id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.704 Rolnummer: A. 134012/XIV-14161 Zaak: Arrest 132704 - - 18/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:19 Fiche Arrest nr 132.704 van 18 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.704 van 18 juni 2004 in de zaak A. 134.012/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat G. CUPPENS, kantoor houdende te 1130 BRUSSEL, Bourgetlaan 40 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Algerijnse nationaliteit, op 12 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 5 februari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikking van 17 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. CUPPENS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-14.161-1/3 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
- Overwegende dat in het eerste middel verzoeker laat gelden dat de bestreden beslissing genomen is met schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van behoorlijke rechtspraak, meer bepaald van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat zijn afwezigheid op de zitting wordt aangegrepen om zijn belang te betwisten, wijl de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen goed wist dat hij nooit kennis nam van de oproeping, vermits de betreffende brief gewoon aan haar was geretourneerd, dat ze in de gegeven omstandigheden minstens een tweede poging had moeten doen om hem op te roepen; dat hij in het tweede middel laat gelden dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het criterium van de goede huisvader en het fair-playbeginsel, worden geschonden doordat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geen inspanningen deed om hem daadwerkelijk voor de hoorzitting van 30 januari 2003 op te roepen, dat ze er perfect van op de hoogte was dat hij geen kennis nam van de oproepingsbrief en dan ook een tweede poging had moeten ondernemen om hem op te roepen; 1.1.
- Overwegende dat er niet wordt betwist dat de oproeping -zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld- “op rechtsgeldige wijze is geschied”; dat wanneer de oproeping rechtsgeldig is gebeurd, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen geenszins verplicht is betrokkenen nog een tweede maal uit te nodigen, ook al werd de oproepingsbrief haar terugbezorgd zonder dat betrokkene er kennis van heeft genomen; dat het eerste en tweede middel niet gegrond zijn; 1.2.
- Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, juncto artikel 57/17 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen (Vreemdelingenwet), verzoeker laat gelden dat wordt gesteld dat de oproeping rechtsgeldig gebeurde zonder uit te leggen hoe de oproeping daadwerkelijk gebeurde en dat de opgegeven motivering niet afdoende en draagkrachtig is; 1.2.
- Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen er zich toe kon beperken te stellen “dat de oproeping op rechtsgeldige wijze is geschied”, zonder te moeten toelichten waarom dit zo was; dat, met toepassing van artikel 57/17 van de Vreemdelingenwet de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, na vastgesteld te hebben dat de vreemdeling niet ter terechtzitting verscheen, hoewel hij regelmatig was opgeroepen, XIV-14.161-2/3 louter op grond van dit motief de bestreden beslissing kan nemen; dat het derde middel niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien juni tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-14.161-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.704 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.