← België

Arrest 132618 - - 18/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.618 Rolnummer: A. 135944/XIV-14841 Zaak: Arrest 132618 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Fiche Arrest nr 132.618 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.618 van 18 juni 2004 in de zaak A. 135.944/XIV-14.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. CASIER, kantoor houdende te 9051 GENT, Pleispark 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 25 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen van 26 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 27 november 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 maart 2003; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2004, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de terechtzitting van 17 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen; XIV-14.841-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij komt België binnen op 19 augustus 2002 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag; dat op 27 november 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 26 maart 2003 bevestigt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing; dat de bevestigende beslissing van de commissaris-generaal als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U werd in het kader van een onderzoek in dringend beroep voor een eerste keer gehoord door het commissariaat-generaal op 7 januari 2003, bijgestaan door een tolk die de Portugese taal machtig was. Tijdens dit gehoor maakte de aanwezige tolk Portugees van het commissariaat-generaal de opmerking dat zij de indruk had dat u haar niet begreep. Wanneer u door het commissariaat-generaal werd gevraagd of u enige communicatieproblemen had met de tolk Portugees, antwoordde u geen problemen te hebben. Uit uw verdere verklaringen tijdens dit verhoor voor het commissariaat-generaal bleek echter duidelijk dat u de vragen die over (de activiteiten van) uw partner en uw regio van herkomst niet begreep en ook de tolk Portugees van het commissariaat-generaal beaamde dat u het Portugees niet vlot beheerste, waarop in onderling overleg met u en uw raadsman, meester Liesbet Casier, werd besloten het verhoor op 27 januari 2003 verder te zetten, bijgestaan door een tolk Lingala. U beweert tijdens uw tweede verhoor voor het commissariaat-generaal op 27 januari 2003 de Angolese nationaliteit te bezitten, tot de zombo-etnie te behoren en uit de ‘municipio Quibecolo’ (Maquela do Zombo, provincie Uige) afkomstig te zijn, alwaar u ook bent opgegroeid. U had een partner, XXX, met wie u aanvankelijk niet samenwoonde. U verbleef van 1991 tot 1992 in de wijk Palanca, Luanda. Uw partner verbleef in de wijk Cazenga, Luanda, op het bureau van de ‘UNITA’ (Uniao Nacional para a Independencia Total de Angola). Hij was sedert 1990 gewoon lid van de partij. U beschouwt uzelf eveneens als lid van de UNITA, omdat uw partner lid is en omdat u vanaf 1994 in Liangongo verbleef, dat onder controle stond van de UNITA. U had een lidkaart van hem gekregen. Tijdens de post-electorale rellen van 1992 werden de leden van de UNITA belaagd, waarop u en uw partner Luanda ontvluchtten. Uw partner vluchtte naar de provincie Moxico, terwijl u naar uw regio reisde, Maquela do Zombo. In 1994 had u in Quibocolo een dispuut met een dame. De echtgenoot van de dame, M., werd kwaad en sloeg u, waardoor u in het vuur viel en er een brandwonde aan overhield. Uw partner viel de man aan en in het gevecht dat daar op volgde schoot uw partner M. en zijn kind dood. Uw partner sloeg op de vlucht. U vervoegde uw partner in Liangongo, provincie Moxico, in
  3. Uw partner was intussen militair geworden binnen het leger van de UNITA en had een militaire opleiding gekregen in Liangongo. U verbleef er zonder enige problemen tot februari
  4. U verdeelde goederen (zoals gezouten vis), die uw partner had meegenomen tijdens aanvallen, onder vrienden. Op 21 februari 2002 reisde uw partner naar Lucusse om te strijden aan de zijde van UNITA-leider, Jonas Savimbi, en om te beletten dat de ‘MPLA’ (Movimento Popular de Libertaçoa de Angola) het territorium zou overnemen. Liangongo werd op 22 februari 2002 aangevallen door de militairen van de MPLA, waarop u met uw vier kinderen op de vlucht sloeg. U vernam van burgers dat UNITA-leider Savimbi was omgebracht. U vluchtte naar Luéa (wellicht Leua), alwaar u na ongeveer drie dagen te voet aankwam. U rustte er wat uit. De militairen vielen Luéa echter eveneens aan, waarna u verder vluchtte naar Lumeji. U verbleef er ongeveer twee maanden. Vervolgens ging u te voet verder naar Bié, provincie Moxico, alwaar u na ongeveer een week aankwam. Na ongeveer een week ging u verder naar Muchango (wellicht Munhango), provincie Moxico. U wilde daar een vrachtwagen nemen in mei 2002, toen u werd opgemerkt door militairen van de MPLA en werd gearresteerd met uw drie kinderen. Uw zoon, M., had u in Liangongo uit het oog verloren. De militairen wisten dat u lid was van de UNITA, omdat jullie op een vrachtwagen wachtten en jullie met veel waren, waardoor de bevolking jullie aan de militairen van de MPLA verraadden. Er werden meer dan tien mensen gevangen genomen en jullie werden opgesloten in een container te Muchango. U werd geslagen en u werd bedreigd met de dood, XIV-14.841-2/9 omdat u lid was van de UNITA. Ze vroegen of u gehuwd was en vroegen naar een partner, maar u ontkende een partner te hebben. De militairen kregen medelijden met u en uw drie kinderen werden na enkele uren vrijgelaten. U nam een vrachtwagen naar het centrum van Muchango. U reisde naar Kianika, regio van Damba, provincie Uige, alwaar u na drie weken aankwam. U ontmoette ‘M. A.’ aan wie u hulp vroeg. Zij bood u onderdak en u verbleef in een woning met drie andere vrouwen, M., F. en T., en een heer, R., die eveneens lid waren van de UNITA. Na één maand werd u opnieuw door de lokale bevolking verraden als lid van de UNITA. De militairen arresteerden u, samen met de drie vrouwen en de man die bij u verbleven. U werd opgesloten in een oud gebouw, maar diezelfde dag in vrijheid gesteld, omdat er één militair was die u kende, Tonadio. Uw zus was de vriendin van deze militair. U werd tijdens uw opsluiten geslagen en ondervraagd over de reden waarom u zich had aangesloten bij de UNITA. Er werd naar de verblijfplaats van uw man gevraagd. U werd bedreigd met de dood. U reisde op 17 juli 2002 in het gezelschap van F. en T. naar de stad Uige, provincie Uige, alwaar u diezelfde dag aankwam. U verbleef er in de wijk Kwalé, bij een familielid van T., H. K.. Na twee weken kwam uw zus, C. M., u ophalen en reisde zij met u en uw drie kinderen op 1 augustus 2002 naar Luanda. U verbleef bij uw zus C. in de wijk Quicolo. U hield zich schuil, omdat u gekend was als lid van de UNITA. U sprak een vriend, C. aan, zodat hij de nodige regelingen zou kunnen treffen, opdat u het land zou kunnen verlaten. Op 18 augustus 2002 reisde u met uw drie kinderen vanuit Luanda, onder begeleiding van C., per vliegtuig rechtstreeks naar België, alwaar u op 19 augustus 2002 aankwam. U vroeg er diezelfde dag asiel aan. B. Motivering Er dient te worden benadrukt dat u niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door u ingeroepen feiten ter staving van uw asielaanvraag een uiting zouden zijn van een geïndividualiseerde ‘vrees voor vervolging’ in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Vooreerst kunnen er enige ernstige vraagtekens worden geplaatst omtrent uw verklaringen tijdens het tweede gehoor voor het commissariaat-generaal (hierna CG) over het vermeende lidmaatschap en de activiteiten van uw partner, XXX, binnen de UNITA sedert 1990 (CG, p. 5). U stelt immers voor het commissariaat-generaal dat uw partner militair is binnen het leger van de UNITA, maar de naam van dit leger blijkt u onbekend te zijn (CG, p. 5). U verklaart tijdens het verhoor in dringend beroep dat uw partner in Liangongo gedurende een maand een ‘formation de guerre’ heeft gekregen, maar u kan niet in het minst specificeren wat deze opleiding inhield (CG, p. 6). Wanneer u door het commissariaat-generaal wordt gevraagd wat de taak was van uw partner als soldaat, antwoordt u dit niet te weten en stelt u dat u gewoon het huishouden deed (CG, p. 6). U verzekert voor het commissariaat-generaal dat uw partner dorpen en steden heeft aangevallen in de provincies Uige, Malanje en Lunda, maar u kan niet preciseren welke steden of dorpen. Op de vraag van het commissariaat-generaal of uw partner deelnam aan aanvallen op dorpen of steden in de provincie Moxico, antwoordt u ontwijkend en stelt u dat Liangongo nooit werd aangevallen, uitgezonderd tijdens de aanval op Savimbi (CG, p. 7). Op de vraag van het commissariaat-generaal wie de directe chef was van uw partner, antwoordt u ‘Dembo’ (u kan zijn volledige naam niet verstrekken) en stelt u dat hij de verantwoordelijke was van de UNITA na Savimbi (CG, p. 7). Wanneer de vraag naar de directe chef van uw partner binnen het leger van de UNITA wordt herhaald door het commissariaat-generaal, antwoordt u dat hij er ‘veel’ had, maar u kan geen enkele naam verschaffen van één van de directe bevelvoerders van uw partner (CG, p. 7). Met uitzondering van Manuala Fernando, kent u geen enkele andere naam van een collega van uw partner (CG, p. 8). Op de vraag van het commissariaat-generaal wie de leider is van het leger van de UNITA, antwoordt u verkeerdelijk dat dit ‘Dembo’ zou zijn (CG, p. 10) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Niettegenstaande uw verklaring voor het commissariaat-generaal dat u door uw partner niet werd vertrouwd en u louter de huishoudelijke taken op u nam, kan er redelijkerwijze van u worden verwacht dat u enige (correcte) details kan verstrekken over de activiteiten van uw partner binnen de UNITA, vooral wanneer u zich voor wat betreft de motieven van uw asielaanvraag, voornamelijk baseert op feiten in hoofde van uw partner, waarmee u beweert sedert 1994 permanent te hebben samengewoond tot 2002 (CG, p. 2). Bovendien wordt uw eigen lidmaatschap van de UNITA niet alleen op de helling geplaatst door voorgaande vaststellingen, maar eveneens door uw onvoldoende kennis die u aan de dag legde over deze partij tijdens het tweede verhoor in dringend beroep. Immers, u kan voor het commissariaat-generaal niet specificeren of er een vrouwenafdeling is binnen de UNITA (CG, p. 10). U blijkt er voor het commissariaat-generaal niet van op de hoogte te zijn of de UNITA een jeugdafdeling heeft (CG, p. 10). Op de vraag van het commissariaat-generaal of de UNITA over een eigen radiozender beschikte, antwoordt u dat u weet dat ze er één hadden in Jamba, maar u kan de naam niet verstrekken (CG, p. 10). Bovendien situeert u Jamba verkeerdelijk in Lubango (CG, p. 10), hetgeen merkwaardig is, gezien de bijzondere strategische en symbolische waarde die Jamba voor de UNITA heeft gehad (CG, p. 10) (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Daarenboven blijkt u tijdens het tweede verhoor voor het commissariaat-generaal omtrent de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten weinig aannemelijke verklaringen af te leggen. U XIV-14.841-3/9 verklaart tijdens het verhoor in dringend beroep een eerste keer te zijn gearresteerd door de militairen (van de MPLA) in mei 2002 in Muchango, provincie Moxico (wellicht bedoelt u Munhango, provincie Bié). U specificeert dat u werd gearresteerd, omdat de militairen (via de bevolking) op de hoogte waren dat jullie leden van de UNITA waren (CG, p. 17 en 18). Niet alleen is het gezien de gewijzigde actuele situatie weinig waarschijnlijk dat u in mei 2002 nog zou zijn opgepakt omwille van uw lidmaatschap van de UNITA (zie infra), maar dient er tevens te worden opgemerkt dat u voor het commissariaat-generaal niet kan uitleggen hoe de bevolking (die u aan de militairen verraadde) wist u dat u lid was van de UNITA (CG, p. 17 en 18). U beweert nog dat jullie met ‘veel’ waren (CG, p. 17 en 18), hetgeen nog steeds niet verklaart waarom de bevolking u aanwees als lid van UNITA. U beweert voor het commissariaat-generaal dat u diezelfde dag (van uw eerste arrestatie) werd vrijgelaten omdat de militairen medelijden kregen (CG, p. 19) en u zich met uw kinderen in een vrachtwagen naar Kianika (in de regio van Damba, provincie Uige) begaf, maar u kan met uitzondering van Malanje geen enkel andere naam van een dorp verstrekken dat u op de weg naar Kianika passeerde (CG, p. 20). U verklaart voor het commissariaat-generaal een tweede keer te zijn gearresteerd in Kianika, doordat de bevolking u verraadde als lid van de UNITA (CG, p. 21). Op de vraag van het commissariaat-generaal hoe de bevolking dit wist, antwoordt u dat u er ‘mensen’ kent (CG, p. 21). Wanneer u vervolgens naar de identiteit van die mensen wordt gevraagd, antwoordt u (ontwijkend) dat A. had vernomen van ‘mensen’ dat u lid was van de UNITA en dat u moest verstrekken omdat de militairen zouden komen (CG, p. 21). Wanneer door het commissariaat-generaal wordt gevraagd van wie A. dit had vernomen, kan u hierop niet antwoorden (CG, p. 22). Verder, zelfs indien er enig geloof kan worden gehecht aan het lidmaatschap en de activiteiten van u en uw partner, XXX, binnen de UNITA en de door u ingeroepen (vervolgings-)feiten (wat in het licht van het voorgaande ten zeerste kan worden betwijfeld), dan nog kan worden opgemerkt dat het politieke klimaat in Angola voor leden van de UNITA (en hun familieleden) in de goede richting is gewijzigd sinds u uw land hebt verlaten. Ten eerste kan erop gewezen worden dat uit diverse informatiebronnen waarover het commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat de burgeroorlog in Angola intussen officieel is beëindigd op 4 april 2002 en de demobilisatie, ontwapening en reïntegratie van de strijdkrachten van de UNITA (en hun familieleden) is begonnen. De militaire vleugel van de UNITA werd in augustus 2002 opgeheven (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Bovendien blijkt uit de informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, dat er een amnestiemaatregel werd uitgevaardigd in april 2002 voor de (voormalige) rebellen van de UNITA, van zowel de politieke als de militaire vleugel en een aantal voormalige strijders van de UNITA, in het reguliere Angolese leger werden geïntegreerd (zie bijgevoegde informatie in het administratief dossier). Bovendien blijkt uit informatie waarover het commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, dat er sedert de vredesakkoorden van 4 april 2002 geen risico voor vervolging meer bestaat doordat de Angolese autoriteiten (noch in Luanda, noch in het binnenland) voor leden of sympathisanten van de UNITA. Verder haalt u nog voor het commissariaat-generaal een ‘vrees voor vervolging’ aan omwille van de moord door uw partner op Masioni en zijn kind omwille van een dispuut tussen u en de echtgenote van Masioni (CG, p. 26 en 27). Dit feit kan echter bezwaarlijk worden geïnterpreteerd zijnde vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève, waarvoor u internationale bescherming behoeft. De door u voorgelegde documenten, met name een Rode Kruis-bericht - Tracing, dd. 23 januari 2003, een ‘geboortebewijs om het kraamgeld te bekomen krachtens de wetgevingen inzake kinderbijslag’ op naam van XXX, afgeleverd op 26 september 2002 en een ‘geboortebewijs om het kraamgeld te bekomen krachtens de wetgevingen inzake kinderbijslag’ op naam van XXX, afgeleverd op 26 september 2002, doen geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, omdat deze irrelevant zijn in het kader van uw asielrelaas. U blijkt verder niet in het bezit te zijn van enig ander document dat een controle van uw identiteit en reisweg mogelijk zou kunnen maken. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep en de schriftelijke ‘motivering bij het dringend beroep dd 30 november 2002' (dd. 24 december 2002) van uw raadsvrouw, meester Liesbet Casier, geen andere elementen naar voor die de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken vermogen te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze XIV-14.841-4/9 beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993, artikel 17, par. 2 al. 2). Ik vestig de aandacht van de minister van Binnenlandse Zaken op uw precaire positie als alleenstaande vrouw met vijf kinderen. Het komt aan hem toe bij een eventuele gedwongen terugleiding hiermee rekening te houden.”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Eerstens schending van het artikel 51/4, § 2, en § 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd door het artikel 2 van de wet van 10 juli 1996 welke luidt als volgt: ‘In de eventueel daaropvolgende procedures voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen en voor de Raad van State wordt de taal van de procedure gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gebruikt’. en schending van het artikel 51/4, § 1, 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd door het artikel 2 van de wet van 10 juli 1996 welke leest als volgt: ‘De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied’. Verzoekster heeft in toepassing van voormeld artikel 51/4, § 2 een verklaring afgelegd waarbij zij om bijstand van een tolk heeft verzocht en waarbij als taal waarin haar asielaanvraag zou onderzocht worden het Nederland bepaald werd (zie farde I, stuk 5). Gedurende het verhoor dd. 27.01.2003 door het commissariaat-generaal werd de procedure evenwel in het Frans gevoerd in die zin dat de vragen door het CGVS in het Frans gesteld werden aan de tolk die zelf het Nederlands klaarblijkelijk niet machtig was. Overigens had verzoekster sterk de indruk dat de moedertaal van de interviewster zelf duidelijk het Nederlands is. Het eerste interview werd immers wèl in het Nederlands gevoerd door dezelfde interviewster die toen de vragen wel in het Nederlands stelde. Evenwel mag het duidelijk zijn dat in de kwestieuze procedure juist de nuances en details, waarnaar uitdrukkelijk gevraagd wordt, van uiterste belang zijn, terwijl algemeen bekend is dat een perfecte beheersing van de taal noodzakelijk is om betreffende nuances te kunnen verwoorden en te kunnen erkennen. De (Nederlandstalige) raadsman van verzoekster maakte nochtans ter gelegenheid van het interview de opmerking dat de procedure in het Frans gevoerd werd terwijl conform art. 51/4 Vreemdelingenwet het Nederlands uitdrukkelijk was aangewezen als proceduretaal. Dit blijkt uit de neerslag van het interview daar waar de inteviewster bij de opmerkingen gemaakt door de advocaat heeft genoteerd ‘Procedure is in het Nederlands’ (zie farde I, stuk 8). Gelet op het feit dat de uitdrukkelijke taalkeuze dient gerespecteerd te worden (zie farde II, stuk 1 en 2: Raad van State, 12 september 2000, inzake nr. 89.594, S.M./ Belgische staat & CGVS: Raad van State, 21 juni 2001, R.W. 2001-2002, 1176), dient dienvolgens doordat de procedure in het Frans gevoerd werd, terwijl zij conform art. 52/4 Vreemdelingenwet in het Nederlands had moeten gebeuren én de beslissing wel in het Nederlands gebeurde, de bestreden beslissing te worden nietig verklaard wegens schending van het artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, zoals ingevoegd door het artikel 2 van de wet van 10 juli.”; 2.1.
  6. Overwegende dat blijkens de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 juli 1996 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de wetgever met de invoeging van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet onder meer ten doel had duidelijkheid en rechtszekerheid te scheppen in de asielprocedure (Gedr. St., Kamer, 1995-1996, nr. 364/1); dat in casu de commissaris- generaal door het organiseren van een tweede verhoor in aanwezigheid van een tolk Lingala, blijk heeft gegeven van zorgvuldig handelen; XIV-14.841-5/9 Overwegende dat artikel 51/4, § 3, van de Vreemdelingenwet de taal van de gehele asielprocedure aanwijst, doch niet specifiek deze die de bevoegde overheid moet gebruiken in de omgang met de tolk, wanneer, zoals in casu, de asielzoeker om een bijstand van een tolk heeft verzocht; dat de verzoekende partij enkel stelt dat “(...) in de kwestieuze procedure juist de nuances en details, waarnaar uitdrukkelijk gevraagd wordt, van uiterst belang zijn, terwijl algemeen bekend is dat een perfecte beheersing van de taal noodzakelijk is om betreffende nuances te kunnen verwoorden en te kunnen erkennen”; dat zij hiermede niet aantoont dat haar verklaringen niet zouden zijn opgenomen in de taal van de procedure, dat de tolk of/en de betrokken ondervraagster de Franse taal niet beheersten noch dat bepaalde onderdelen en welke onderdelen van haar verklaringen niet juist in het verhoorverslag zijn opgenomen; dat de door de verzoekende partij gekozen taal zowel op dienst Vreemdelingenzaken als tijdens het eerste verhoor op het commissariaat-generaal en in de bestreden beslissing wel degelijk werd gebruikt; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing artikel 51/4, § 2 en 3, van de Vreemdelingenwet heeft geschonden; dat het middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Tweedens dient ontegensprekelijk te worden vastgesteld dat verweerster zich bij het nemen van de quaestige beslissing enkel heeft gesteund op tegenstrijdige dan wel eenzijdige bronnen, en aldus op ernstige wijze haar motiveringsplicht heeft geschonden. Het commissariaat-generaal voert om tot de beslissing van kennelijke ongegrondheid te besluiten, aan: ‘dat kan worden opgemerkt dat het politieke klimaat in Angola voor de leden van de UNITA (en hun familieleden) in de goede richting is gewijzigd sinds u uw land hebt verlaten’ waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar het administratief dossier. Het in de goede richting gewijzigd zijn van de situatie houdt uiteraard geenszins in dat het politiek klimaat derwijze is gewijzigd dat verzoekster bij haar terugkeer niet meer zou onderhevig zijn aan een ernstig risico op vervolging. Zulks werd reeds terecht geoordeeld door de Vaste Beroepscommissie als volgt: ‘Deze omstandigheid sluit nochtans niet uit dat personen geldige redenen hebben voor vrees voor vervolging in de zin van de Conventie, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan hun zaak. De gids van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen volgend: zelfs indien er een wijziging van regime is in een land houdt dat niet noodzakelijkerwijs een totale wijziging in van de bevolking noch, rekening houdend met ervaringen in het verleden, van de bepalingen van de geest van vluchteling. Ondanks de evolutie in het regime, blijken de feiten die betrokkene moest ondergaan voldoende ernstig te zijn om in haar vrees te volharden’ (zie farde II, stuk 3: Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, 8 september 1997, inzake nr. 96/1850, TVR 1998, nr. 1 en 2, 58). Tenandere blijkt uit het administratief dossier van het CGVS zelf overigens dat ook in het verleden (te weten minstens in 1991 en 1994) reeds overgegaan werd tot diverse vredesakkoorden welke de facto evenwel dode letter bleven (zie farde I, stuk 9, uittreksel administratief dossier CGVS). Dit wordt bevestigd door het feit dat verzoekster nog in juli 2002 gearresteerd is geworden precies ingevolge het feit dat zij lid was van de UNITA. Ook uit andere passages van het administratief dossier blijkt dat de actuele situatie in Angola niet dermate rooskleurig is als het CGVS wil laten voorstellen. Zo is in het administratief dossier op pagina 3 te lezen: ‘Human rights compaigners tolk him however, that the ceasefire was only a first step which would not automatically lead to democracy, development and justice’ (zie farde I, stuk 10: uittreksel administratief dossier CGVS). Op pagina 5 lezen we: ‘But Angola analysts are not completely convinced that the war is finally over’ (zie farde I, stuk 11: uittreksel administratief dossier CGVS). Het is frappant te moeten vaststellen dat het CGVS deze passages blijkbaar als onbestaand naast zich neerlegt en er geen rekening mee houdt bij de beoordeling van de kwestie. XIV-14.841-6/9 In ieder geval dient vastgesteld dat het commissariaat-generaal niet voldoende precies, concreet en afdoende motiveert waarom zij deze informatie niet in haar overwegingen heeft opgenomen om tot haar besluit te komen. Er dient dan ook vastgesteld dat het CGVS op manifest wijze tekort is geschoten aan haar motiveringsplicht. Integendeel getuigt de quaestige beslissing van het CGVS van een eenzijdige motivering, nu op het internet (waar het CGVS blijkbaar haar bronnen haalt) evenzeer argumenten te vinden zijn die getuigen dat er in Angola nog steeds ernstig schendingen van de mensenrechten plaatsvinden en het risico op vervolging en represailles van verzoekster reëel is: ‘In Angola, despite the ceasefire implemented this year and ongoing peace-efforts, 1,7 million internationnally displaces people remain at substantial risk of abuse by government officials as well as demobilized soldiers ... Human Rights Watch is especially concerned by reports that some people have been forced to return to theri areas of origin despite the ongoing danger in thee regions (zie farde I, stuk 12: Human Rights Watch, 6 november 2002). Even after the ceasefire, there were frequent reports of widespread indisipline within the army and the national provinces of Bié, Huambo, Luando ul, Moxico, Uige and Zaire. Harrassment of displaces people and extortion were common practices of checkpoints, ass well as violence including rape of women ... (zie farde I, stuk 13: Human Rights watch World Report 2003: Africa: Angola). Verweerster beroept zich verder nog op de amnestiewet van 03.04.2002 niettegenstaande deze enkel van toepassing is op misdaden tegen de staatsveiligheid, krijgsgevangen en deserteurs, van het Angolese leger zodat verzoekster hierin bezwaarlijk enige bescherming zal kunnen vinden. Uit voorgaanden dient dan ook te worden besloten dat verweerster zich bij het nemen van de quaestige beslissing enkel heeft gesteund op tegenstrijdige dan wel eenzijdige bronnen, en aldus op ernstige wijze haar motiveringsplicht heeft geschonden. Verzoekster zal dan ook met een afzonderlijk verzoekschrift de nietigverklaring overeenkomstig artikel 14, § 1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vorderen, wegens overtreding van de substantiële vormvereiste te weten van de motiveringsplicht van het besluit op 26.03.2003 uitgevaardigd door het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen, waarbij de beslissing van weigering van verblijf werd bevestigd.”; 2.2.
  8. Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende, rekening houdend met de zwaarwichtigheid van het geheel van motieven in de bestreden beslissing, dat de kritiek van de verzoekende partij gericht tegen één enkel motief, namelijk de recente gunstigere politieke evolutie in Angola, niet volstaat om aannemelijk te maken dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Derdens werpt het commissariaat-generaal op dat door verzoekster niet aannemelijk zou worden gemaakt dat de door haar ingeroepen feiten ter staving van haar asielaanvraag een XIV-14.841-7/9 uiting zouden zijn van een geïndividualiseerde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Mevrouw Tandu is echter van mening dat de beslissing tot onontvankelijkheid op grond van een verkeerd feitenrelaas is genomen en er op basis van onvoldoende elementen is besloten tot een in hoofde van verzoekster niet gegronde vrees voor vervolging in de zin van art. 1 A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  10. Minstens zijn de feiten door elkaar gehaald en op niet-correcte wijze weergegeven of vertaald. In acht genomen het feit dat a) Mevrouw T. door de autoriteiten van de MPLA reeds tweemaal werd opgepakt, waarbij zij telkens werd geslagen en met de dood is bedreigd. b) telkens slechts door een gelukkig toeval aan de dood is kunnen ontsnappen c) dat haar partner het leger van de UNITA dient en dit bekend staat bij de MPLA d) dat de UNITA-aanhangers door de MPLA vervolgd worden en e) gezien haar lidmaatschap van de UNITA Mevrouw T. geen bescherming heeft gevonden of denkt te kunnen vinden van de autoriteiten bestaat er in hoofde van Mevrouw XXX een gegronde vrees voor vervolging wegens ras, nationaliteit het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging in de zin van art. 1, A, 2) van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951.”; 2.3.
  11. Overwegende dat uit de bewoordingen van het middel blijkt dat de verzoekende partij de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel inroept; dat dit beginsel enkel betekent dat de commissaris-generaal zijn beslissing moet steunen op een correcte feitenvinding; Overwegende dat vooreerst dient te worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel ; dat de verzoekende partij zich voor het overige beperkt tot de herhaling van de reeds in de bestreden beslissing opgenomen feitelijke gegevens, zonder concreet uiteen te zetten in welke zin de bestreden beslissing steunt op niet-correcte gegevens; dat zij derhalve niet aantoont hoe de zorgvuldigheidsverplichting werd geschonden; dat het derde middel ongegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  14. XIV-14.841-8/9 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en vier, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-14.841-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.