id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.731 Rolnummer: A. 135377/IX-3757 Zaak: Arrest 132731 - - 21/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-12 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-04 07:48 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 132.731 van 21 juni 2004 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.731 van 21 juni 2004 in de zaak A. 135.377/IX-3757. In zake : Paul MICHEL, die woonplaats kiest bij advocaten W. VAN DER GUCHT en F. DIEU, kantoor houdende te GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : het Vlaams Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul MICHEL op 30 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van "de beslissing van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting van 4 april 2003, waarbij de beslissing van de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij om de verzoekende partij gedurende een periode van zes maanden te schorsen in het belang van de dienst met ingang van 13 november 2002 gehandhaafd werd"; Gelet op het arrest nr. 118.726 van 28 april 2003 waarbij de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen van de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing en de vordering voor het overige wordt verworpen; Gezien het administratief dossier neergelegd door de verwerende partij; Gezien de toelichtende memorie van verzoeker; IX-3757-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd, W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 3 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2004; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. DIEU, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat Y. VASTERSAVENDTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker is afdelingshoofd bij de Vlaamse Huisvestings- maatschappij (hierna : VHM). IX-3757-2/6 1.2. Op 22 oktober 2002 beslist de raad van bestuur van de VHM om aan verzoeker te melden dat hij van zins is verzoeker te schorsen voor de duur van zes maanden. Verzoeker wordt hiervan op 4 november 2002 op de hoogte gebracht. 1.3. Op 12 november 2002 beslist de raad van bestuur van de VHM, naar aanleiding van een aantal persartikelen, na verzoeker te hebben gehoord, om hem met ingang van 13 november 2002 voor de duur van zes maanden te schorsen in het belang van de dienst. 1.4. Verzoeker tekent op 13 november 2002 beroep aan tegen die beslissing. Omdat verzoekers beroepschrift zoek geraakt is, volgens de waarnemend administrateur-generaal van de VHM, doet de raad van beroep slechts uitspraak praktisch vier maanden later, namelijk op 11 maart 2003, en adviseert unaniem dat de schorsing van verzoeker moet worden opgeheven. 1.5. Op 4 april 2003 beslist de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting dat de schorsing van verzoeker gehandhaafd wordt; 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van het onpartijdigheidsbeginsel, zowel in hoofde van de voorzitter van de raad van bestuur van de VHM als van de bevoegde Vlaamse minister, doordat beiden zich in de pers over de schorsing van verzoeker hadden uitgelaten vooraleer de bestreden beslissing genomen was; dat deze partijdigheid tevens blijkt uit het relaas van de stemming in de raad van bestuur van de VHM, waarbij hij, nadat de voorzitter zich van de stemming had onthouden, eerst niet geschorst werd, en dan nadat de voorzitter de raad van bestuur terug vervoegd had, bij een tweede stemming alsnog geschorst werd; dat verzoeker aanvoert dat het feit dat de voorzitter bovendien IX-3757-3/6 getracht heeft het relaas van die eigenaardige stemming in de notulen te verdoezelen, zijn vooringenomenheid bevestigt; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij van oordeel is dat de vermeende partijdigheid van de bevoegde minister enkel gebaseerd is op vage en oncontroleerbare meldingen in een paar krantenartikels, meer bepaald in het dagblad De Morgen van 29 oktober en 2 november 2002; dat verzoeker in een schrijven van 6 november 2002 aan de VHM zijn ongenoegen heeft geuit over de tegen hem gevoerde lastercampagne in de pers en het gebrek aan objectiviteit van de pers, dat de voorzitter van de raad van bestuur, noch de bevoegde minister verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor de handelwijze van de media; dat zij hieraan toevoegt dat in geen enkele officiële mededeling negatieve berichten betreffende verzoeker werden verspreid, zodat er niet de minste reden toe was voor de voorzitter van de raad van bestuur om niet deel te nemen aan de vergadering en stemming over het voorstel tot schorsing van verzoeker; 2.1.3. Overwegende dat, opdat van schending van dit ingeroepen beginsel sprake zou kunnen zijn, het volstaat dat diegenen die onpartijdig moeten optreden naar buiten een schijn van partijdigheid hebben verwekt, met andere woorden door hun gedragingen een gewettigde twijfel hebben doen ontstaan over hun geschiktheid om de zaak van de betrokkene op een onpartijdige wijze te behandelen; dat te dezen de intentie om verzoeker te schorsen in het belang van de dienst hem is ter kennis gebracht met een aangetekende brief van 4 november 2002; dat reeds op 2 november 2002 in de krant De Morgen een interview is verschenen met voorzitter Bob DE RIDDER van de VHM waarin deze zijn voorstel publiek maakte om verzoeker “uit de dienst te laten verwijderen”; dat luidens de notulen van de raad van bestuur van de VHM met betrekking tot zijn vergadering van 12 november 2002, de voorzitter eerst de vergadering verlaat voor de stemming “om elke vorm van vermeende onpartijdigheid (lees : partijdigheid) te vermijden”; dat wanneer de stemming over het voorstel tot schorsing van verzoeker met 4 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 1 onthouding daarop gunstig uitvalt voor verzoeker, er wordt beslist “dat hij (de voorzitter) tóch zal deelnemen aan de stemming, omdat hij zijn verantwoordelijkheid IX-3757-4/6 wenst op te nemen gelet op het feit dat op de vorige raadszitting de intentie tot deze schorsing beslist werd met 8 stemmen voor tegen 3 stemmen tegen”; dat bij de nieuwe stemming het voorstel tot schorsing van verzoeker wordt aangenomen met 5 stemmen voor, 4 stemmen tegen en 1 onthouding; dat, meer nog, de voorzitter van de raad van bestuur het nodig heeft gevonden om de notulist opdracht te geven om in de notulen van de vergadering alleen melding te maken van de tweede stemming en dat die poging van de voorzitter om het relaas over een essentieel gebeuren weg te laten terecht door de raad van bestuur is geweigerd; dat dit ernstig voorval van aard is om te twijfelen aan de onpartijdigheid van sommige verantwoordelijken van de VHM; dat voorts voordien reeds in de krant De Morgen van 29 oktober 2002 gelezen kon worden : “GABRIËLS heeft tevens te kennen gegeven dat er niet langer kan worden samengewerkt met VHM-directeur Paul MICHEL”; dat in diezelfde krant van 2 november 2002 onder de titel “GABRIËLS bevestigt ontslag VHM- topman” gelezen kon worden: “Vlaams minister van Huisvesting Jaak GABRIËLS (VLD) heeft donderdag per brief de ontslagregeling voor VHM-topman Paul MICHEL officieel gemaakt”; dat ook in andere kranten gelijkaardige berichten verschenen en dat geen van die berichten ooit door de betrokken Vlaamse minister is gelogenstraft; dat uit wat voorafgaat slechts één gevolgtrekking kan worden gemaakt, namelijk dat zowel de voorzitter van de raad van bestuur van de VHM als de bevoegde Vlaamse minister door hun optreden minstens een schijn van partijdigheid hebben verwekt die bij verzoeker een gewettigde twijfel heeft doen ontstaan over hun geschiktheid om verzoekers zaak op een onpartijdige wijze te behandelen; dat het middel gegrond is; 2.2. Overwegende dat het gegrond bevinden van het eerste middel volstaat om verzoekers vordering toe te wijzen, IX-3757-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van de Vlaamse minister van Economie, Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting van 4 april 2003, waarbij de beslissing van de raad van bestuur van de Vlaamse Huisvestings- maatschappij om Paul MICHEL gedurende een periode van zes maanden te schorsen in het belang van de dienst met ingang van 13 november 2002 gehandhaafd wordt. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van het Vlaams Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2000 en vier, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-3757-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.731 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.118.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.