id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.596 Rolnummer: A. 117093/X-10839 Zaak: Arrest 132596 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:18 Fiche Arrest nr 132.596 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.596 van 18 juni 2004 in de zaak A. 117.093/X-10.
- In zake : Rosalia BOUDEWIJNS, wonende te 2328 MEERLE - HOOGSTRATEN, Heerle 60 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat W. SLOSSE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Amerikalei
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rosalia BOUDEWIJNS op 20 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep tegen het besluit van 19 oktober 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor een loods voor landbouwalaam, een sanitair lokaal en een verbindingsgang tussen twee varkensstallen bij een bestaand landbouwbedrijf te Hoogstraten, Hal, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 219 e en f; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.839-1/6 Gelet op de beschikking van 16 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 februari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. VAN WAMBEKE- LAURYSSEN die, loco Advocaat A. DESMEDT verschijnt voor verzoekster en van Advocaat T. GOOSSENS die, loco Advocaat W. SLOSSE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster op 16 juli 1999 de regularisatievergunning aanvraagt voor een loods voor landbouwalaam, een sanitair lokaal en een verbindingsgang tussen twee varkensstallen bij een bestaand landbouwbedrijf te Hoogstraten, Hal, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 219 e en f; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Hoogstraten op 20 december 1999 de regularisatievergunning verleent voor het sanitair lokaal en de verbindingsgang en weigert voor de loods; dat verzoekster op 31 december 1999 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 19 oktober 2000 beslist het beroep niet in te willigen; dat verzoekster op 26 december 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister bevoegd voor de Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 21 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoekster wat betreft haar belang bij het beroep in haar laatste memorie uiteenzet wat volgt: X-10.839-2/6 "In haar verslag argumenteert de auditeur dat het beroep tot nietigverklaring niet ontvankelijk is daar op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift, verzoekende partij niet beschikte over een certificaat, zoals voorzien in art. 158- 159 van het decreet van 18 mei
- Verzoekende partij wenst vooreerst op te merken dat dit middel in huidig dossier van aanvraag van regularisatievergunning nooit is opgeworpen, noch door het college van Burgemeester en Schepenen van Hoogstraten, noch door de bestendige deputatie van de provincieraad Antwerpen, noch door de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, noch door diens raadsman in huidige procedure voor de Raad van State. Krachtens het oude artikel 159, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999, werd het bekomen van een regularisatievergunning gekoppeld aan de opstelling van een certificaat zoals bedoeld in artikel 158 § 2 van het bovenvermelde decreet. Deze koppeling trad in voege op 1 mei 2000 om reeds ongedaan te worden op 23 maart 2002 (Decreet van 8 maart 2002 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999, B. S., 23 maart 2002, inwerkingtreding op de dag van bekendmaking). Er was dus van deze koppeling geen sprake op het moment dat verzoekende partij de initiële aanvraag indiende (met name 19 juli 1999), op het moment van de weigeringsbeslissing door het college van burgemeester en schepenen van Hoogstraten (20 december 1999) en evenmin op het moment dat verzoekende partij beroep aantekent bij de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen (5 januari 2000). De invoegetreding van de bovenvermelde koppeling vindt derhalve plaats in de termijn van 10 maanden tussen het instellen van een beroepsprocedure bij de bestendige deputatie van de provincieraad van de provincie Antwerpen en de uiteindelijke beslissing van de provincie Antwerpen. In het Ministerieel Rondschrijven van 4 december 2000 m.b.t. artikel 158 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening: vergelijk en regularisatievergunning - richtlijnen voor de vergunningverlenende overheden, schrijft minister Dirk Van Mechelen hierover het volgende: '
- Op het niveau van de bestendige deputatie
- Er werd nog geen vergelijkprocedure opgestart en/of er bevindt zich geen certificaat in het regularisatiedossier. Voor sommige regularisatiedossiers op het niveau van de bestendige deputatie, werd nog niet eerder een vergelijkprocedure doorlopen. In deze dossier dient de stedenbouwkundige inspecteur van de betrokken provincie nog stelling te nemen over een mogelijk voorstel van vergelijk en in het gunstigste geval na betaling een certificaat A uit te reiken, alvorens de bestendige deputatie de regularisatievergunning kan afgeven. De bestendige deputatie dient de betrokkene hierop te wijzen. Een afschrift van het beroepsdossier wordt verzonden naar de stedenbouwkundige inspecteur met het oog op het formuleren van een voorstel van vergelijk. De bestendige deputatie kan dan al dan niet laten weten of ze instemt met het principe van vergelijk.' 4.
- Op het niveau van de Vlaamse Minister cf 4.1, met dit verschil dat niet de stedenbouwkundige inspecteur die bevoegd is met het grondgebied van de provincie, maar de centrale stedenbouwkundige inspecteur zich uitspreekt over een mogelijk vergelijk en een certificaat A afgeeft.' Uit het dossier blijkt dat noch de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen, noch de Vlaamse minister bovenvermeld ministerieel rondschrijven van 4 december 2000, hebben gerespecteerd. Deze administraties hebben kunnen vaststellen dat er zich geen certificaat bevond in het regularisatiedossier. Deze administraties hebben nagelaten om X-10.839-3/6 verzoekende partij hierop te wijzen, nochtans duidelijk opgedragen in het Ministerieel Rondschrijven van 4 december
- Uit dit nalatig handelen van zowel de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen als van de Vlaamse Minister, huidig verwerende partij, kon verzoekende partij een middel putten tot nietigverklaring van het Ministerieel Besluit van 21 december 2002, houdende verwerping van het beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Verzoekende partij heeft dit middel nooit uiteengezet om de eenvoudige reden dat het ontbreken van bovenvermeld certificaat nooit ter sprake is geweest. Het middel is nochtans vrij eenvoudig te formuleren. In tegenspraak met het ministerieel rondschrijven van 4 december 2000 heeft noch de bestendige deputatie van de provincie Antwerpen, noch de bevoegde Vlaamse Minister verzoekende partij erop gewezen dat het bovenvermelde certificaat ontbrak in het regularisatiedossier. Een afschrift van het beroepsdossier werd evenmin verzonden naar de stedenbouwkundige inspecteur met het oog op het formuleren van een voorstel van vergelijk. Zonder te willen poneren dat dit middel al dan niet gegrond zou zijn bevonden, toont het aan dat verzoekende partij een belang had op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift."; Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie repliceert als volgt: "( ... )
- Uit artikel 159, eerste lid volgt dat een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na het opstellen van een certificaat zoals bedoeld in artikel 158, §2; Zulk certificaat, waarin wordt bevestigd dat in het kader van een vergelijk de betaling van een transactiesom heeft plaatsgevonden, en tevens een aanvraag van de regularisatievergunning werd ingediend, wordt opgesteld door de stedenbouwkundig ambtenaar, Indien verzoekende partij niet in het bezit is van dergelijk certificaat, zoals in casu het geval is, verkeert de bevoegde vergunningverlenende overheid in de onmogelijkheid een regularisatievergunning te verlenen. De bevoegde overheid heeft hieromtrent immers een gebonden bevoegdheid, zodat indien de voorwaarde van het bezitten van dergelijk certificaat niet is vervuld, er sowieso geen regularisatievergunning kan worden verleend; Verwerende partij merkt dan ook op dat, ook al vernietigt Uw Raad de betwiste beslissing, de bevoegde vergunningverlenende overheid toch opnieuw de vergunning zal moeten weigeren daar het vereiste certificaat nog steeds niet kan worden voorgelegd door verzoekende partij; Hieruit volgt dat verzoekende partij niet het vereiste belang heeft bij het instellen van haar vordering tot nietigverklaring van de beslissing;
- Verwerende partij merkt vooreerst op dat de niet ontvankelijkheid laattijdig werd opgeworpen; Het betreft echter een middel dat ambtshalve dient te worden opgeworpen, in elke stand van het geding; Verwerende partij verwijst hierbij naar de arresten van Uw Raad waarin deze zienswijze terecht wordt bijgetreden; (...) De regels die de voorwaarden bepalen waaronder een beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld, raken immers de openbare orde. Bij enige twijfel over de ontvankelijkheid dient de verzoekende partij dan ook het bewijs te leveren dat haar beroep wel aan de ontvankelijkheidsvereisten voldoet. In casu X-10.839-4/6 dient verzoekende partij dan ook aan te tonen dat zij over het vereiste belang beschikt; (...)
- Verwerende partij stelt vervolgens dat verzoekende partij dient te doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering; Op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring, dd. 20 februari 2002, waren de artikelen 158 en 159 van het Decreet van 18 mei 1999 van toepassing, zoals hierboven uiteengezet; Inmiddels werden deze artikelen bij Decreet van 8 maart 2002 vervangen, zodat het voorafgaandelijk certificaat niet langer meer vereist is. Dit heeft evenwel niet tot gevolg dat verzoekende partij toch nog een belang zou verwerven. Een beroep waarbij het belang ontstaat hangende het geding heeft immers niet tot gevolg dat het beroep hierdoor ontvankelijk wordt;
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing was de art. 159, eerste lid van het decreet van 18 mei 1999 wel degelijk van kracht, zodat wel degelijk de onontvankelijkheidsexceptie tegen de een beroep tot nietigverklaring van deze beslissing terecht kan ingeroepen worden; De inhoud van het Ministerieel Rondschrijven van 4 december 2000 van Minister, is in dit verband irrelevant; De afwezigheid van het vereiste belang in hoofde van verzoekende partij, dient in casu te worden vastgesteld"; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat de verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekster derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van het beroep, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, X-10.839-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.839-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.