id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.626 Rolnummer: A. 108801/VII-32007 Zaak: Arrest 132626 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-06-25 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Fiche Arrest nr 132.626 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.626 van 18 juni 2004 in de zaak A. 108.801/VII-32.007 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J.-P. HANSSEN, kantoor houdende te 4040 HERSTAL, Rue Charles Martel 7 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ----------------------------------------------------------------------------------------------------------- ----- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 10 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 mei 2004; VII-32.007-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die, loco Advocaat J.-P. HANSSEN, verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 29 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 31 oktober
- 1.
- Op 11 december 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 juli 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal is als volgt gemotiveerd : "(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. (...) Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken bent u een etnisch Albanese afkomstig uit Sllatine, Kosovo. In september 1998 zou, met uw moeder en zus, naar Albanië zijn gevlucht waar u tot juli 1999 zou hebben verbleven, alvorens naar Sllatine terug te keren. Bij uw terugkeer zou u uw woning volledig vernield hebben teruggevonden. Sindsdien zou u, en dit tot aan uw vertrek naar België, in een tent hebben gewoond. Wegens de slechte levensomstandigheden zou uw moeder VII-32.007-2/5 zwaar ziek geworden zijn en zouden jullie hebben besloten Kosovo te verlaten. Op 20 oktober 2000 zou u, met uw moeder en zus, uit Kosovo zijn vertrokken en via Albanië, Italië en Frankrijk naar België zijn gereisd waar u op 31 oktober 2000 een asielaanvraag indiende. Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u, anno 2000, omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie uw land van herkomst hebt verlaten of alsnog zulk een vrees dient te koesteren bij een eventuele terugkeer naar Kosovo. De door u aangehaalde elementen, met name de slechte levensomstandigheden, het gebrek aan een woning en de gezondheidstoestand van uw moeder, zijn problemen van louter socio-economische en medische aard en ressorteren bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Aangezien uit uw verklaringen ten overstaan van de Dienst Vreemdelingenzaken voldoende blijkt dat uw asielmotieven kennelijk vreemd zijn aan de Conventie van Genève, meen ik dat het niet nodig is u te horen.". 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt : "Sur le premier moyen pris de la violation de la loi: L'article 63.3 § I alinéa 1 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers prescrit au Commissaire Général aux Réfugiés et aux Apatrides et à ses adjoints de prendre une décision dans les 30 jours suite à un recours urgent. Dans ce cas, le délai de 30 jours est dépassé. Cette longue attente laisse espérerola requérante qu'une réponse positive pourrait lui être notifiée. La réception de la confirmation du refus de séjour cause alors un immense découragement et cause préjudice."; 2.1.
- Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het overschrijden van een termijn van orde de wettigheid van de bestreden beslissing niet in het gedrang brengt; dat het verloop van een bepaalde tijdsduur voor de behandeling van een dossier betreffende de aanvraag tot het verkrijgen van de status van vluchteling bovendien niet tot gevolg heeft dat er enig recht op verblijf ontstaat; dat verzoekster voorts niet aantoont welk belang zij heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen, nu zij al die tijd in België tegen de beweerde vervolging een veilig toevluchtsoord vond en zij ondertussen de nodige tijd kreeg om ter staving van haar asielaanvraag bewijsstukken naar voren te brengen; dat het eerste middel derhalve ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel het volgende stelt : "Sur le deuxième moyen pris de motivation et de l'erreur manifeste d'appréciation: les persécutions subies doivent s'apprécier individuellement: la crainte subjective de persécutions est suffisante pour déclarer recevable une demande d'asile."; VII-32.007-3/5 2.2.
- Overwegende dat verzoeksters uiteenzetting niet kan worden gevolgd; dat de bestreden beslissing stelt dat de asielaanvraag van verzoekster vreemd is aan de criteria van de Conventie van Genève, dat de problemen die verzoekster aanhaalt, met name de slechte levensomstandigheden, het gebrek aan een woning en de gezondheidstoestand van haar moeder, problemen van louter socio-economische en medische aard zijn en bijgevolg niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen; dat verzoekster geen enkele poging onderneemt om deze vaststellingen te weerleggen; dat niets erop wijst dat verzoeksters asielaanvraag niet individueel werd beoordeeld; dat de door verzoekster aangehaalde subjectieve vrees voor vervolging geen grondslag vindt in het administratief dossier; dat bovendien bij het bepalen van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging een subjectief en een objectief element in aanmerking dienen te worden genomen; dat de subjectieve vrees voor vervolging van de asielzoeker, in tegenstelling tot wat verzoekster beweert, niet volstaat; dat deze vrees daarenboven, objectief gezien, gerechtvaardigd moet zijn; dat het oordeel van de Commissaris-generaal, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier, dan ook niet als kennelijk onredelijk voorkomt; dat de bestreden beslissing daarenboven is genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het tweede middel derhalve ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. VII-32.007-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en vier, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. M.-R. BRACKE. VII-32.007-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.626 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div