← België

Arrest 132571 - - 17/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.571 Rolnummer: A. 60534/XII-3051 Zaak: Arrest 132571 - - 17/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-08 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:17 Fiche Arrest nr 132.571 van 17 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.571 van 17 juni 2004 in de zaak A. 60.534/XII-

  1. In zake : de NV ALGEMENE ONDERNEMINGEN PIETERS- DE GELDER (in faillissement), rechtsgeding hervat door :
  2. Jozef DAUWE (curator),
  3. Philippe BAILLON (curator),
  4. Marga PIETERS (curator),
  5. Albert COPPENS (curator), die woonplaats kiezen bij advocaat M. Denys, kantoor houdende te 1000 Brussel, Grote Hertstraat 12 tegen : BELGACOM, autonoom overheidsbedrijf, thans onder de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht, die woonplaats kiest bij advocaat D. D'Hooghe, kantoor houdende te 1060 Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Algemene Ondernemingen Pieters-De Gelder op 26 oktober 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van tegenpartij, van ongekende datum, waarbij de werken betreffende de ruwbouw en afwerking, met inbegrip van de technische installaties, uit te voeren in de Belgacom Towers [...] toegekend werden aan de NV Louis De Waele”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur J. Stevens; Gelet op de beschikking van 24 april 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-3051-1/12 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 februari 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Dewandre, die loco advocaat M. Denys verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat D. D'Hooghe, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur J. Stevens; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  8. De verwerende partij schrijft een openbare aanbesteding uit voor de aanneming van de voormelde werken. De opening van de offertes vindt plaats op 14 juni
  9. Er zijn zeven inschrijvingen, waaronder die van de verzoekende partij. 1.
  10. Volgens het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen is het resultaat van de verzoekende partij en van de NV Louis De Waele : - verzoekende partij : 584.064.476 frank - NV Louis De Waele : 612.497.142 frank. 1.
  11. Bij de inschrijving van de NV Louis De Waele was een bijlage 4 toegevoegd luidend als volgt : “[vertaling] Rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de uit te voeren veranderingen en met de lopende tienjarige waarborgen, hebben we onze offerte opgesteld in nauwe samenwerking met de inschrijvende onderaannemers die hebben meegewerkt aan de realisatie van de eerste fase. XII-3051-2/12 Ingeval men ons zou toestaan om af te wijken van de bovenstaande voorwaarden, zou onze offerte met 45.000.000 frank kunnen worden verminderd. Aan de andere kant, wat het vastgeschroefd glaswerk van de loopbrug betreft, hebben we onze prijs vastgesteld op grond van dezelfde coëfficiënten en berekeningswijzen als deze gebruikt voor het glazen sluitwerk van de liftkoker”. 1.
  12. Het architectenbureau M. Jaspers en Partners stelt in een verslag van 7 juli 1994 : “Hierbij dient evenwel rekening gehouden met de brief van L. De Waele, zoals opgenomen in de inschrijving onder bijlage
  13. Hierin wordt een korting van 45.000.000,- vooropgesteld indien afgezien kan worden van de verplichting tot inschrijving met de initiële onderaannemers. Het administratief bestek legt deze verplichting geenszins op en bij geen enkele inschrijver is bevestigd dat met de initiële onderaannemers zou gewerkt worden. Onder voorbehoud van eventueel administratief en/of juridisch voorbehoud in dit verband, dient het totaalbedrag van L. Dewaele dan gewijzigd tot 616.332.080 - 45.000.000 = 571.332.080”. 1.
  14. In een nota van Adviseur-directeur-generaal De Schutter van 8 juli 1994 wordt voorgesteld om de opdracht toe te wijzen aan de NV Louis De Waele, op grond van de volgende motivering : “[vertaling] [...]
  15. Bij de opening van de omslagen in openbare zitting, blijken zeven ondernemingen een inschrijving te hebben neergelegd [...]. Na nazicht en verbetering van de wiskundige bewerkingen wordt de rangschikking van de inschrijvingen als volgt vastgesteld :
  16. NV Pieters-De Gelder 590.434.106 FB
  17. SA Louis De Waele 616.332.080 FB
  18. SA CFE 632.768.599 FB
  19. tijdelijke vereniging SA J. Delens en SA Lixon 646.426.990 FB
  20. SA Gillion 711.165.398 FB
  21. SA Maurice Delens 711.577.052 FB
  22. SA Orbetra 712.952.448 FB 2.
  23. De NV Louis De Waele heeft bij haar inschrijving een nota gevoegd, waarin zij zich ertoe verbindt om haar inschrijving met 45.000.000 frank te verminderen op voorwaarde dat zij van bepaalde voorwaarden van het bestek mag afwijken [...]. 2.
  24. Op de vraag of die nota geldig was, heeft de juridische dienst van Belgacom een gunstig advies uitgebracht, om de volgende redenen : - enerzijds bestaat de tienjarige waarborg van rechtswege, zonder dat daar op welke wijze ook van mag worden afgeweken; - anderzijds, zoals bevestigd wordt in artikel 10, § 1, van het bestek, spreekt het vanzelf dat de onderaannemers wettelijk erkend dienen te zijn in de categorie die overeenkomt met de aard van de werken die hun worden toevertrouwd en in de klasse die overeenkomt met hun aandeel in de opdracht; vandaar de vrijheid die Belgacom zich toekent om in voorkomend XII-3051-3/12 geval de niet of niet naar behoren erkende onderaannemers die door de gekozen inschrijver worden voorgesteld uit te sluiten. 2.
  25. Dientengevolge is er geen sprake van een afwijking van een of andere bepaling van het bestek, zoals de nota van de NV Louis De Waele zou kunnen doen veronderstellen. Het bedrag van haar inschrijving wordt dus teruggebracht tot 571.332.080 frank, waardoor deze de laagste wordt.
  26. Uit het omstandig technisch verslag opgesteld door het architectenbureau Jaspers [...], blijkt dat de inschrijving van de NV Louis De Waele uit Brussel [...] beantwoordt aan de vereisten van het bijzonder bestek en in alle onderdelen geschikt materiaal voorstelt. 3.
  27. De NV Louis De Waele is erkend in categorie D, klasse 8, is geregistreerd onder nummer 405.829.588/03.00.93, en is in orde met de RSZ”. 1.
  28. De raad van bestuur van de verwerende partij keurt het voorstel tot toewijzing aan de NV Louis De Waele goed op 21 juli
  29. 1.
  30. Bij brief van 5 augustus 1994 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mede dat haar inschrijving niet in aanmerking komt. 1.
  31. Met een brief van 16 augustus 1994 vraagt de verzoekende partij om mededeling van de redenen van de verwerping van haar inschrijving. 1.
  32. Bij brief van 26 augustus 1994 deelt de verwerende partij mede dat de opdracht gegund is aan de NV Louis De Waele en dat deze bij haar inschrijving een prijsvermindering, “die niet werd afgekondigd”, voegde waardoor het bedrag van die inschrijving lager werd dan dat van de offerte van de verzoekende partij;
  33. Over de rechtsmacht van de Raad van State. 2.
  34. Overwegende dat de verwerende partij betoogt (onder “III. In Rechte. A.”) dat er “redenen zijn om de bevoegdheid van [de] Raad van State [...] af te wijzen” in de gevallen dat autonome overheidsbedrijven zoals de verwerende partij taken uitoefenen “die niet van openbare dienst zijn”; dat de vraag rijst of hiermee een declinatoire exceptie wordt verwoord, gelet op een voorwaarde die aan de voormelde conclusie wordt verbonden : “in de mate dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om de overheidsbedrijven, voor de uitoefening van taken die niet van openbare dienst zijn, zoveel mogelijk op gelijke voet te plaatsen met de privaatrechtelijke rechtspersonen”; dat dit betoog wordt voorafgegaan door een argumentatie (onder de hoofding “II. De litigieuze opdracht heeft geen betrekking op de uitvoering van taken van openbare dienst”) waarin de verwerende partij - XII-3051-4/12 opnieuw zonder hiermee formeel een exceptie te formuleren- stelt dat krachtens artikel 11 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, een overheidsbedrijf zoals de verwerende partij slechts onderworpen is aan de wet van 14 juli 1976 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, voor de opdrachten die verband houden met de uitvoering van hun taken van openbare dienst en dat “de oprichting van administratieve gebouwen [niet] behoort tot de taken van openbare dienst”; dat de verwerende partij ten slotte, noch in de memorie van antwoord, noch in laatste memorie, vraagt de vordering niet ontvankelijk te verklaren maar enkel vraagt de vordering “ongegrond” te verklaren; dat het gehele voormelde betoog in het auditoraatsverslag nochtans als één “exceptie” wordt onderzocht, die dan met een zeer uitvoerige argumentatie wordt afgewezen; dat de verwerende partij daarop in haar laatste memorie geen weerwerk biedt en zelfs stelt “geen opmerkingen te formuleren” bij het auditoraatsverslag; dat zij ter terechtzitting niettemin verklaart geen afstand te doen van de exceptie maar deze te handhaven; 2.
  35. Overwegende dat in zoverre het voormelde betoog van de verzoekende partij als een exceptie betreffende de rechtsmacht van de Raad van State moet worden aangemerkt, de verwerende partij in elk geval niet betwist dat zij in voorkomend geval als een administratieve overheid in de zin van het artikel 14 van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State mocht worden beschouwd, maar enkel stelt dat zij de bestreden beslissing niet heeft genomen in die hoedanigheid; Overwegende dat ten tijde van de bestreden beslissing van 21 juli 1994, Belgacom een autonoom overheidsbedrijf was in de zin van artikel 1 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; dat immers bij koninklijk besluit van 19 augustus 1992 tot goedkeuring van het eerste beheerscontract van de Regie van Telegrafie en Telefonie en betreffende de vaststelling van de maatregelen tot rangschikking van bedoelde Regie bij de autonome overheidsbedrijven, de Regie onder de benaming “BELGACOM” werd ingedeeld onder de autonome overheidsbedrijven die door de voornoemde wet werden geregeld, die onder meer in een verregaand bestuurlijk toezicht op die bedrijven voorzag, onder meer in de artikelen 12, 13 en 23; dat Belgacom twee soorten activiteiten uitoefende : enerzijds verzorgde zij krachtens artikel 58 van de meervermelde wet, “opdrachten van openbare dienst” zijnde “de terbeschikkingstelling voor het publiek van de openbare telecommunicatie [...] XII-3051-5/12 evenals de taken van sociale of humanitaire aard die inzake de openbare telecommunicatie moeten verwezenlijkt worden zoals ze in het beheerscontract omschreven zijn”; dat anderzijds, Belgacom krachtens artikel 7 van de wet van 21 maart 1991 “vrij, binnen de grenzen van deze wet, alle bedrijvigheden [mocht] ontwikkelen die verenigbaar zijn met [haar] doel”; dat, gelet op het duale karakter van Belgacom die nochtans één, door de overheid opgerichte en gecontroleerde rechtspersoon bleef, een onderscheid kon worden gemaakt, wat haar functioneren betreft, tussen haar optreden als overheidsinstelling wanneer zij diensten verrichtte in het raam van de openbare dienst waarmee zij was belast, enerzijds, en haar zuiver commerciële activiteit, anderzijds; dat enkel indien zij in de eerste hoedanigheid optrad, de beslissingen die zij nam in voorkomend geval de in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde beslissingen waren die aan het annulatietoezicht van de Raad van State konden worden onderworpen; Overwegende dat de bestreden beslissing een werk toewijst, dat diende te worden verricht aan een gebouw van Belgacom; dat de verwerende partij niet kan worden bijgetreden in haar veel te algemene stelling “dat de oprichting van administratieve gebouwen niet behoort tot de taken van openbare dienst”; dat weliswaar dergelijke oprichting als zodanig niet als een dergelijke taak voorkomt in het voormelde artikel 58 en evenmin in artikel 82 waar het naar verwijst; dat in dit laatste artikel de “openbare telecommunicatie” immers nader wordt gespecificeerd als “1/ de aanleg, het onderhoud, de modernisering en de werking van de openbare telecommunicatie-infrastructuur; 2/ de uitbating van de gereserveerde diensten ten behoeve van derden; 3/ de aanleg, het onderhoud en de werking van de voor het publiek toegankelijke en op het openbaar domein geplaatste inrichtingen, die bestemd zijn voor telecommunicatie”; dat de uitoefening van dergelijke taken echter ondersteunende logistieke uitrusting veronderstelt, zoals de beschikking over gebouwen waarin personeelsleden werken die met de voormelde taken belast zijn; dat, minstens in zoverre dergelijke gebouwen geconcipieerd zijn om later aangewend te worden voor die “opdrachten van openbare dienst”, de beslissingen die, zoals de bestreden beslissing, daarop betrekking hebben, kaderen in die “opdrachten van openbare dienst” en moeten worden aangemerkt als de in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bedoelde “akten en reglementen” die Belgacom heeft genomen in haar hoedanigheid van administratieve overheid; dat te dezen de verwerende partij zelfs niet betwist dat het betrokken gebouw minstens gedeeltelijk bestemd was voor de uitoefening van “opdrachten van openbare dienst”; dat voorts artikel 8 van de wet van 21 maart 1991 bepaalt dat autonome XII-3051-6/12 overheidsbedrijven immuniteit genieten van tenuitvoerlegging voor de goederen die “geheel of gedeeltelijk” zijn bestemd voor de uitvoering van hun “taken van openbare dienst”; dat ook naar analogie met deze bepaling moet worden aangenomen dat de Raad van State rechtsmacht heeft betreffende beslissingen die gebouwen betreffen die minstens voor een deel dienstig zijn voor “opdrachten van openbare dienst”; dat het in elk geval aan de verwerende partij toekomt in voorkomend geval aan te tonen dat een werk louter geconcipieerd wordt om dienstig te zijn binnen de commerciële activiteit en daartoe ook zal worden gebruikt; dat voorts om die rechtsmacht te bepalen het al dan niet onderworpen zijn aan de regelgeving betreffende de overheidsopdrachten, niet relevant is; dat de exceptie dienvolgens wordt verworpen;
  36. Over de ontvankelijkheid. 3.
  37. Overwegende dat de verwerende partij tevens opwerpt dat de verzoekende partij door de kennisgeving bij brief van 5 augustus 1994 wist dat de opdracht niet aan haar was toegewezen, dat zij op dat ogenblik een “zinvol” beroep bij de Raad van State had kunnen instellen, dat op dat ogenblik de termijn voor het instellen van een annulatieberoep een aanvang heeft genomen en dat het annulatie- beroep van 26 oktober 1994 dan ook te laat is ingediend; 3.
  38. Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat de bestreden beslissing formeel gemotiveerd diende te zijn en aan de verzoekende partij diende te worden betekend; dat voor dergelijke rechtshandelingen de beroepstermijn slechts begint te lopen bij de kennisgeving van de motieven; dat te dezen met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat haar met de brief van 5 augustus 1994, nog niet de motieven van de bestreden beslissing werden medegedeeld; dat de termijn om het annulatieberoep in te dienen dienvolgens pas begon te lopen de dag na de dag van ontvangst van de voormelde brief van 26 augustus 1994 waarbij de bedoelde motieven werden medegedeeld; dat aldus het voorliggende beroep, ingesteld op 26 oktober 1994, tijdig is, want de zestigste dag van, en dus binnen de, in artikel 4 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State gestelde, termijn van zestig dagen na betekening van de bestreden beslissing;
  39. Over de gegrondheid van het beroep XII-3051-7/12 4.
  40. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel afleidt uit “de schending van artikel 10, § 1, tweede lid van het Ministerieel Besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de Algemene Aannemingsvoorwaarden van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten, zoals aangevuld en gewijzigd door het bijzonder bestek nr. GL1/11/00340, en uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat de uitgekozen aannemer een substantiële prijsvermindering heeft aangeboden onder de voorwaarde dat tegenpartij haar zou toelaten af te wijken van de in dit middel aangehaalde bepalingen, zoals blijkt uit de bij het inschrijvingsbiljet gevoegde bijlage 4”, terwijl zulks neerkomt op het maken van suggesties, hetgeen enkel in het kader van een offerteaanvraag aanvaardbaar wordt geacht doch niet in het kader van een aanbesteding; Overwegende dat de verzoekende partij daarbij in haar memorie van wederantwoord nader betoogt, in hetgeen als een eerste onderdeel van het middel moet worden aangemerkt, dat de bepaling van het voornoemde artikel 10, § 1, tweede lid, een “actief keuzerecht” van de verwerende partij bevat “in die zin dat [zij] wel degelijk bepaalde voorgestelde en erkende onderaannemers kan uitsluiten” en aldus de voorgestelde prijsvermindering wel degelijk verbonden was aan de toelating voor de uitgekozen aannemer om te mogen afwijken van die bepaling hetgeen uit de bewoordingen van de voornoemde bijlage blijkt namelijk “[vertaling] ingeval men ons zou toestaan om af te wijken van de bovenstaande voorwaarden”; dat de verzoekende partij daar in haar laatste memorie nog aan toevoegt dat, zelfs indien de betrokken voorwaarde, gesteld door de NV De Waele, geen afwijking van het bestek inhoudt, zulks de door deze inschrijver geboden korting “nog niet 'onvoorwaardelijk' maakt” en de korting dus niet zeker was; 4.1.
  41. Overwegende, wat dit eerste onderdeel van het middel betreft, dat artikel 10, § 1, tweede lid, van het ministerieel besluit van 10 augustus 1977 houdende vaststelling van de algemene aannemingsvoorwaarden van de overheids- opdrachten voor werken, leveringen en diensten stelt : “Het bestuur heeft evenwel het recht te eisen dat de onderaannemers erkende aannemers zijn, voor het minst in verhouding tot het deel van de opdracht dat zij zullen uitvoeren, doch in elk geval blijft de aannemer alleen, wat de uitvoering van de opdracht betreft, aansprakelijk ten opzichte van het bestuur”; dat in het toepasselijke bestek (blz. 16) dat lid onder meer wordt vervangen door de volgende bepaling : XII-3051-8/12 “De aannemer dient aan Belgacom, die een keuze zal doen, een lijst ter goedkeuring voor te leggen van de onderaannemers per discipline, op wie hij een beroep wenst te doen”; Overwegende dat de NV Louis De Waele in de in het geding zijnde bijlage 4 haar prijsvermindering laat afhangen van de voorwaarde, dat zij niet moet samenwerken met de onderaannemers die aan de totstandkoming van de eerste fase hebben meegewerkt; dat echter het bestek nergens de verplichting oplegt, enkel met die onderaannemers te werken; dat dienvolgens bij gebrek aan verplichting, ook geen afwijking van die verplichting mogelijk is; dat de NV Louis De Waele zich dienvolgens heeft vergist in zoverre zij van die voormelde zogenaamde verplichting uitging; dat op het punt van de onderaannemers het middel bijgevolg steunt op een onjuiste interpretatie van het bestek en het besproken onderdeel dienvolgens niet gegrond is; 4.1.
  42. Overwegende dat de verzoekende partij in hetgeen als het tweede onderdeel van het middel moet worden aangemerkt, betoogt dat “ook de opmerking over de beglazing van de liftkoker doet veronderstellen dat de uitgekozen aannemer een afwijking van het bestek heeft bedongen, aangezien hij de coëfficiënten en berekeningsprincipes gebruikt van de liftkoker die deel uitmaakte van de aanbesteding van de vorige fase”; Overwegende dat de verwerende partij hiertegen aanvoert dat de coëfficiënten en de methodes voor de berekening van de beglazing identiek zijn voor de loopbrug en de liftkoker en op dat punt geen sprake kan zijn van enige afwijking van het bestek; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord deze vaststelling niet weerlegt, maar er zich toe beperkt, zich “de vraag [te stellen] waarom het dan nodig was hierover een opmerking te maken in een aparte bijlage hij het inschrijvingsbiljet”; dat zij in haar laatste memorie niet meer op dit onderdeel van het middel terugkomt; dat aldus de feitelijke grondslag van het middelonderdeel niet is aangetoond; dat bijgevolg het middel in zijn geheel niet wordt aanvaard; 4.2.
  43. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel steunt op de “schending van de artikelen 14 en 25 van het koninklijk besluit van 22 april XII-3051-9/12 1977 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en de schending van het gelijkheidsbeginsel”; 4.2.1.
  44. Overwegende dat een eerste onderdeel van dat middel in essentie als volgt luidt : “doordat, eerste onderdeel, de uitgekozen aannemer bij zijn inschrijvingsbiljet een bijlage voegde, houdende een substantiële prijsvermindering van 45 miljoen Belgische frank, gekoppeld aan de voorwaarde te mogen afwijken van de bepalingen zoals uiteengezet in het eerste middel, terwijl, overeenkomstig artikel 14 van het Koninklijk Besluit van 22 april 1977, de inschrijving overeenkomstig het bij het bestek behorende model dient te worden opgemaakt, en terwijl het bij het bestek behorende model van het inschrijvingsbiljet geen ruimte laat voor andere bijlagen dan die welke in dit model staan vermeld, namelijk : 1) de samenvattende opmetingsstaat, 2) het attest waaruit blijkt dat de inschrijver voldaan heeft inzake bijdragen voor de sociale zekerheid en de bestaanszekerheid en 3) het attest inzake het bezoek aan de bouwplaats; en terwijl, overeenkomstig artikel 25, A, § 1 van voormeld Koninklijk Besluit, het bestuur inschrijvingen als onregelmatig en derhalve als niet bestaande kan beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van afdeling 2 van dit Koninklijk Besluit, enig voorbehoud inhouden of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, en terwijl het voor de regelmatigheid van de inschrijving van groot belang is dat de inschrijver met zekerheid instemt met de voorwaarden van de opdracht en dat deze instemming blijkt uit de inschrijving zoals ze werd ingediend”; 4.2.1.
  45. Overwegende dat artikel 14 van het voormelde koninklijk besluit van 22 april 1977 luidt als volgt : “De inschrijving wordt overeenkomstig het bij het bestek behorende model opgemaakt. Zij wordt door de inschrijver of zijn gemachtigde ondertekend. Doorhalingen, overschrijvingen, aanvullingen of wijzigingen, zowel in de inschrijving als in de bijlagen, die de essentiële voorwaarden van de opdracht zoals prijzen, termijnen, technische specificaties kunnen beïnvloeden, moeten eveneens door de inschrijver of zijn gemachtigde ondertekend worden”; Overwegende dat in het aangehaalde artikel een model enkel wordt voorgeschreven voor het inschrijvingsformulier; dat geen bepaling van de toepasselijke regelgeving of van het bestek verbiedt dat een prijsvermindering wordt aangeboden en dat deze in een bijlage wordt vervat, ook al is dat een andere bijlage dan die waar het model van inschrijvingsformulier naar verwijst; dat in het tweede lid van dat artikel zelf uitdrukkelijk in bijlagen wordt voorzien, ook betreffende aanvullingen die invloed hebben op prijzen; dat te dezen de geboden prijsvermindering in een bijlage 4 is opgenomen die gedagtekend is en ondertekend zodat is voldaan aan hetgeen het aangehaalde artikel 14, tweede lid, voorschrijft XII-3051-10/12 betreffende aanvullingen die de prijzen kunnen beïnvloeden; dat aldus geen schending van artikel 14 is aangetoond; Overwegende dat artikel 25, § 1, van het meervermelde koninklijk besluit van 22 april 1977 luidt als volgt : “Onverminderd de nietigheid van elke inschrijving wegens afwijking van de essentiële besteksbepalingen zoals die van artikel 14, tweede lid, kan het bestuur inschrijvingen als onregelmatig en derhalve als niet bestaande beschouwen, indien zij niet overeenstemmen met de bepalingen van afdeling 2, enig voorbe- houd inhouden, of bestanddelen bevatten die niet met de werkelijkheid overeen- stemmen”; dat de verzoekende partij, wat de schending van dit artikel betreft, blijkbaar uitgaat van de veronderstelling dat de NV Louis De Waele haar prijsvermindering van een voorbehoud afhankelijk maakte; dat bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat dit uitgangspunt niet wordt aanvaard; dat daarentegen, in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in haar laatste memorie beweert, het aanbod van de NV Louis De Waele voor haar verbindend was; dat schending van het aangehaalde artikel 25 niet is aangetoond; Overwegende dat voorts niet wordt aanvaard dat de gelijkheid tussen de inschrijvers zou zijn geschonden doordat de geboden prijsvermindering in aanmerking is genomen, nu geen schending is aangetoond van de aangehaalde artikelen 14 en 25 van het koninklijk besluit van 22 april 1977; 4.2.
  46. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel van het middel betoogt hetgeen volgt : “en doordat, tweede onderdeel, deze voorwaardelijke prijsvermindering niet werd afgekondigd bij de opening der inschrijvingen, noch werd opgetekend op het proces-verbaal van opening van de inschrijvingen, terwijl de voorlezing op de openingszitting niet alleen betrekking heeft op de naam en woonplaats van de inschrijvers, doch ook op de aangeboden prijzen, op de prijswijzigingen en de eventuele intrekkingen, en terwijl de vormvoorschriften betreffende de inschrijvingen en de opening van de inschrijvingen substantieel van aard zijn, vermits zij erop gericht zijn elke inschrijver te beschermen tegen misbruiken van het bestuur en tegen maneuvers die het spel van de mededinging kunnen vervalsen of de gelijkheid van de inschrijvers kunnen verbreken”; Overwegende dat het onderdeel enkel in verband kan worden gebracht met het gelijkheidsbeginsel aangezien, in het middel zoals in het inleidend verzoekschrift verwoord, geen andere rechtsregels worden aangewezen die verband XII-3051-11/12 houden met de opening der inschrijvingen; dat niet wordt aangetoond op welke wijze, door het aanvaarden van de geboden prijsvermindering, zelfs zonder voorlezing ervan ter openingszitting, men het “spel van de mededinging” heeft vervalst of “de gelijkheid van de inschrijvers [heeft] kunnen verbreken”; dat het onderdeel niet wordt aangenomen; dat het middel in zijn geheel niet wordt aanvaard, BESLUIT: Artikel
  47. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  48. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de failliete boedel. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien juni 2004, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3051-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.571 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.