← België

Arrest 132651 - - 18/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.651 Rolnummer: A. 108425/XIV-5962 Zaak: Arrest 132651 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Fiche Arrest nr 132.651 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.651 van 18 juni 2004 in de zaak A. 108.425/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. LEUS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Goedheidsstraat 5-7 tegen :
  2. de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnen- landse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 1 augustus 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 maart 1999 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 december 2002 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 maart 2003; XIV-5962-1/15 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Adjunct-adviseur V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX, van XXX nationaliteit, is België binnengekomen op 13 november 1998 en heeft zich op 16 november 1998 vluchteling verklaard. Tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken maakt verzoeker gebruik van het Armeens, met behulp van een tolk. 1.
  6. Op 24 maart 1999 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Verzoeker ging hiertegen in dringend beroep. 1.
  7. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 13 juli 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 maart 1999 tot weigering van verblijf luidt als volgt : “(...) Betrokkene werd verhoord op 21 juni 1999 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is. Betrokkene, een XXX staatsburger van XXX origine, verklaart in XXX problemen te hebben gekend omwille van zijn politieke standpunten en omwille van een moord die in zijn schoenen geschoven wordt. Betrokkene zou begin januari 1998 samen met zijn gezin het land verlaten hebben en zou naar M. gevlucht zijn, waar hij tot 9 november 1998 zou gebleven zijn. Op 13 november 1998 zou betrokkene in België aangekomen zijn, waar hij op 16 november 1998 asiel aangevraagd heeft. Sinds 1993 zou betrokkene als coördinator gewerkt hebben in de vluchtelingendienst van de stad D., waar hij verantwoordelijk zou geweest zijn voor de huisvesting van vluchtelingen uit N. in locale gezondheidscentra. In 1996 zou de burgemeester het plan opgevat hebben de gezondheidscentra te privatiseren en zou hij betrokkene onder druk gezet hebben de vluchtelingen weg te sturen. Betrokkene zou echter geweigerd hebben en er zou een woordenwisseling gevolgd zijn. Betrokkene zou onder de vluchtelingen een XIV-5962-2/15 petitie hebben laten circuleren, zou drie grote manifestaties georganiseerd hebben voor het stadhuis en zou op 4 september 1997 een krantenartikel hebben laten publiceren, waarin hij het beleid van de burgemeester op de korrel nam en wees op de onwettigheid van diens acties. Enkele dagen later zou de burgemeester betrokkene geconvoceerd hebben en hem bedreigd hebben. Op 4 oktober 1997 zouden drie of vier personen uit E. naar betrokkenes werk gekomen zijn om betrokkene te arresteren. Eén van hen zou een arrestatiebevel voorgelezen hebben. Betrokkene zou geëist hebben dat de burgemeester aanwezig moest zijn en zou daarop door één van de mannen op het hoofd geslagen zijn met een revolver. Betrokkene zou een houten beeldje gepakt hebben en de man neergeslagen hebben, waarna hij uit het raam gevlucht zou zijn. Betrokkene zou naar een oude legervriend in K. gegaan zijn. De volgende dag zou deze vriend betrokkenes vrouw gaan halen zijn. Eerder op de dag zouden medewerkers van de vluchtelingendienst van D. gearresteerd zijn en zou de politie bij betrokkene thuis alle documenten hebben geconfisceerd. In januari 1998 zou betrokkene met zijn gezin naar M. vertrokken zijn. In oktober 1998 zou een bevriende XXX journalist betrokkene in M. opgezocht hebben. Hij zou gezegd hebben dat de persoon die betrokkene met het beeldje geslagen had aan zijn verwondingen gestorven was en dat betrokkene door de XXX overheid en door de familie van die man gezocht werd voor moord. De familie van de vermoorde man zou betrokkenes familie lastig gevallen en geslagen hebben. Daarna zouden betrokkene en zijn gezin naar België gekomen zijn. Uit betrokkenes beweringen blijkt dat hij zijn asielaanvraag steunt op twee verschillende asielmotieven, ten eerste zijn politieke engagement tegenover de vluchtelingen, waarvoor hem een arrestatie boven het hoofd hing, en ten tweede de dood van de persoon die betrokkene had geslagen, waardoor betrokkene door de overheid en door de familie voor moord zou gezocht worden. Wat zijn eerste asielmotief betreft, dient opgemerkt te worden dat betrokkenes problemen van plaatselijke aard zijn, gezien zij enkel zouden voortkomen uit een conflict tussen betrokkene en de plaatselijke burgemeester van D., zijn directe werkgever. Bovendien heeft betrokkene het heft in eigen handen genomen door een van zijn arresteerders te slaan en dan te vluchten, en dit nog voor hij wist waarvan hij beschuldigd werd (CGVS, p.8). Uit niets blijkt dat betrokkene geen eerlijk gerechtelijk proces zou krijgen, zo het al tot een proces zou zijn gekomen. Noch is er enige aanwijzing dat hij niet de bescherming van hogere autoriteiten had kunnen inroepen om op een legale wijze zijn onschuld te bewijzen. Wat betreft de door betrokkene aangehaalde gerechtelijke vervolging volgend op de dood van de door betrokkene geslagen man, dient vastgesteld te worden dat dit een probleem van gemeenrechtelijke aard is, dat bijgevolg niet binnen het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie valt. Betrokkene beweerde voor de Dienst Vreemdelingenzaken evenwel dat de journalist die hem in M. kwam opzoeken hem verteld had dat het slachtoffer door zijn eigen mensen was vermoord om de schuld in betrokkenes schoenen te kunnen schuiven (DVZ, nr. 42). Het is echter niet aannemelijk dat de politie omwille van een politiek getint conflict op lokaal niveau zo ver zou gaan om eigen personeel te vermoorden, enkel om één van de actoren binnen dit conflict van moord te kunnen betichten. Bovendien wordt deze bewering niet door betrokkenes verklaringen voor het Commissariaat-generaal, noch door de verklaringen van betrokkenes vrouw voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal bevestigt. Hierdoor kan aan dit feit geen geloof meer gehecht worden. Wat betreft de problemen die betrokkene zou hebben met de familie van het slachtoffer dient opgemerkt te worden dat bloedwraak geen geldig vluchtmotief is in de zin van de Vluchtelingenconventie en bijgevolg niet als dusdanig beoordeeld dient te worden. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door betrokkene in het kader van zijn asielprocedure neergelegde documenten (foto's van de schade die de familie van het slachtoffer zou hebben aangericht aan het huis van betrokkenes familie) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op XIV-5962-3/15 het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 24 maart
  8. De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandig- heden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
  9. Over de procedure. 2.
  10. Overwegende dat de zaak op de terechtzitting van 12 maart 2003 werd opgeroepen en dat de zaak in beraad werd genomen; dat verzoeker met een verzoekschrift van 6 oktober 2003 heeft verzocht om de heropening van de debatten aangezien hij meent een nieuw stuk te hebben ontdekt dat zulks verantwoordt; dat dit stuk meer bepaald het antwoord betreft op de door verzoeker op 10 april 2001 ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarin vermeld staat : “(...) Tot slot, de problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewo- ne omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 in te dienen. (...)”; dat verzoeker thans stelt dat, aangezien de Minister van Binnenlandse Zaken zelf erkent dat het onderzoek diepgaand was, dit stuk kan dienen ter ondersteuning van het tweede middel, waarin wordt gesteld dat in werkelijkheid een beslissing ten gronde werd genomen, daar waar de Commissaris-generaal het onderzoek in de ontvankelijkheidsfase moest beperken tot de vraag of de asielaanvraag al dan niet kennelijk ongegrond was; 2.
  11. Overwegende dat de Minister van Binnenlandse Zaken geen enkele beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat het feit dat de Minister in een andere aanvraag het onderzoek van de Commissaris-generaal heeft gekwalificeerd als “diepgaand”, geen enkel effect heeft op de aard en draagwijdte van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dit stuk geen enkele weerslag heeft gehad op het nemen van de beslissing van de Commissaris-generaal aangezien het van latere datum is; dat de kwalificatie door de Minister derhalve louter incidenteel is en dus niet voldoet aan het vereiste dat het nieuwe feit of stuk van “overwegend belang” moet zijn zoals voorzien door artikel 772 van het Gerechtelijk Wetboek; dat bovendien uit de bewoordingen van het verzoek tot heropening van de debatten duidelijk blijkt dat het nieuw stuk enkel dient ter ondersteuning van hetgeen reeds werd uiteengezet in het tweede middel, XIV-5962-4/15 en als dusdanig geen gegevens bevat die een ander licht op de zaak kunnen werpen, noch gegevens van overwegend belang bevat die bij het onderzoek van dit middel kunnen doorwegen; dat derhalve het verzoek tot heropening van de debatten dient te worden afgewezen en het nieuw voorgebrachte stuk uit de debatten dient te worden geweerd; 3.Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  12. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “II. BETREFFENDE DE GROND VAN DE ZAAK Middelen strekkende tot de vernietiging van de bestreden beslissing A.
  13. EERSTE MIDDEL, genomen uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, inzonderheid dat een bestuursbeslissing binnen redelijke termijn moet worden genomen, Doordat, slechts 27 maanden na het indienen van het dringend beroep of 32 maanden na het indienen van de asielaanvraag, en dan nog in het kader van de fase van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag door de Commissaris-generaal een bevestigende weigeringbeslissing is genomen inzake de door de verzoeker ingediende aanvraag om politiek asiel, Terwijl, overeenkomstig artikel 63/3 Vreemdelingenwet een beslissing omtrent de al dan niet ontvankelijkheid van de ingediende aanvraag moet worden genomen binnen een termijn van dertig werkdagen na de indiening van het beroep, minstens, op grond van de zorgvuldigheidsplicht die op het bestuur rust, binnen een redelijke termijn, ook wanneer de initiële weigeringbeslissing, na het dringend beroep, wordt afgewezen omdat de asielaanvraag kennelijk ongegrond wordt geacht. Ontwikkeling van het eerste middel Algemeen.
  14. In een rechtsstaat moet de overheid de nodige zorgvuldigheid aan de dag leggen bij haar besluitvorming. Deze verplichting is overigens slechts een concretisering door de rechter van de algemene zorgvuldigheidsplicht die op eenieder, en ook op de overheid, rust. Het is vaste rechtspraak dat deze plicht inderdaad ook op de overheid rust, of het nu gaat om materiële uitvoeringsdaden, of (bevestigende dan wel rechtsscheppende) beslissingsdaden, handelingen met individuele of algemene draagwijdte, positieve handelingen of verzuimen. De plicht tot zorgvuldig bestuur en, meer bepaald de vraag wanneer een bestuur zorgvuldig optreedt, is, ingevolge het evolutief karakter van deze gedragsnorm waarvan de schending in rechte wordt gesanctioneerd, in de praktijk niet eenvoudig te bepalen: het heeft immers een variabele inhoud en omvat verschillende facetten. Wel is duidelijk dat bij de beoordeling en toetsing van het overheidshandelen of, juist, het niet - of laattijdig handelen aan de algemene zorgvuldigheidsplicht, moet worden nagegaan, daarbij rekening houdende met de concrete gegevens van de zaak, of het betrokken bestuur een gedrag heeft vertoont dat van een normaal, voorzichtig, redelijk handelende overheid in dezelfde feitelijke omstandigheden geplaatst, mag of moet worden verwacht.
  15. Het niet - tijdig stellen van een rechtshandeling wordt duidelijk gesanctioneerd wanneer vervaltermijnen door de wetgever worden opgelegd. De meeste termijnen echter - zoals in casu - zijn termijnen van orde waarbij er niettemin moet worden over gewaakt, op straffe van schending van de zorgvuldig- heidsplicht, dat zij niet worden overschreden, in ieder geval niet op onredelijke wijze. Inderdaad, evenmin als het geoorloofd is overhaast een beslissing te nemen wanneer daardoor de zorgvuldigheid wordt geschaad omdat bijvoorbeeld door zulk overhaast handelen een volledige vaststelling, minstens een zo volledig mogelijke vaststelling van de feiten in het gedrang wordt gebracht derwijze dat de in de besluitvorming betrokken feiten en belangen onvoldoende worden belicht (zie nog infra), is het geoorloofd té of abnormaal lang te wachten. Toepassing in concreto. XIV-5962-5/15
  16. Ingevolge artikel 63/3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna ook ‘Vreemdelingenwet’ genoemd), dient de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of een van zijn adjuncten binnen een termijn van dertig werkdagen na de indiening van het (dringend) beroep, de bestreden beslissing tot weigering van verblijf, genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, hetzij te bevestigen, hetzij dient hij te beslissen dat een verder onderzoek noodzakelijk is en dat de betrokkene voorlopig toegelaten wordt tot binnenkomst, verblijf of vestiging in de hoedanigheid van kandidaat vluchteling in afwachting van een beslissing in de zin van artikel 57/6, eerste lid, van die wet.
  17. Deze wet verbindt zelf geen specifieke sanctie aan een eventuele termijnoverschrij- ding. De bedoelde termijn van dertig werkdagen wordt beschouwd als een ordetermijn. Ordetermijnen moeten evenwel ook worden gerespecteerd. Het niet - respecteren van de termijn van orde evenwel moet, behoudens overmacht of enig andere ingeroepen en bewezen rechtvaardigingsgrond, in rechte worden gesanctioneerd (zie nog infra wat de toe te passen sanctie betreft) wanneer de aldus voorgeschreven termijn van orde - of zelfs bij gebrek aan termijnbepaling wanneer de beslissing onredelijk lang uitblijft - op onredelijke en, derhalve, onbehoorlijke en onzorgvuldi- ge wijze door de overheid wordt overschreden, daarbij rekening houdende met de specifieke en concrete gegevens van de zaak.
  18. Uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat de Heer XXX, evenals zijn echtgenote M., na hun aankomst in België op 13 november 1998, op 16 november 1998 politiek asiel hebben aangevraagd. Ongeveer vier maanden later, bij beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken (Dienst Vreemdelingen) van 24 maart 1999 wordt hem (en zijn echtgenote) dat geweigerd. In die beslissing (zie hoger) wordt de aanvraag kennelijk ongegrond beoordeeld. Op 26 maart 1999 dient betrokkene een dringend beroep in tegen voormelde beslissing bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Op 21 juni 1999, na hiertoe bij schrijven van 8 juni 1999 te zijn opgeroepen, wordt betrokkene, ‘bijgestaan door een tolk, die de A. taal machtig is’ (en klaarblijkelijk ook de Franse) ‘op de zetel van het Commissariaat-generaal verhoord’ ( sic: niet ‘gehoord’). Na hiertoe meermaals telefonisch te zijn uitgenodigd - en, gebeurlijk, in het bijzonder aangespoord door de door verzoeker ingediende regularisatieaanvraag op grond van artikel 9, derde lid, Vreemdelingenwet en zijn verwoede pogingen om bij de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling de procedure voor de toekenning van een arbeidsvergunning op gang te brengen -, is het de Commissaris- generaal gelukt om, méér dan 27 maanden na het indienen van het dringend beroep, met name op 13 juli 2001, in de fase van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag een beslissing te nemen waarbij de weigeringbeslissing van 24 maart 1999 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken wordt bevestigd en de aanvraag van verzoeker om asiel als kennelijk ongegrond wordt afgewezen. Inderdaad mag in de fase van de ontvankelijkheid een beperkt onderzoek naar de grond van de zaak worden gevoerd teneinde, gebeurlijk, het kennelijk, evident of manifest ongegrond karakter van de aanvraag te constateren en zo doende een snelle - quod in casu non - repatriëring te bewerkstelligen. In die periode van 27 maanden is op geen enkel ogenblik aan verzoeker om bijkomende informatie gevraagd of gevraagd enige onduidelijkheid te helpen uitklaren, hoewel uit de motieven van de beslissing kan worden afgeleid dat daar op verscheidene punten een behoefte aan was (zie infra). Er moet worden vermeld dat verzoeker op geen enkel ogenblik obstructie heeft betoond, wel integendeel. Hij is verschenen bij de eerste oproep, verleende vlotte medewerking tijdens de hoorzitting en bevroeg zich meermaals bij het CGVS omtrent het waarom van het uitblijven van de beslissing. Hem kan derhalve in geen geval worden verweten de beslissing te hebben vertraagd.
  19. Markant is, dat uiteindelijk méér dan 27 maanden na het indienen van het dringend beroep de initiële weigeringbeslissing wordt bevestigd en de aanvraag kennelijk ongegrond wordt bevonden op grond van quasi gelijklopende redenen als aangehaald in de initiële beslissing. Al moet worden opgemerkt - ook dat is XIV-5962-6/15 opvallend - dat het CGVS geen graten zag, zoals de Dienst Vreemdelingen daarentegen wel deed, - in de verklaring dat betrokkene, na zijn vlucht, eerst gedurende een aantal maanden in M. verbleef zonder aldaar een aanvraag om politiek asiel in te dienen. Dergelijke grond tot weigering tot verblijf of afwijzing van de asielaanvraag laat de administratie nochtans toe - in de fase van de beoordeling van de ontvankelijkheid om kandidaat-vluchtelingen te weigeren zonder kennis te moeten nemen van de grond van de zaak.
  20. Wel integendeel, de bestreden beslissing wijdt - duidelijk meer dan gewoonlijk in de praktijk van het CGVS gebruikelijk is - uit in de weerlegging van de ingeroepen inhoudelijke motieven waarop de asielaanvraag is gebaseerd. Mogelijk strekt de poging om ten gronde te motiveren er in deze veeleer toe om, gebeurlijk, in een later stadium, de ‘deugdelijkheid’ of ‘grondigheid’ - quod non (zie hierna in het tweede middel) - van de besluitvorming te verantwoorden of, anders geformuleerd, om zich een argument te verschaffen - zij het tevergeefs - om een eventueel middel inzake het overschrijden van de redelijke termijn in het kader van een schorsing - of vernietigingsberoep bij Uw Raad ingediend tegen de bestreden beslissing, (mede) te weerleggen. In dat verband moet echter worden opgemerkt dat de Commissaris-generaal in de fase van het beoordelen van de ontvankelijkheid van de aanvraag, wanneer hij een bevestigende weigeringbeslissing wegens kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag neemt, zich moet beperken tot een beperkt onderzoek naar de grond van de zaak. Inderdaad, de mogelijkheid om in de fase van de ontvankelijkheid een aanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen, is er gekomen om misbruiken van de asielproce- dure te voorkomen door bij de aanvang van de procedure zoveel mogelijk ongegronde aanvragen af te wijzen. Aanvragen die wel in aanmerking komen voor de procedure, kunnen op die manier sneller worden afgehandeld (Gedr. St., Senaat, 1992 - 1993, 555/2, 113). Tegelijkertijd werd met de invoering van die mogelijkheid tevens een snelle afhandeling van de (kennelijk ongegronde) aanvragen beoogt die mogelijk moet maken dat in die gevallen snel kan worden overgegaan tot repatriëring (Gedr. St., Senaat, 1992 - 1993, 555/2, 89, cursivering toegevoegd). Echter, een verloop van 27 maanden sedert de indiening van het dringend beroep of van omstreeks 32 maanden sedert de asielaanvraag kan bezwaarlijk - hoe flexibel men ook wil zijn - als ‘snel’ worden beoordeeld zonder afbreuk te doen aan het wezen van het begrip zelf. Er valt ook niet in te zien hoe een periode van 27 resp. 32 maanden valt te rijmen met een - beperkt of summier te blijven - onderzoek dat resulteert in een ‘kennelijk ongegrond’ - beoordeling.
  21. Bovendien mag niet onbesuisd tot deze afwijzingsgrond worden besloten nu hij o.m. tot gevolg heeft dat hij een beperking inhoudt van de beroepsmogelijkheden voor de betrokkene en, overigens, minder waarborgen biedt (zie hierna betreffende het tweede middel). Dit brengt mee dat, in de fase van de ontvankelijkheid, enkel die aanvragen die na een prima facie - onderzoek zonder enige twijfel (‘kennelijk’ of ‘manifest’) niet gegrond worden bevonden in dit stadium kunnen worden afgewezen. Iedere gerezen twijfel moet met inachtneming van de waarborgen waarmee de fase van het onderzoek naar de gegrondheid overeenkomstig de wet is bekleed, worden gevoerd. Deze bevinding geldt des te meer nu uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat voor die (kennelijk ongegronde) gevallen een snelle afhandeling wordt beoogd met het oog op een snelle repatriëring teneinde te vermijden dat betrokkene zich integreert wijl hem uiteindelijk verblijf of vestiging zal worden geweigerd, dat zijn terugkeer wordt bemoeilijkt of, zelfs, onmogelijk wordt of nog dat er bij hem verwachtingen zouden rijzen die nadien niet kunnen worden gehonoreerd. Zulk beperkt onderzoek en snelle afhandeling is uiteraard moeilijk verenigbaar met het voeren van bijkomend en uitgebreider onderzoek op tegenspraak hetgeen noodzake- lijkerwijze tijd vraagt. De motivering waarop de CGVS zich in deze beroept schijnt evenwel kennelijk omgekeerd evenredig met het zgn. kennelijk ongegrond karakter van de aanvraag.
  22. Gebeurlijk zal verwerende partij zich pogen te beroepen op de toevloed van asielaanvragen om het onredelijk karakter van de verstreken termijn te weerleggen. XIV-5962-7/15 Een dergelijk verweer kan ditmaal echter niet baten. Vooreerst is op te merken dat het voorheen aan de Minister in artikel 57/11 Vreemdelingenwet verleende evocatierecht bij artikel 3 van de wet van 9 maart 1998 tot wijziging van de artikelen 54, 57/11, 57/12, 57/14bis en 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is opgeheven. Er werd immers vastgesteld niet alleen dat de Minister hiervan nooit gebruik had gemaakt maar bovendien werd geoordeeld dat de achterstand van het CGVS sedert 1993 gestadig is gedaald zodoende dat het kon worden afgeschaft (Gedr. St., Senaat, 1996-1997, nr. 1-798/2). Evenmin kan worden aangevoerd dat een termijn van 27 maanden (sedert de indiening van het dringend beroep) of van 32 maanden (sedert de asielaanvraag) niet onredelijk is nu de wetgever met de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk heeft geoordeeld dat slechts na verloop van een termijn (van) vier resp. drie jaar (in het geval er minderjarige, schoollopen- de kinderen zijn zoals in casu) sedert de indiening van de aanvraag een regularisa- tieaanvraag kunnen indienen, onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. Vooreerst is op te merken dat van die regularisatiemaatregel - die er voor die gevallen in wezen toe strekte tegemoet te komen aan die vreemdelingen die zich hadden geïntegreerd bij het uitblijven van een beslissing binnen redelijke termijn - is meermaals verklaard dat hij uniek zou zijn. Vervolgens mag van een behoorlijk bestuurder worden verwacht dat hij niet tweemaal dezelfde onzorgvuldigheid begaat. Bovendien mag hij de tweede maal strenger worden beoordeeld en moet niet per se een termijn van drie volle jaren zijn verstreken om die compleet onredelijk te achten. Overigens kan een falen in de organisatie van de openbare dienst niet ten laste vallen van de rechtszoekende. Afgezien nog van het feit dat een eventuele argumentatie in die zin van een ongehoord cynisme zou getuigen, is er op te wijzen dat het gegeven dat dergelijke maatregel op een bepaald ogenblik door de wetgever (moest) worden genomen, de administratieve overheid er juist toe had moeten aanzetten om, nog meer dan anders, het zorgvuldigheidsbeginsel te respecteren inzonderheid dat beslissingen binnen redelijke termijn moeten worden genomen. Immers, bij de beoordeling of de zorgvuldigheidsplicht is overtreden moet rekening gehouden worden met de feitelijke gegevens. De algemene zorgvuldigheidsnorm moet worden geconcretiseerd rekening houdende (ook) met de hoedanigheid, de opgedane kennis en ervaring van diegene waarop de plicht rust, evenals de informatie waarover hij beschikt. Niet valt in te zien hoe verwerende partij, na haar eerdere ervaringen in deze materie, alsnog zou kunnen voorhouden aan het verloop van deze onredelijke en abnormaal lange termijn niet te hebben kunnen ontkomen. Allicht zijn het uiteindelijk veeleer parlementaire vragen en verzoekschriften op grond van artikel 9, derde lid Vreemdelingenwet zoals gericht door verzoeker aan de Burgemeester van de Gemeente S. (...) die er - zij het té laat - de CGVS alsnog toe hebben aangezet om, en dan nog met miskenning van het begrip ‘kennelijk ongegrond’ en een verkeerd gebruik van de ontvankelijkheidfase, een uitvoerbare weigering - en verwijderingbeslissing te nemen. Mogelijk is dat de weliswaar onrechtmatige ‘methode om de 43.000 dossiers sneller te behandelen’ waarvan sprake in de pers (stuk nr. 12).
  23. Evenmin kan worden voorgehouden dat verzoeker niet kan beweren door de duur van de asielprocedure te zijn benadeeld nu hij al die tijd met zijn gezin in België beschutting vond. Die benadeling is er in casu wel degelijk geweest. Immers, gedurende 32 maanden is zijn aanvraag kennelijk ongegrond beschouwd en uiteindelijk aldus bevestigd zonder de gelegenheid te hebben gehad op een serieuze wijze, met alle waarborgen van een procedure betreffende het onderzoek naar de grond van de zaak, het gegronde karakter van de aanvraag aan te tonen. Bovendien, bij gebrek aan ontvankelijkheidattest dat juist door het stilzitten van de overheid niet geleverd werd, werd verzoeker permanent een arbeidsvergunning geweigerd terwijl de mogelijkheid om deel te nemen aan het arbeidsproces een XIV-5962-8/15 belangrijk aspect is bij de integratie van een gezin, inzonderheid een ontheemd gezin van vreemde herkomst in het land van ontvangst. Tenslotte, stelt zulke situatie betrokkene voor de extreem moeilijk te maken keuze van hetzij aandringen op een uitspraak op gevaar af dat ze alsdan zonder ernstig onderzoek wordt genomen en resulteert in een negatieve beslissing, hetzij zoniet eindeloos dan toch onredelijk lang wachten op een beslissing in de hoop dat het onderzoek ernstig wordt gevoerd en zij positief zal zijn. Echter, in casu is de bestreden beslissing negatief zonder dat een daadwerkelijk onderzoek ten gronde werd gevoerd (hetgeen overigens hoe dan ook niet verenigbaar is met het beperkt onderzoek dat slechts kan worden gevoerd in de fase van de beoordeling van de ontvankelijkheid van de aanvraag) én, bovendien, met miskenning van de redelijke termijn waarbinnen een beperkt gegrondheidonderzoek dient te geschieden teneinde te kunnen resulteren in een negatieve beslissing wegens kennelijke of manifeste ongegrondheid van de aanvraag.
  24. Tenslotte, merkt verzoekende partij ter overweging op, zij het dat de beoordeling van dat gegeven aan de wijsheid van Uw Raad wordt gelaten, dat na dat onverklaar- baar stilzitten - en het kan alleszins niet worden verklaard doordat verzoeker zich bij de diverse overheden niet zou hebben gemanifesteerd gedurende minstens 27 maanden uiteindelijk een uitvoerbare eindbeslissing is genomen op 13 juli 2001; - toevallig of niet - vlak voor een veel genomen vakantieperiode die gesitueerd kan worden van 15 juli tot en met 15 augustus en waarin het voor een rechtszoekende, inzonderheid een ontheemde vluchteling, niet evident moet zijn om op een doelmatige wijze zijn verdediging te organiseren. In deze, gelet op de verstreken termijn, met het oog op het nemen van een beslissing inzake kennelijke ongegrondheid van de aanvraag, gebeurlijk, het beginsel van de continuïteit van de openbare dienst inroepen, zou niet ernstig zijn. Enkel een vernietiging van de bestreden beslissing kan in deze rechtsherstel verlenen. Immers op die wijze kan alsnog een werkelijk onderzoek ten gronde worden gevoerd met de daaraan verbonden waarborgen. Op die wijze wordt een passend rechtsgevolg (zie hierover DE NAUW, A. en VANDEBOTERMET, M., De gevolgen van de overschrijding van de ‘redelijke termijn’ van artikel 6 E.V.R.M., RW, 1988-1989, 1281, ev.) gehecht aan de schending van de redelijke termijn doordat slechts na 27 maanden, na een beperkt en prima facie - onderzoek, is beslist tot het zgn. kennelijk ongegrond karakter van de aanvraag Derhalve, -gelet op al hetgeen voorafgaat, schendt de bestreden beslissing de plicht tot zorgvuldig bestuur, inzonderheid de op de overheid rustende plicht om haar beslissingen op grond van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet te nemen binnen een termijn van dertig werkdagen na het indienen van het beroep, minstens binnen een redelijke termijn.”; XIV-5962-9/15 3.1.
  25. Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de Vreemdelingenwet een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat bovendien geen enkele wettelijke bepaling of beginsel toelaat een vreemdeling als vluchteling te erkennen omdat zijn asielaanvraag niet binnen een bepaalde termijn werd afgehandeld; dat derhalve, zelfs indien sprake zou zijn van een onredelijk lange termijn, niet valt in te zien wat het belang van verzoeker is bij het inroepen hiervan, aangezien hij tijdens de afhandeling van zijn dringend beroep getolereerd wordt op het grondgebied, waardoor hij niet het risico loopt te moeten terugkeren naar het land waar hij beweert vervolgd te zijn; dat het belang dat bij de uiteenzetting van het middel wordt ingeroepen, de onmogelijkheid om te werken, niet kan worden beschouwd als het rechtens vereiste belang bij het aanvoeren van deze vernietigingsgrond; dat het doel waarmee een asielaanvraag wordt ingediend immers niet is gelegen in de mogelijkheid om te werken, maar in de bescherming tegen vervolgingen die onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen; dat het eerste middel niet ontvankelijk is; 3.2.
  26. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “A.
  27. TWEEDE MIDDEL, genomen uit de schending van het verbod van machtsover- schrijding; Doordat het begrip ‘kennelijk ongegrond’ bedoeld in artikel 52, § 1, 7, Vreemdelingenwet is miskend, zodoende misbruik is gemaakt van de door de wet voorgeschreven ontvankelijkheidprocedure (‘détournement de procédure’) waardoor aan verzoekende partij rechtsmiddelen zijn onthouden, waaronder de mogelijkheid tot inzage in het dossier, evenals een beroepsmiddel bij een administratief rechtscollege in volle rechtsmacht dat grotere waarborgen inzake behoorlijke rechtsbedeling aan verzoeker, is onthouden gecombineerd met het geven dat de aanwending van de ontvankelijkheidfase in deze - gelet op de verstreken onredelijk lange termijn - gepaard is gegaan met een onzorgvuldige feitenvinding, Terwijl, uit de motieven van de bestreden beslissing niet blijkt dat er geen redelijke twijfel bestaat over het niet bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag, dat de CGVS daaromtrent onvoldoende opgeklaarde gegevens (onzorgvuldige feitenvinding gepaard gaande met een gebrekkige motivering) had om te besluiten - na 27 respectievelijk 32 maanden - tot een ‘kennelijk ongegrond’ zijn van de aanvraag hetgeen een beperkt onderzoek veronderstelt waarvoor een termijn van 27 resp. 32 maanden evident onredelijk blijkt zodat een onderzoek ten gronde redelijkerwijze aangewezen bleek, met inbegrip van de daaraan verbonden waarborgen waaronder inzage in het dossier tot en met de mogelijkheid tot het indienen van een beroep (in volle rechtsmacht) bij de Vaste Beroepscommissie. Ontwikkeling van het tweede middel. Algemeen
  28. Met de wet van 6 mei 1993 is een belangrijke bijkomende grond voor niet ontvankelijkheid van een asielaanvraag ingevoerd, met name het geval waarin de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem of haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. In dat geval kan de Minister - in tegenstelling tot de niet ontvankelijkheidgrond bij ‘motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel’, een beperkt onderzoek naar de grond van de zaak instellen. Bedoeling is, zoals hoger reeds is gesteld, om in die gevallen waarin de aanvraag ‘kennelijk ongegrond’ wordt bevonden, snel te kunnen overgaan tot repatriëring (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, 555/2, 89) en, meteen ook, de snelheid te XIV-5962-10/15 bevorderen wat de aanvragen betreft die wel ontvankelijk kunnen worden verklaard en, gezien hun niet - kennelijk ongegrond karakter, een ruimer onderzoek en grondiger onderzoek behoeven. Dit betekent dat in eerste instantie de gemachtigde van de Minister en vervolgens, in geval van een dringend beroep, de CGVS, zich gedurende de ontvankelijkheidfa- se, een oordeel kunnen vormen over de ‘gegrondheid’ en gebeurlijk kunnen besluiten tot het kennelijk ongegronde karakter ervan. In voorkomend geval dienen zij aan te tonen dat betrokkene geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. Om tot een dergelijk besluit te kunnen komen moet evenwel alle twijfel omtrent het bestaan van dergelijke gegronde vrees zijn opgeheven. Blijft gerede twijfel heersen dan dringt zich een onderzoek ten gronde op. Wanneer daarentegen, na een beperkt onderzoek, is vast te stellen dat de aanvraag zonder enige twijfel niet gegrond is, kan betrokkene worden afgewezen en dit met het oog op een snelle repatriëring. Er mag dan uiteraard geen enkele redelijke twijfel zijn, te meer nu bij een kennelijk ongegronde aanvraag - geheel in die logica - geen beroep kan worden gedaan op het beginsel van het ‘non - refoulement’. Er is immers geen bezwaar betrokkene naar zijn land van herkomst te repatriëren wanneer er geen gegronde vrees voor vervolging is in de zin van het Vluchtelingenverdrag.
  29. Het begrip ‘kennelijk’ beperkt dan ook de beoordelingsbevoegdheid van de gemachtigde van de Minister en, na dringend beroep, van de CGVS. In de fase van de ontvankelijkheidbeoordeling komt het de kandidaat - vluchteling niet toe een sluitend bewijs te leveren van de gegrondheid van zijn of haar vrees; daartoe dient het onderzoek ten gronde. Het volstaat gegevens aan te brengen waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat er een gegronde vrees is of, anders geformuleerd dat een coherente visie van de feiten wordt gegeven (Gedr. St., Senaat, 1992-1993, 555/2,

(54), 55, nr. 25). Het moet gaan om een coherent, geloofwaardig of minstens aanneembaar verhaal; er wordt door die bepaling geenszins vereist dat de asielzoekers hun recht op asiel in enige mate bewijzen (Gedr. St., Kamer, 1992-1993, 903/5,47). Van zodra er twijfel bestaat, moet de betrokkene worden toegelaten met het oog op een onderzoek ten gronde met de daaraan verbonden procedure en waarborgen inzake rechtsbescher- ming zoals o.m. de mogelijkheid om inzage te nemen van de stukken, met inbegrip van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie; waarborgen die thans aan verzoeker ingevolge de aard van de gevolgde procedure ten onrechte werden onthouden. Toepassing in concreto
  1. Er valt niet redelijkerwijze te verklaren dat 27 (sedert de indiening van het dringend beroep) resp. 32 (sedert de asielaanvraag) maanden nodig zijn geweest om in de fase van de ontvankelijkheidbeoordeling het onderzoek te voeren dat noodzakelijk beperkt is om - gelet op de gegevens die door verzoeker werden aangebracht - zonder redelijke twijfel te besluiten dat de door hem ingediende aanvraag kennelijk ongegrond is. Overigens kan niet worden beweerd dat in zulk geval nog sprake is van een snelle procedure of dat een snelle repatriëring mogelijk is, hetgeen uiteindelijk datgene is wat door de wetgever werd beoogd (zie supra).
  2. Aldus wordt een kandidaat vluchteling in die periode van ruim tweeëneenhalf jaar geduwd in een soort van ‘niemand - land’ (geen mogelijkheid tot terugkeer nu er in hoofde van verzoeker wel degelijk sprake is van een gegronde vrees noch enige mogelijkheid tot werkelijke integratie in het land van ontvangst bij gebrek aan ontvankelijkheidbewijs waardoor het onmogelijk is om op een legale wijze te worden tewerkgesteld; m.a.w. een toestand van pure afhankelijkheid wordt aldus gecreëerd) en zonder dat hem in die periode van 21 juni 1999 (interview op het CGVS) en 13 juli 2001 (datum van de eindbeslissing) enig bijkomende inlichting, stuk of bewijs is gevraagd, laat staan een bijkomende hoorzitting om onduidelijkhe- den die klaarblijkelijk gerezen waren, te verhelderen hetgeen met het oog op een zorgvuldige besluitvorming onontbeerlijk blijkt.
  3. In dat opzicht is het van belang op een aantal ongerijmdheden in de motieven van de bestreden beslissing te wijzen. Aldus wordt, wat het eerste asielmotief betreft, door de CGVS gesteld dat verzoekers problemen van ‘plaatselijke aard zijn, gezien zij enkel zouden voortkomen uit een conflict tussen betrokkene en ... zijn directe werkgever’, dat hij XIV-5962-11/15 het heft in handen nam nog voor hij beschuldigd was, dat niet blijkt dat hij geen eerlijk proces zou krijgen, enz.. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt niet met zekerheid dat het conflict van louter plaatselijke aard zou zijn. Hij heeft er overigens op gewezen tijdens het interview van 21 juni 1999 dat de burgemeester van D. nauwe banden had met de toenmalige Minister van Defensie, later Eerste Minister en dat de mannen die hem kwamen aanhouden stelden (een) over een aanhoudingsmandaat te beschikken vanwege de procureur van de Republiek. Overigens zijn omtrent het al dan niet plaatselijk karakter van het conflict aan verzoeker geen expliciete vragen gesteld. Bovendien werd het aanhoudingsmandaat, naar de uitspraken van verzoeker, uitgevaardigd door de Procureur van de Republiek en was het de bedoeling betrokkene eerst aan te houden zonder dat hem de inhoud van het arrestatiebevel werd voorgelezen hetgeen hem overigens op dat ogenblik geweigerd werd (in die volgorde: éérst aanhouden en, vervolgens, zeggen waarom), evenals de aanwezig- heid van de burgemeester. Vervolgens werd betrokkene wegens zijn weerbarstig gedrag; bedreigd met een pistool, d.w.z. omdat hij zich verzette (pistool achter het oor gelegd) en is hij, na één van zijn arresteerders - zich aldus verdedigend - met een houten beeldje te hebben geslagen, gevlucht. Ook heeft hij tijdens het interview gemeld dat zijn medewerkers daags nadien werden aangehouden (stuk nr. 2) hetgeen ook vandaag nog het geval zou zijn. Overigens verklaarde Mevrouw uitdrukkelijk geen hulp van hogerhand te hebben ingeroepen omdat de politie juist gestuurd was vanuit de hogere overheid (stuk nr. 2, p. 10 in fine). Deze aspecten worden in de bestreden beslissing hetzij niet vermeld, hetzij niet weerlegd. De aanhouding moest derhalve noodzakelijkerwijs verband met de politieke engagementen van betrokkene betreffende de toestand van de vluchtelingen en niet met betrekking tot de ‘gerechtelijke vervolging volgend op de dood van de betrokken geslagen man’ nu die (gebeurlijke) dood noodzakelijkerwijze achteraf is geschied. Betrokkene werd immers eerst aangehouden en naar aanleiding van die aanhouding vonden de schermutselingen plaats en - mogelijk - met als gevolg de met het houten beeld getroffen man.
  4. Overigens, kan redelijkerwijze worden betwijfeld of het daadwerkelijk ‘een probleem van gemeenrechtelijke aard’ is, zoals in de bestreden beslissing wordt beweerd, nu, zo blijkt uit de verklaringen van verzoeker, de geslagen man behoorde tot de groep van mannen die verzoeker kwamen aanhouden. Voorts lijkt het toch wat vergezocht om te vereisen dat men een aanhouding om politieke redenen (zijn activiteiten rond het vluchtelingenbeleid waren immers de drijfveer van de aanhouding) eerst moet laten voltrekken, om daadwerkelijk in de feiten te kunnen constateren of er ook daadwerkelijk een eerlijk proces volgt.
  5. Tenslotte, trekt de CGVS uit de verklaringen van betrokkene nopens datgene wat de journalist die hij ontmoette in M. aan betrokkene had verteld, conclusies die door verzoeker zelf niet zijn gemaakt. Inderdaad, het gegeven dat de journalist hem vertelde dat het slachtoffer ‘door zijn eigen mensen was vermoord om de schuld in de schoenen van betrokkene te schuiven’, betekent nog niet dat verzoeker dergelijke uitleg tot de zijne maakt. Mogelijk is zulks zelfs gezegd - in een eerste ‘verhoor’ voor de Dienst Vreemdelingenzaken, zoals terminologisch door de bestreden beslissing niet geheel ten onrechte wordt aangegeven - om in het land van ontvangst niet te worden bejegend als een potentiële verdachte van gemeen recht. Hoe dan ook, blijft betrokkene zelf in het ongewisse over de precieze gang van zaken in verband met het overlijden van de betrokken man aangezien hij op dat ogenblik het land van herkomst al was ontvlucht. Wel weet hij met zekerheid aan de hand van het getoonde fo(r)tomateriaal dat de inboedel van het huis van zijn ouders werd vernietigd en dat zijn oudere broer en zijn ouders zijn verdwenen zonder dat hij op de dag van vandaag nieuws heeft van één van hen; noch weet waar zij zich bevinden.
  6. Bovendien, zegt de bestreden beslissing duidelijk niet dat er tegenstrijdigheden of antinomieën of incoherente verklaringen vanwege verzoeker of diens echtgenote zouden zijn. Hoogstens, poneert de bestreden beslissing dat ‘deze bewering niet door betrokke- nes ‘verklaringen voor het Commissariaat-generaal, noch door de verklaringen van betrokkenes ‘vrouw voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal (wordt) bevestigd”. XIV-5962-12/15 Er kan evenwel ernstig worden betwijfeld of daardoor geen geloof meer moet worden gehecht hetzij aan het door de journalist verhaalde feit of aan het globale verhaal van verzoeker. Er is in dat verband op te wijzen dat op het ogenblik van de ontvankelijkheidprocedure er geen inzage is in het dossier zodanig dat men niet kan weten waar mogelijk nog onduidelijkheden of lacunes zijn. In die fase heeft verzoeker enkel vriendelijk en beleefd op de gestelde vragen geantwoord en, voor zover verzoeker dat kon inschatten, op eigen initiatief zijn verhaal verteld. Verzoeker is evenwel tijdens het interview bij het CGVS niet expliciet met een vraag hieromtrent geconfronteerd, niet wetende - overigens - dat dit element op een gegeven ogenblik tegen hem zou worden gebruikt. Minstens had, gelet om de comfortabele - doch in casu onredelijke - termijn van 27 resp. 32 maanden van onderzoek die de CGVS tot de zijne heeft gemaakt - in weerwil overigens van de termijn van dertig werkdagen die de wetgever voor ogen stond -, de tijd kunnen vinden met het oog op een zorgvuldige feitenvinding, en derhalve besluitvorming, om daaromtrent bijkomende vragen te stellen. Allicht is het gebrek daaraan evenwel te verklaren doordat zulke vragen resp. ophelderingen of verduidelijkingen normaliter tijdens het onderzoek ten gronde worden gesteld resp. verschaft, onderzoek dat in casu aan verzoekende partij onthouden werd. In die omstandigheden moest, gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden, worden geoordeeld dat de betrokken aanvraag niet kennelijk ongegrond is. Kennelijk ongegrond is immers enkel datgene waarvan het bestaan of de natuur zich aan elk redelijk denkend mens opdringt met zulk een overtuiging dat verdere ondervraging niet meer nodig lijkt (R.v.St., nr. 49.972, van 24 oktober 1994); dergelijk besluit kon in casu in achtgenomen ook de aard zelf van het noodzakelijk beperkte onderzoek in de fase van de ontvankelijkheid, evenals de verstreken, onredelijk te achten periode waarin geen verdere onderzoekingen zijn gesteld hoewel klaarblijkelijk onduidelijkheden bleven bestaan, redelijkerwijze niet worden genomen. Derhalve, gelet op al hetgeen voorafgaat, schendt de bestreden beslissing het begrip, ‘kennelijk ongegrond’ bedoeld in artikel 52, § 1, 7/ Vreemdelingenwet waardoor aan verzoekende partij rechtsmiddelen werden onthouden, evenals de zorgvuldig- heidsplicht inzonderheid de plicht tot behoorlijke feitenvinding mede gezien de termijn die de CGVS zich heeft toegemeten om te besluiten tot het kennelijk ongegrond karakter van de aanvraag.”; 3.2.2.. Overwegende, wat betreft het al dan kunnen niet toepassen van de kennelijke ongegrondheid binnen een bepaalde termijn, dient te worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel; dat wat de motieven van de bestreden beslissing betreft, de bestreden beslissing in eerste plaats steunt op het uitsluitend lokale karakter van de ingeroepen problemen die aan de basis van de vlucht liggen; dat uit het dossier duidelijk blijkt dat verzoeker gewag maakte van de familiale banden die bestonden tussen de plaatselijke burgemeester en een lid van de regering; dat deze verklaring in de bestreden beslissing inderdaad niet werd opgenomen; dat niettemin werd besloten dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is omdat de ingeroepen vervolgingsfeiten het plaatselijke niveau niet zouden overstijgen; dat verzoeker thans stelt dat hem geen expliciete vragen werden gesteld over het lokaal karakter van de vervolging, het aanhoudingsbevel getekend was door de Procureur van de Republiek en dat verzoekers medewerkers nadien aangehouden werden; dat uit deze gegevens evenwel nog niet blijkt dat het oordeel van de Commissaris-generaal, houdende dat er geen enkele aanwijzing is dat verzoeker niet van een eerlijk proces zou kunnen genieten, noch op legale wijze de bescherming van de hogere autoriteiten had kunnen inroepen, kennelijk onredelijk is of de gegevens van het dossier miskent; dat verzoeker thans slechts poogt, aan XIV-5962-13/15 de hand van een aantal elementen uit het dossier, een andere interpretatie te geven aan het asieldossier dan die van de Commissaris-generaal; dat dit neerkomt op een vraag om het asieldossier aan een nieuwe feitelijke beoordeling te onderwerpen; dat het de Raad van State, in het kader van zijn marginale toetsingsbevoegdheid, niet toekomt zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de Commissaris-generaal; dat dit onderdeel van het middel dan ook niet tot de nietigverklaring kan leiden; dat, wat betreft het oordeel houdende dat het verder niet aannemelijk is dat de politie omwille van een politiek getint conflict op lokaal niveau een van haar eigen mensen zou vermoorden, enkel met de bedoeling om verzoeker hiervan te beschuldigen, verzoeker thans zelf afstand neemt van deze bewering; dat daarmee dan ook de asielmotieven betreffende de vervolging wegens moord en de beweerde bloedwraak van de familie van het slachtoffer wegvallen, zodat de vaststellingen van de Commissaris-generaal op dit punt terecht blijken; dat verzoeker aldus niet aantoont dat het oordeel houdende dat hij niet doet blijken van een vrees voor vervolging in de zin van de Geneefse Conventie, kennelijk onredelijk is; dat het tweede middel in de mate dat het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  7. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  8. Het verzoek tot heropening van de debatten wordt verworpen en het door de verzoekende partij aangebrachte nieuwe stuk wordt uit de debatten geweerd. XIV-5962-14/15 Artikel
  9. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-5962-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.