id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.597 Rolnummer: A. 60616/X-9465 Zaak: Arrest 132597 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:18 Fiche Arrest nr 132.597 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.597 van 18 juni 2004 in de zaak A. 60.616/X-
(2)de bouwhoogte tot bijna 300 % van het voorgeschrevene werd uitgebreid. Het is voor verzoekende partij onaanvaardbaar dat een minieme uitbreiding (over de breedte) van de achterbouw van haar woning geacht wordt 'overlast te bezorgen', terwijl het College van Burgemeester en Schepenen betreffende de X-9465-9/15 aanvraag voor de nevenliggende buren besluit dat 'gelet op het feit dat de gevraagde afwijking stede(n)bouwkundig aanvaardbaar is, en geen hinder voor de omgeving teweeg brengt', de gevraagde afwijking kan worden ingewilligd en ook werd ingewilligd. Verzoekende partij wijst er voor zoveel als nodig op dat de echtgenoten Verschraeghen-Van Branden, zoals trouwens de plannen en de realisatie in feite laten zien, eveneens hun gebouw hebben opgericht na gedeeltelijke en zelfs volledige afbraak van de bestaande 'kotterijen'. Verzoekende partij wijst er bovendien op dat ingevolge afbraak en onmiddellijke nieuwbouw, zoals algemeen geapprecieerd, op haar perceel de plaatselijke toestand zich fel heeft verbeterd, immers : de gelijkvloerse, zowel als de verdieping van het oorspronkelijke gebouw liepen nog 14 meter dieper op het perceel door en de scheidingsmuur aan de linkerzijde van het perceel overtrof de hoogte van drie meter! Verzoekende partij voert daarom aan dat de Heer Minister in zijn beslissing ten onrechte heeft aangevoerd dat de rechtsgelegen woning (echtgenoten Verschraegen-Van Branden) de facto een afwijking van het B.P.A. kon worden toegestaan, nu het in het betreffende geval zogenaamd enkel de renovatie van de bestaande toestand betrof. Het Ministerieel Besluit heeft hierbij ook eigenmachtig een uitzondering aan artikel 51 Stede(n)bouwwet toegevoegd, m.n. door te stellen dat aanvragers van een regularisatie conform voormeld artikel een bouwvergunning moet worden verleend, in afwijking van het B.P.A., nu het om beweerde renovatiewerken zou gaan. Het voornoemde artikel 51 maakt een dergelijk onderscheid impliciet noch expliciet! (
- b)Het Bijzonder Plan van Aanleg 'Gedempte Ledebeek' beheerst het perceel gebruikt door de echtgenoten Cesar De Landsheer. Voormelden werden bij Besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van de stad LOKEREN van 27 april 1978 gemachtigd een gebouw (woning met winkelruimte) op te richten aan de Roomstraat 13-15 te Lokeren, sectie B, 129b en 132 d. Deze bouwplaats bevindt zich in de onmiddellijke nabijheid van deze van de verzoekende partij. Geciteerden werden, ondanks de voorschriften van het B.P.A., gemachtigd hun hoofdgebouw en achterbouw op te trekken over de volledige breedte van hun bouwperceel. Ook hier werd dus in toepassing van artikel 51 van de Wet op de Stede(n)bouw de noodzakelijke afwijking verleend. (
- c)Schuin tegenover de bouwplaats van de verzoekende partij, m.n. op de hoek van de Heilig Hartlaan en het Vrijheidsplein, dit op nauwelijks vijftig meter afstand van verzoekende partij, heeft dokter De Bruyn zijn woonhuis opgericht. Dit woonhuis wijkt, wat betreft de achterbouw dewelke werd opgetrokken over de volledige breedte van het bouwperceel en op de verdieping eveneens werd voorzien van een toegankelijk terras, eveneens af van de voorschriften van het B.P.A.. Ook hier werd de mogelijkheid tot afwijking van het B.P.A. verleend. 4.3.4. Dat verzoekende partij aldus in niet mis te verstane termen aanduidt dat haar geval en andere bovengemelde - gevallen waarvoor de vergunning wél werd verleend, een feitelijke vaststelling inhoudt van een ongelijke behandeling. De bouwaanvragen die verzoekende partij hiervoren vergelijkt, maken allen deel uit van verzoekers wijk en zijn zonder onderscheid perfect met zijn bouwplaats vergelijkbaar o.m. wat hun inplanting, uiterlijk en bestemming betreft. Er bestaan tussen de situatie van verzoekende partij en de vergelijkingen geen verschillen die een redelijke en objectieve verantwoording inhouden voor de ongelijke, en discriminatoire, wijze waarop het dossier van de verzoekende partij werd behandeld. Verzoekende partij stelt vast dat haar werd geweigerd, hetgeen X-9465-10/15 destijds aan anderen werd toegestaan en dat de bestreden beslissing aldus duidelijk het gelijkheidsbeginsel miskent. Verzoekende partij herneemt het algemeen controle-onderzoek hetwelk de Raad van State kan opstellen, teneinde na te gaan of de verschillende behandeling tussen de rechtssubjecten in overeenstemming is de juridische gelijkheid (...) : Aldus moet de verschillende behandeling getoetst worden aan de finaliteit van de verschillende behandeling, de objectiviteit van het gehanteerde onderscheidscriterium (hetwelke ?), de algemeenheid van het gehanteerde onderscheidingscriterium, de pertinentie van het gehanteerde onderscheidingscriterium, de wettigheid van het gehanteerde onderscheidingscriterium, alsook aan het evenredigheidsbeginsel. Het blijft de verzoekende partij onbekend welke het onderscheidingscriterium in casu is! In ieder geval staat duidelijk vast dat in casu de verschillende behan- deling van de rechtssubjecten niet, op een of andere wijze, tot finaal doel heeft gehad het algemeen belang te dienen! Dat tot slot mag gezegd dat ter zake de 'politiek' van het College van Burgemeester en Schepenen van de Stad Lokeren allesbehalve een beeld van continuïteit of standvastigheid vertoont. Dat nochtans de Stede(n)bouwwet de bevoegde overheid de verplichting oplegt zich een opvatting te vormen omtrent de bestemming van het perceel en die van de buurt waar het perceel gelegen is. Terwijl precies deze opvatting op straffe van tot willekeur en miskenning van het gelijkheidsbeginsel aanleiding te geven, een zekere (c)ontinuïteit vertonen (...). 4.3.4. Overwegende dat ter weerlegging van de motivering van de verwerende partij nopens dit punt, moet worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 51 van de Stede(n)bouwwet afwijkingen kunnen worden toegestaan op de voorschriften van een goedgekeurd B.P.A.. Overwegende dat de bestemming die door een B.P.A. wordt vastgelegd geïnterpreteerd moet worden volgens 'de betekenis die de termen in het B.P.A. hadden op het ogenblik van de procedure van het opmaken der plannen' (...). Dat men ter zake moet vaststellen dat het geldend B.P.A. 'Gedempte Ledebeek'' goedgekeurd is bij K.B. 08.05.1963 en zijn wijziging bij K.B. 28.05.1964, of ruim dertig jaar geleden. Dat de voorschriften die in 1963 werden geconcipieerd hun toenmalige betekenis hadden, maar die op vandaag, zoals ter zake, achterhaald zijn, en die niet meer een zinvolle betekenis hebben; Dat de Raad van State een aanpassing van een B.P.A. overigens reeds dikwijls in haar rechtspraak heeft erkend, dat ook in de rechtsleer wordt aanvaard dat een B.P.A. niet statisch, maar dynamisch volgens haar tijdskader dient geïnterpreteerd en vervolgens toegepast te worden (...). Dat de desbetreffende bezwaren van de verwerende partij reeds om deze redenen niet (kunnen) worden aanvaard."; Overwegende dat de verzoekende partij inzake het derde middel als volgt repliceert : "Overwegende dat gelet op de Wet van 29 juli 1991 het Ministerieel Besluit niet ernstig motiveert waarom voor de rechterbuur, en de door verzoekende partij aangehaalde andere omwonenden, die (c)onform artikel 51 Stede(n)bouwwet een bouwvergunning werd verleend, een andere beoordeling genoten dan deze die geldt voor verzoekster. Dat verzoekster ter staving van dit middel op nuttige wijze verwijst naar het hiervoren reeds gestelde. X-9465-11/15 Dat het Ministerieel Besluit tekortschiet aan de motiveringsplicht, minstens kan opgemerkt dat aan de beslissing geen aanvaardbare motieven ten grondslag liggen."; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie doet gelden wat volgt : "Artikel 51 van de Stedenbouwwet, of artikel 49 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, voorziet dat afwijkingen slechts toelaatbaar zijn voor wat betreft 'de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk'. Volgens een constante rechtspraak van uw Raad dient aan deze bepaling een beperkende interpretatie te worden toegemeten en kan een afwijking slechts in uitzonderlijke gevallen worden toegestaan. Alleszins dient een vraag tot afwijking te worden geweigerd indien essentiële elementen van de voorschriften van het B.P.A. worden geraakt. In het eerste middel onderschrijft de verslaggever dat het College 'de gevraagde afwijkingen heeft getoetst aan de voorschriften van het B.P.A. en ze strijdig heeft bevonden met de essentiële elementen ervan'. De vergunningverlenende overheid kon dan ook niet anders dan de afwijking afwijzen. De overweging in het auditoraatsverslag met betrekking tot het tweede middel dat 'verzoekster in haar regularisatieaanvraag niets anders doet dan met toepassing van deze regeling een afwijking te vragen' en het gegrond aannemen van het tweede middel, lijkt dan ook tegenstrijdig met de afwijzing van het eerste middel. Aannemen dat de gevraagde afwijking de essentiële elementen van het B.P.A. betreffen, betekent niets anders dan dat een afwijking moet geweigerd worden. In deze omstandigheden kan dan ook niet nuttig verwezen worden naar eventuele voorgaanden, zelfs indien deze in het verleden en onder gelijkaardige omstandigheden een afwijking kregen toegestaan. Elke aanvraag dient op zich beoordeeld te worden en de vaststelling dat de gevraagde afwijking de essentiële elementen van het B.P.A. betreft, volstaat om de aanvraag af te wijzen. 3. Bovendien wordt in het auditoraatsverslag zelf aangegeven dat het toestaan van een afwijking slechts mogelijk is 'op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen'. Aangezien het College op 19 augustus 1993 zelf de gevraagde afwijking heeft afgewezen, ligt een dergelijk voorstel niet voor. Op zich volstaat dit reeds om het middel met betrekking tot het ongemotiveerd afwijzen van de gevraagde afwijking als ongegrond te beoordelen."; Overwegende wat het tweede en derde middel samen betreft, dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten vermelden die aan de beslissing ten X-9465-12/15 grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat wat de motiveringsverplichting betreft de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 55, §3, van de stedenbouwwet, thans artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, §3, van de stedenbouwwet, thans artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; Overwegende dat de bestendige deputatie en de Vlaamse regering, wanneer zij op grond van artikel 55, §3, van de stedenbouwwet, thans artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in beroep uitspraak doen over een bouw- of verkavelingsaanvraag, optreden, niet als administratief rechtscollege, maar als orgaan van het actief bestuur; dat hieruit volgt dat zij, om te voldoen aan de hun opgelegde motiveringsverplichting, er niet toe gehouden zijn al de in het beroep aangevoerde argumenten te beantwoorden; dat het volstaat dat zij in de beslissing duidelijk aangeven door welke, met de goede plaatselijke aanleg verband houdende redenen, zij is verantwoord; Overwegende dat uit het onderzoek van het eerste middel is gebleken dat het bestreden besluit de gevraagde regularisatievergunning terecht heeft geweigerd op grond van de overweging dat een afwijking van de voorschriften van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg overeenkomstig artikel 51 van de stedenbouwwet, thans artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, X-9465-13/15 gecoördineerd op 22 oktober 1996, slechts mogelijk is op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen en dat het door voornoemd artikel 51 van de stedenbouwwet voorgeschreven voorstel niet voorligt; dat dit motief volstaat om de weigering van de vergunning wettig te verantwoorden; dat het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd; Overwegende dat het gelijkheidsbeginsel slechts kan zijn geschonden indien de verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat in rechte en in feite gelijke gevallen ongelijk werden behandeld, zonder dat er een objectieve verantwoording bestaat voor deze ongelijke behandeling; Overwegende dat verzoekende partij er zich in het verzoekschrift tot nietigverklaring toe beperkt te stellen dat het bestreden besluit impliciet erkent dat de rechtsgelegen woning afwijkt van het bijzonder plan van aanleg, dat het bestreden besluit stelt dat hiervoor een afwijking kon worden toegestaan omdat het om renovatiewerken gaat, dat hiermee een uitzondering wordt toegevoegd aan artikel 51 van de stedenbouwwet en zo een ongelijke behandeling wordt ingevoerd; Overwegende dat de verzoekende partij niet concreet aantoont dat de vergunning voor de rechtsgelegen woning in gelijke of vergelijkbare feitelijke en juridische omstandigheden werd verleend; dat, zonder te moeten ingaan op de vraag of de voor het eerst in de memorie van wederantwoord bijgebrachte gegevens wel volstaan om dit aan te tonen, dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij deze gegevens alleszins reeds kende of kon kennen en aanvoeren in het verzoekschrift tot nietigverklaring; dat deze nieuwe gegevens niet meer op ontvankelijke wijze in de memorie van wederantwoord kunnen worden aangevoerd; dat het middel niet gegrond is; dat het beroep dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. X-9465-14/15 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9465-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.597 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div