hebben.
  32. Op pagina 13 van het bestek wordt met betrekking tot de lampvoet van de lampen vermeld dat deze van het type E40 dienen te zijn. Welnu, de lampvoeten voor de lampen in de verlichtingstoestellen Ypsilon zijn van het type E27 en voldoen bijgevolg niet aan de vereiste terzake zoals vermeld in het bestek. Met andere woorden, ook het door de tegenpartij aangehaalde verlichtings- toestel voldoet niet aan de bestekvoorwaarden zoals deze werden bepaald. Het is dan ook geenszins een 'alternatief' voor de toestellen van de XII-806-8/12 tussenkomende partij. Het moge duidelijk zijn dat ook de tegenpartij blijkbaar moeilijkheden heeft om alternatieven voor de Schreder-toestellen te vinden. Het is trouwens opvallend dat de tegenpartij bij het aanvoeren van alternatieven niet verwijst naar de armaturen waarmee de andere kandidaten hun offertes hebben ingediend. Dit doet enkel het vermoeden vergroten dat ook deze offertes werden gedaan met Schrederarmaturen (cfr. hoger bij de feiten). Volgens de tussenkomende partij wenste de overheid esthetische kwaliteit na te streven en dient één en ander in dit kader te worden gesitueerd. Welnu, indien dit inderdaad zo zou zijn, rijst de vraag waarom dan de armaturen op een dergelijke gedetailleerde wijze dienden te worden omschreven. Het ware dan immers veel meer aangewezen een wedstrijd te schrijven met het oog op het verzamelen van zoveel mogelijk alternatieven waarna dan door een jury een keuze zou kunnen worden gemaakt. Tenslotte kan nog worden opgemerkt dat de tegenpartij en de tussenkomende partij in gebreke blijven te antwoorden op het onderdeel van het eerste middel van de verzoekende partij met betrekking tot manipulatie van de diverse officiële normen teneinde de Schredertoestellen te bevoordeligen”; Overwegende dat de tussenkomende partij bij haar laatste memorie een aantal documenten voegt waaruit volgens haar blijkt dat er verscheidene ondernemingen voldoen aan de beschrijvingen en de vereiste technische specificaties vermeld in de bestekken; 3.1.
  33. Overwegende dat artikel 4, § 2, van het te dezen toepasselijk koninklijk besluit van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten bepaalt hetgeen volgt : “Tenzij dergelijke specificaties door het voorwerp van de opdracht gerechtvaardigd zijn is het verboden in de contractclausules die voor een bepaalde opdracht gelden, technische specificaties op te nemen die producten van een bepaald fabricaat of van een bepaalde herkomst of bijzondere werkwijzen vermelden, waardoor bepaalde ondernemingen worden begunstigd of uitgeschakeld. Het is onder meer verboden handels- of nijverheidsmerken, oktrooien, of typen, of een bepaalde oorsprong of productie aan te duiden; een dergelijke aanduiding, vergezeld van de vermelding 'of daarmee overeenstemmend' is evenwel toegestaan wanneer het niet mogelijk is met voldoende nauwkeurige en voor alle betrokken partijen begrijpelijke technische specificaties een beschrijving van het voorwerp van de opdracht te geven”; Overwegende dat te dezen de verzoekende partij de verwerende partij verwijt, met de beschrijving op bladzijde 3 van het bestek en de schets van bijlage 2, verlichtingstoestellen (respectievelijk “Villersoise”, “Calypso” en “Gema”) van de tussenkomende partij te beschrijven althans “qua concept identiek”; dat de verzoekende partij voorts de materiaalsamenstelling, op bladzijde 18 van het bestek, XII-806-9/12 “zó beschreven [noemt] dat zij precies aan de voornoemde modellen van Schreder beantwoordt”; Overwegende dat de documentatie die de tussenkomende partij bij haar laatste memorie voegt, en die zes types verlichtingstoestellen betreft die volgens haar eveneens aan de technische specificaties beantwoorden, een element is dat de stelling van de verzoekende partij ondergraaft; dat ook het feit dat de tussenkomende partij, wat een van de opdrachten betreft (in de zaak nr. A. 55.701/XII-807), niet met toesteltype “Villersoise” maar met “Belgica” inschreef, tot de conclusie aanzet dat de stelling van de verzoekende partij onjuist is; dat het hoe dan ook, in de context van een middel waarvan de beoordeling een technische discussie zoals de voorliggende vereist, wil dergelijk middel niet als een loutere affirmatie voorkomen, op de eerste plaats aan de verzoekende partij behoorde om, desnoods met een verslag van een eigen deskundige, gevoegd bij haar inleidend verzoekschrift of minstens in de latere procedurefases voorgelegd, het aangevoerde middel een minimum van technische geloofwaardigheid te verschaffen; dat te dezen de verzoekende partij zelf evenwel vaag blijft in haar grieven betreffende de overeenstemming tussen de gewraakte beschrijvingen en de verlichtingstoestellen van de tussenkomende partij; dat zij aldus haar middel niet voldoende technisch heeft uitgeklaard opdat het zich leent tot welke beoordeling dan ook door de Raad van State; dat het dan ook niet wordt aanvaard op dit punt; Overwegende dat voorts de “zeer korte” periode waarbinnen het bestek vereist dat een diskette, een aantal certificaten en een model moeten worden aangebracht, op zichzelf en gelet op wat voorafgaat niet voldoende bewijst dat te dezen het bestek een inschrijver dermate zou bevoordeligen dat de betrokken besteksbepalingen zouden moeten worden nietigverklaard; dat ten slotte op het betoog betreffende de normen in elk geval door de tussenkomende partij is geantwoord in de memorie van tussenkomst, zonder dat de verzoekende partij daarop heeft gerepliceerd in haar laatste memorie; dat dienvolgens dit onderdeel van het middel niet bewezen is en dus niet gegrond; dat het middel dienvolgens in zijn geheel wordt verworpen; XII-806-10/12 3.2.
  34. Overwegende dat de verzoekende partij in elk van de drie voorliggende zaken een tweede middel als volgt ontwikkelt : “Tweede middel, genomen uit de schending van art. 13 § 1 en 2 van het K.B. van 22 april 1977 betreffende de overheidsopdrachten van aanneming van werken, leveringen en diensten, doordat leveringen van dezelfde aard zonder enige technische of andere noodzaak worden opgesplitst in diverse loten of percelen, volgens de hierboven reeds vermelde bestekken, terwijl de in het middel vermelde bepalingen zich verzetten tegen het uitsplitsen van een opdracht in percelen, zonder technische reden en met het doel of minstens het gevolg dat de drempel voor de toepassing van artikel 13 § 1 van het K.B. van 22 april 1977 niet wordt overschreden, en doordat met een beroep op de dringende noodzakelijkheid, er geen termijn van ten minste dertig dagen tussen de eerste dag voor de inzage van de aanschaffing van de bescheiden die het bestek en de bijbehorende plans uitmaken en de dag van de opening van de inschrijvingen is, wordt geëerbiedigd, terwijl slechts onder de voorwaarde dat de urgentie feitelijk bestaat en rechtens aanvaardbaar is de termijn van 1 maand mag ingekort worden”; 3.2.
  35. Overwegende dat dit middel geen verband houdt met enige rechtvaardiging voor het feit dat de verzoekende partij niet inschreef voor de in het geding zijnde opdracht; dat hieruit en uit het niet gegrond bevinden van het eerste middel, volgt dat de verzoekende partij moet worden aangemerkt als een gegadigde van een opdracht waarvoor zij zonder een in rechte verantwoorde reden niet heeft ingeschreven; dat zij dienvolgens geen belang heeft bij het bestrijden van de voornoemde bestekken die de in het geding zijnde opdrachten regelen en evenmin van de genomen toewijzingsbeslissingen betreffende die opdrachten; dat de eerste exceptie dienvolgens in die mate gegrond is en de vorderingen niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
  36. De beroepen worden verworpen. Artikel
  37. De kosten van de beroepen, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 223,10 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. XII-806-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-806-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.570 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.