id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.651 Rolnummer: A. 108425/XIV-5962 Zaak: Arrest 132651 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Fiche Arrest nr 132.651 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.651 van 18 juni 2004 in de zaak A. 108.425/XIV-
(54), 55, nr. 25). Het moet gaan om een coherent, geloofwaardig of minstens aanneembaar verhaal; er wordt door die bepaling geenszins vereist dat de asielzoekers hun recht op asiel in enige mate bewijzen (Gedr. St., Kamer, 1992-1993, 903/5,47). Van zodra er twijfel bestaat, moet de betrokkene worden toegelaten met het oog op een onderzoek ten gronde met de daaraan verbonden procedure en waarborgen inzake rechtsbescher- ming zoals o.m. de mogelijkheid om inzage te nemen van de stukken, met inbegrip van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie; waarborgen die thans aan verzoeker ingevolge de aard van de gevolgde procedure ten onrechte werden onthouden. Toepassing in concreto
- Er valt niet redelijkerwijze te verklaren dat 27 (sedert de indiening van het dringend beroep) resp. 32 (sedert de asielaanvraag) maanden nodig zijn geweest om in de fase van de ontvankelijkheidbeoordeling het onderzoek te voeren dat noodzakelijk beperkt is om - gelet op de gegevens die door verzoeker werden aangebracht - zonder redelijke twijfel te besluiten dat de door hem ingediende aanvraag kennelijk ongegrond is. Overigens kan niet worden beweerd dat in zulk geval nog sprake is van een snelle procedure of dat een snelle repatriëring mogelijk is, hetgeen uiteindelijk datgene is wat door de wetgever werd beoogd (zie supra).
- Aldus wordt een kandidaat vluchteling in die periode van ruim tweeëneenhalf jaar geduwd in een soort van ‘niemand - land’ (geen mogelijkheid tot terugkeer nu er in hoofde van verzoeker wel degelijk sprake is van een gegronde vrees noch enige mogelijkheid tot werkelijke integratie in het land van ontvangst bij gebrek aan ontvankelijkheidbewijs waardoor het onmogelijk is om op een legale wijze te worden tewerkgesteld; m.a.w. een toestand van pure afhankelijkheid wordt aldus gecreëerd) en zonder dat hem in die periode van 21 juni 1999 (interview op het CGVS) en 13 juli 2001 (datum van de eindbeslissing) enig bijkomende inlichting, stuk of bewijs is gevraagd, laat staan een bijkomende hoorzitting om onduidelijkhe- den die klaarblijkelijk gerezen waren, te verhelderen hetgeen met het oog op een zorgvuldige besluitvorming onontbeerlijk blijkt.
- In dat opzicht is het van belang op een aantal ongerijmdheden in de motieven van de bestreden beslissing te wijzen. Aldus wordt, wat het eerste asielmotief betreft, door de CGVS gesteld dat verzoekers problemen van ‘plaatselijke aard zijn, gezien zij enkel zouden voortkomen uit een conflict tussen betrokkene en ... zijn directe werkgever’, dat hij XIV-5962-11/15 het heft in handen nam nog voor hij beschuldigd was, dat niet blijkt dat hij geen eerlijk proces zou krijgen, enz.. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt niet met zekerheid dat het conflict van louter plaatselijke aard zou zijn. Hij heeft er overigens op gewezen tijdens het interview van 21 juni 1999 dat de burgemeester van D. nauwe banden had met de toenmalige Minister van Defensie, later Eerste Minister en dat de mannen die hem kwamen aanhouden stelden (een) over een aanhoudingsmandaat te beschikken vanwege de procureur van de Republiek. Overigens zijn omtrent het al dan niet plaatselijk karakter van het conflict aan verzoeker geen expliciete vragen gesteld. Bovendien werd het aanhoudingsmandaat, naar de uitspraken van verzoeker, uitgevaardigd door de Procureur van de Republiek en was het de bedoeling betrokkene eerst aan te houden zonder dat hem de inhoud van het arrestatiebevel werd voorgelezen hetgeen hem overigens op dat ogenblik geweigerd werd (in die volgorde: éérst aanhouden en, vervolgens, zeggen waarom), evenals de aanwezig- heid van de burgemeester. Vervolgens werd betrokkene wegens zijn weerbarstig gedrag; bedreigd met een pistool, d.w.z. omdat hij zich verzette (pistool achter het oor gelegd) en is hij, na één van zijn arresteerders - zich aldus verdedigend - met een houten beeldje te hebben geslagen, gevlucht. Ook heeft hij tijdens het interview gemeld dat zijn medewerkers daags nadien werden aangehouden (stuk nr. 2) hetgeen ook vandaag nog het geval zou zijn. Overigens verklaarde Mevrouw uitdrukkelijk geen hulp van hogerhand te hebben ingeroepen omdat de politie juist gestuurd was vanuit de hogere overheid (stuk nr. 2, p. 10 in fine). Deze aspecten worden in de bestreden beslissing hetzij niet vermeld, hetzij niet weerlegd. De aanhouding moest derhalve noodzakelijkerwijs verband met de politieke engagementen van betrokkene betreffende de toestand van de vluchtelingen en niet met betrekking tot de ‘gerechtelijke vervolging volgend op de dood van de betrokken geslagen man’ nu die (gebeurlijke) dood noodzakelijkerwijze achteraf is geschied. Betrokkene werd immers eerst aangehouden en naar aanleiding van die aanhouding vonden de schermutselingen plaats en - mogelijk - met als gevolg de met het houten beeld getroffen man.
- Overigens, kan redelijkerwijze worden betwijfeld of het daadwerkelijk ‘een probleem van gemeenrechtelijke aard’ is, zoals in de bestreden beslissing wordt beweerd, nu, zo blijkt uit de verklaringen van verzoeker, de geslagen man behoorde tot de groep van mannen die verzoeker kwamen aanhouden. Voorts lijkt het toch wat vergezocht om te vereisen dat men een aanhouding om politieke redenen (zijn activiteiten rond het vluchtelingenbeleid waren immers de drijfveer van de aanhouding) eerst moet laten voltrekken, om daadwerkelijk in de feiten te kunnen constateren of er ook daadwerkelijk een eerlijk proces volgt.
- Tenslotte, trekt de CGVS uit de verklaringen van betrokkene nopens datgene wat de journalist die hij ontmoette in M. aan betrokkene had verteld, conclusies die door verzoeker zelf niet zijn gemaakt. Inderdaad, het gegeven dat de journalist hem vertelde dat het slachtoffer ‘door zijn eigen mensen was vermoord om de schuld in de schoenen van betrokkene te schuiven’, betekent nog niet dat verzoeker dergelijke uitleg tot de zijne maakt. Mogelijk is zulks zelfs gezegd - in een eerste ‘verhoor’ voor de Dienst Vreemdelingenzaken, zoals terminologisch door de bestreden beslissing niet geheel ten onrechte wordt aangegeven - om in het land van ontvangst niet te worden bejegend als een potentiële verdachte van gemeen recht. Hoe dan ook, blijft betrokkene zelf in het ongewisse over de precieze gang van zaken in verband met het overlijden van de betrokken man aangezien hij op dat ogenblik het land van herkomst al was ontvlucht. Wel weet hij met zekerheid aan de hand van het getoonde fo(r)tomateriaal dat de inboedel van het huis van zijn ouders werd vernietigd en dat zijn oudere broer en zijn ouders zijn verdwenen zonder dat hij op de dag van vandaag nieuws heeft van één van hen; noch weet waar zij zich bevinden.
- Bovendien, zegt de bestreden beslissing duidelijk niet dat er tegenstrijdigheden of antinomieën of incoherente verklaringen vanwege verzoeker of diens echtgenote zouden zijn. Hoogstens, poneert de bestreden beslissing dat ‘deze bewering niet door betrokke- nes ‘verklaringen voor het Commissariaat-generaal, noch door de verklaringen van betrokkenes ‘vrouw voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal (wordt) bevestigd”. XIV-5962-12/15 Er kan evenwel ernstig worden betwijfeld of daardoor geen geloof meer moet worden gehecht hetzij aan het door de journalist verhaalde feit of aan het globale verhaal van verzoeker. Er is in dat verband op te wijzen dat op het ogenblik van de ontvankelijkheidprocedure er geen inzage is in het dossier zodanig dat men niet kan weten waar mogelijk nog onduidelijkheden of lacunes zijn. In die fase heeft verzoeker enkel vriendelijk en beleefd op de gestelde vragen geantwoord en, voor zover verzoeker dat kon inschatten, op eigen initiatief zijn verhaal verteld. Verzoeker is evenwel tijdens het interview bij het CGVS niet expliciet met een vraag hieromtrent geconfronteerd, niet wetende - overigens - dat dit element op een gegeven ogenblik tegen hem zou worden gebruikt. Minstens had, gelet om de comfortabele - doch in casu onredelijke - termijn van 27 resp. 32 maanden van onderzoek die de CGVS tot de zijne heeft gemaakt - in weerwil overigens van de termijn van dertig werkdagen die de wetgever voor ogen stond -, de tijd kunnen vinden met het oog op een zorgvuldige feitenvinding, en derhalve besluitvorming, om daaromtrent bijkomende vragen te stellen. Allicht is het gebrek daaraan evenwel te verklaren doordat zulke vragen resp. ophelderingen of verduidelijkingen normaliter tijdens het onderzoek ten gronde worden gesteld resp. verschaft, onderzoek dat in casu aan verzoekende partij onthouden werd. In die omstandigheden moest, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, worden geoordeeld dat de betrokken aanvraag niet kennelijk ongegrond is. Kennelijk ongegrond is immers enkel datgene waarvan het bestaan of de natuur zich aan elk redelijk denkend mens opdringt met zulk een overtuiging dat verdere ondervraging niet meer nodig lijkt (R.v.St., nr. 49.972, van 24 oktober 1994); dergelijk besluit kon in casu in achtgenomen ook de aard zelf van het noodzakelijk beperkte onderzoek in de fase van de ontvankelijkheid, evenals de verstreken, onredelijk te achten periode waarin geen verdere onderzoekingen zijn gesteld hoewel klaarblijkelijk onduidelijkheden bleven bestaan, redelijkerwijze niet worden genomen. Derhalve, gelet op al hetgeen voorafgaat, schendt de bestreden beslissing het begrip, ‘kennelijk ongegrond’ bedoeld in artikel 52, § 1, 7/ Vreemdelingenwet waardoor aan verzoekende partij rechtsmiddelen werden onthouden, evenals de zorgvuldig- heidsplicht inzonderheid de plicht tot behoorlijke feitenvinding mede gezien de termijn die de CGVS zich heeft toegemeten om te besluiten tot het kennelijk ongegrond karakter van de aanvraag.”; 3.2.2.. Overwegende, wat betreft het al dan kunnen niet toepassen van de kennelijke ongegrondheid binnen een bepaalde termijn, dient te worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat wat de motieven van de bestreden beslissing betreft, de bestreden beslissing in eerste plaats steunt op het uitsluitend lokale karakter van de ingeroepen problemen die aan de basis van de vlucht liggen; dat uit het dossier duidelijk blijkt dat verzoeker gewag maakte van de familiale banden die bestonden tussen de plaatselijke burgemeester en een lid van de regering; dat deze verklaring in de bestreden beslissing inderdaad niet werd opgenomen; dat niettemin werd besloten dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de ingeroepen vervolgingsfeiten het plaatselijke niveau niet zouden overstijgen; dat verzoeker thans stelt dat hem geen expliciete vragen werden gesteld over het lokaal karakter van de vervolging, het aanhoudingsbevel getekend was door de Procureur van de Republiek en dat verzoekers medewerkers nadien aangehouden werden; dat uit deze gegevens evenwel nog niet blijkt dat het oordeel van de Commissaris-generaal, houdende dat er geen enkele aanwijzing is dat verzoeker niet van een eerlijk proces zou kunnen genieten, noch op legale wijze de bescherming van de hogere autoriteiten had kunnen inroepen, kennelijk onredelijk is of de gegevens van het dossier miskent; dat verzoeker thans slechts poogt, aan XIV-5962-13/15 de hand van een aantal elementen uit het dossier, een andere interpretatie te geven aan het asieldossier dan die van de Commissaris-generaal; dat dit neerkomt op een vraag om het asieldossier aan een nieuwe feitelijke beoordeling te onderwerpen; dat het de Raad van State, in het kader van zijn marginale toetsingsbevoegdheid, niet toekomt zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de Commissaris-generaal; dat dit onderdeel van het middel dan ook niet tot de nietigverklaring kan leiden; dat, wat betreft het oordeel houdende dat het verder niet aannemelijk is dat de politie omwille van een politiek getint conflict op lokaal niveau een van haar eigen mensen zou vermoorden, enkel met de bedoeling om verzoeker hiervan te beschuldigen, verzoeker thans zelf afstand neemt van deze bewering; dat daarmee dan ook de asielmotieven betreffende de vervolging wegens moord en de beweerde bloedwraak van de familie van het slachtoffer wegvallen, zodat de vaststellingen van de Commissaris-generaal op dit punt terecht blijken; dat verzoeker aldus niet aantoont dat het oordeel houdende dat hij niet doet blijken van een vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie, kennelijk onredelijk is; dat het tweede middel in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot heropening van de debatten wordt verworpen en het door de verzoekende partij aangebrachte nieuwe stuk wordt uit de debatten geweerd. XIV-5962-14/15 Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5962-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div