← België

Arrest 132732 - - 21/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.732 Rolnummer: A. 146945/IX-4038 Zaak: Arrest 132732 - - 21/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Fiche Arrest nr 132.732 van 21 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.732 van 21 juni 2004 in de zaak A. 146.945/IX-4038. In zake : de VZW Vlaamse Instelling voor Educatieve Dienstverlening en Voortdurende Vorming - Vlaamse Volkshogeschool (VLIED), gevestigd te GENT, Papegaaistraat 69 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat T. DE SUTTER, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de VZW Vlaamse Instelling voor Educatieve Dienstverlening en Voortdurende Vorming - Vlaamse Volkshogeschool, afgekort VZW VLIED, op 23 januari 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing genomen op 25 november 2003 door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij de verzoekende partij niet langer aanvaard wordt als landelijk gespecialiseerde vormingsinstelling conform het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk en dus ook niet meer wordt gesubsidieerd als een dergelijke landelijk gespecialiseerde vormingsinstelling; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-4038-1/15 Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juni 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. VAN EECKHAUT en F. DESMET, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE SUTTER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Het Vlaams decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk -hierna: “het decreet van 4 april 2003" of “het decreet”- regelt het sociaal-cultureel volwassenenwerk. Blijkens artikel 3 van dat decreet wil de Vlaamse Gemeenschap in het domein van het sociaal-cultureel volwassenenwerk organisaties ondersteunen die een bijdrage leveren tot de vorming van competente en geëmancipeerde personen, en zo de gemeenschapsvorming bevorderen. Die organisaties hebben de vorm van een vereniging, beweging of vormingsinstelling. Aldus regelt het decreet in titel IV de erkenning en de subsidiëring van sociaal-culturele vormingsinstellingen, waaronder enerzijds de volkshogescholen (artikelen 19 tot 22) en anderzijds landelijke vormingsinstellingen (artikelen 23 tot 36), waaronder gespecialiseerde vormingsinstellingen (artikelen 23 tot 30). Een “gespecialiseerde vormingsinstelling” wordt in artikel 2, 11/, omschreven als “een instelling die een vormingsaanbod organiseert met betrekking tot een welbepaald thema of cluster van nauw verwante thema's; de gespecialiseerde vormingsinstelling heeft naast een culturele en een gemeenschapsvormende functie, in hoofdzaak een educatieve functie en hanteert een sociaal-culturele methodiek” en IX-4038-2/15 is te onderscheiden van een volkshogeschool, in artikel 2, 10/, omschreven als “een pluralistische organisatie die tot doel heeft het organiseren, structureren en coördineren van het niet-formele educatieve aanbod in een afgebakende regio; de volkshogeschool heeft naast een culturele en gemeenschapsvormende functie, in hoofdzaak een educatieve functie en hanteert een sociaal-culturele methodiek”. Per beleidsperiode van vier jaar -waarbij voor onder meer vormingsinstellingen de eerste beleidsperiode beperkt is tot twee jaar en loopt van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2005 (artikel 44, § 1, van het decreet van 4 april 2003) - kan een gespecialiseerde vormingsinstelling een aanvraag indienen tot het verkrijgen van een jaarlijkse subsidiëring gedurende die beleidsperiode, en van een erkenning vanaf de tweede beleidsperiode, als ze aan een aantal voorwaarden voldoet, waarvan ter zake die van artikel 23, § 1, van het decreet dienstig zijn : “1/ ze is een vereniging zonder winstoogmerk; 2/ ze heeft doelstellingen op het vlak van educatie vanuit een thema of cluster van nauw verwante thema's; 3/ ze heeft een werking waaruit de volgende karakteristieken blijken :

  1. a)ze heeft een landelijk karakter;
  2. b)ze bestaat minstens twee jaar;
  3. c)ze is actief op het domein van de niet-formele educatie met inachtneming van de bepaling van artikel 2, 1/; alleen een programma-aanbod dat via een open aanbod en in de autonome levenssfeer van de deelnemer wordt gebracht, is voorwerp van subsidiëring;
  4. d)ze is een autoriteit in haar vakgebied, en kan dat aantonen aan de hand van de opgebouwde expertise en knowhow, en het ontwikkelde netwerk;
  5. e)ze heeft een geëxpliciteerde visie op haar educatieve opdracht;
  6. f)ze biedt minstens 1.000 uren programma's aan; 4/ ze dient een beleidsplan in; 5/ ze houdt in haar werking rekening met principes van integrale kwaliteitszorg; 6/ ze beschikt bij de aanvraag over minstens één voltijds equivalent personeelslid; 7/ ze gaat ermee akkoord om op verzoek van de administratie alle nuttige en noodzakelijke gegevens te verstrekken met betrekking tot de werking, in de gevraagde vorm; 8/ ze onderschrijft de principes en de regels van de democratie en van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de mens en past ze toe in de werking”. Artikel 24 van het decreet regelt de procedure die doorlopen moet worden door de vormingsinstellingen erkend en gesubsidieerd krachtens het decreet van 19 april 1995. IX-4038-3/15 Binnen drie maanden na de goedkeuring van het decreet kan aldus elke vormingsinstelling die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit decreet erkend en gesubsidieerd is krachtens het decreet van 19 april 1995, een dossier indienen. In dat dossier kan de vormingsinstelling aantonen dat ze gespecialiseerd is in een thema of een cluster van nauw verwante thema's. Verder moet de vormingsinstelling aangeven of ze voor haar volledige werking of een deel van haar werking in aanmerking wil komen als een gespecialiseerde vormingsinstelling. Een adviescommissie beoordeelt het ingediende dossier nadat de administratie heeft geverifieerd of de gegevens in het dossier overeenstemmen met die van het jaarverslag 2001. De adviescommissie hanteert daarbij als parameters de voorwaarden die bepaald zijn in artikel 23, § 1, 2/, 3/, d),
  7. e)en
  8. f)(artikel 24, § 5). Op voorstel van de administratie en rekening houdend met de beoordeling van de adviescommissie, neemt de Vlaamse regering dan de beslissing over het al dan niet gespecialiseerde karakter van de vormingsinstelling en over het aantal uren dat als gespecialiseerde werking kan worden ingebracht voor de beleidsperiode 2004-2005. De artikelen 25 tot 28 van het decreet van 4 april 2003 betreffen de subsidies in het algemeen. Daarbij worden de beleidsplannen inhoudelijk en kwalitatief beoordeeld door de voornoemde adviescommissie. Deze beoordeelt de beleidsplannen en brengt ze onder in vijf categorieën, met een gradatie van positief naar negatief. De administratie onderzoekt de helderheid, transparantie en realiteitswaarde in samenhang met de financiële ramingen (artikel 25, § 1). Krachtens artikel 25, § 2, beschikt de adviescommissie over de daar opgesomde beoordelingselementen. 1.2. Het decreet van 4 april 2003 wordt verder uitgevoerd in het besluit van de Vlaamse regering van 13 juni 2003 houdende uitvoering van het decreet van 4 april 2003 betreffende het sociaal-cultureel volwassenenwerk. De artikelen 34 tot 42 betreffen de gespecialiseerde vormingsinstellingen. 1.3. De verzoekende partij is een vereniging zonder winstoogmerk waarvan het maatschappelijk doel, blijkens de beslissing van haar algemene vergadering van 2 juli 2003, is : IX-4038-4/15 “Artikel 3. De vereniging heeft tot doel sociaal-culturele vorming te bieden aan volwassenen. Ze mag alle handelingen doen die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met haar doel. Artikel 4. Als middel tot verwezenlijking van het doel is de vereniging actief als landelijk gespecialiseerde vormingsinstelling op het domein van de niet- formele educatie en stimuleert de deelnemers met haar programma-aanbod tot ontwikkeling van meer levenskunst. Zij organiseert hoofdzakelijk educatieve activiteiten, programma’s en cursussen via open inschrijvingen of via overeenkomsten met derden, weliswaar steeds op basis van vrijwillige deelneming”. Zij ontving gedurende het begrotingsjaar 2003 een subsidie van 366.426,49 euro. 1.4. Volgens de verwerende partij dienen in het kader van het decreet van 4 april 2003 31 organisaties een aanvraagdossier in ter beoordeling van het gespecialiseerde karakter van hun werking als vormingsinstelling, waaronder verzoekster. Dat aanvraagdossier van verzoekster bevat een aantal documenten, met name uittreksels uit de statuten en de samenstelling van de raad van bestuur, een uittreksel uit het werkingsverslag 2001 en een document getiteld “Visie en doelstellingen op onze educatieve opdracht vanuit ons thema : Levenskunst”. Dit wordt, na een inleiding, nader omschreven onder de titels “Nood aan perspectivisme en relativisme”, “Nood aan zingeving”, “Levenskunst, een creatieve dialoog tussen binnen- en buitenwereld “ en “Levenskunst, ten volle leven”. 1.5. Met een aangetekend verzonden brief gedateerd 24 juli 2003, meldt de administratie dat de aanvraag tijdig werd ingediend, maar onvolledig is. Er wordt vervolgens opgesomd welke documenten binnen de in artikel 39, § 3, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juni 2003 bepaalde termijn van zeven dagen nog dienen te worden ingediend, waaronder een document dat aan de hand van de opgebouwde expertise en know-how en het ontwikkeld netwerk zou aantonen dat de organisatie een autoriteit in haar vakgebied is. 1.6. Met een brief van 31 juli 2003 dient de verzoekende partij de gevraagde documenten in samen met een document dat de opgebouwde expertise en know-how en het ontwikkeld netwerk, naast een curriculum vitae van eigen en externe medewerkers omschrijft. IX-4038-5/15 1.7. In een advies van 22 september 2003 licht de adviescommissie vooreerst haar werkwijze toe, met name de wijze waarop de dossiers worden getoetst en de daarbij gehanteerde beoordelingscriteria, vanuit de decreetopdracht in artikel 23, § 1, 3/, d),
  9. e)en f). Hiervan is de volgende passus van belang : “De criteria die in de beoordeling en beraadslaging van belang zijn vloeien voort uit de hierboven vermelde decreetopdracht tot het onderzoeken van het gespecialiseerd karakter van de werking van de aanvragende vormingsinstelling. De adviescommissie hanteert hiertoe de parameters die het decreet in artikel 24, § 5 expliciet als voorwaarden voor subsidiëring vermeldt : 1. de aanvragende vormingsinstelling heeft doelstellingen op het vlak van educatie vanuit een thema of cluster van nauw verwante thema’s (artikel 23, § 1, 2/). Hierbij zijn in de beoordeling de volgende elementen van belang : a. het thema of cluster van nauw verwante thema’s is duidelijk afgebakend en specifiek; b. het thema of cluster van nauw verwante thema’s vereist een gespecialiseerde werking; de commissie meent dat dit in de geest van het decreet betekent dat de educatieve werking niet kan opgenomen worden in de werking van een regionale volkshogeschool; c. de aanvragende vormingsinstelling is actief op het thema of cluster van nauw verwante thema’s wat betekent dat het thema zich in de realiteit van de activiteiten weerspiegelt; 2. de aanvragende vormingsinstelling is een autoriteit in haar vakgebied en kan dat aantonen aan de hand van de opgebouwde expertise en knowhow, en het ontwikkelde netwerk (artikel 23, § 1, 3/,
  10. d)). Hierbij zijn in de beoordeling volgende elementen van belang : a. de aanvragende vormingsinstelling kan blijk geven van een opgebouwde expertise en knowhow in het thema of cluster van nauw verwante thema’s; b. de aanvragende vormingsinstelling beschikt over medewerkers die blijk geven van deze expertise; c. de aanvragende vormingsinstelling heeft een voldoende uitgebreid netwerk betreffende het thema of cluster van nauw verwante thema’s; d. de aanvragende vormingsinstelling wordt door de buitenwereld erkend als een autoriteit op het thema of cluster van nauw verwante thema’s; 3. de aanvragende vormingsinstelling heeft een geëxpliciteerde visie op haar educatieve opdracht (artikel 23, § 1, 3/,
  11. e)). Hierbij is in de beoordeling van belang dat de aanvragende vormingsinstelling in haar visiedocument duidelijk beschrijft hoe zij het thema of cluster van nauw verwante thema’s in een educatieve werking vertaalt; 4. de aanvragende vormingsinstelling hanteert een sociaal-culturele methodiek; 5. de aanvragende vormingsinstelling biedt minstens 1000 uren programma’s aan (artikel 23, § 1, 3/,
  12. f)). In de beoordeling van de aanvragen die de adviescommissie behandelt in uitvoering van artikel 24, § 5, houdt de adviescommissie rekening met de voormelde criteria. De naleving van de decreetvereisten vermeld in artikel 23, § 1, 1/, 3/, a), b), 5/, 6/, 7/ en 8/ worden door de administratie onderzocht”. Vervolgens wordt advies uitgebracht over de verschillende aanvragen, waaronder die van verzoekster. Dat advies is in essentie negatief omdat het niet gaat om een duidelijk afgebakend en specifiek thema, de concrete IX-4038-6/15 programma’s zeer divers zijn en de gemeenschappelijke noemer die bovenaan geplaatst wordt om het aanbod te verenigen geen thema is in de zin van het decreet maar eerder een waarde. Verder is de commissie van oordeel dat geen gegeven van het dossier wijst op het gespecialiseerde karakter van de organisatie, zodat ook niet bewezen kan worden dat ze beschikt over medewerkers die blijk geven van deze expertise. Ook zou niet aangetoond worden dat de buitenwereld verzoekster erkent als een autoriteit op het thema “levenskunst” en zou de visie op haar educatieve opdracht in het thema in het dossier onvoldoende uitgeschreven zijn, waarbij het aanbod in feite perfect past binnen de programmering van een regionale volkshogeschool. De commissie adviseert dan ook dat verzoekster niet gespecialiseerd is op grond van het in gebreke blijven bij criteria 1a, 1b, 1c, 2b, 2d en 3 als hiervoor vermeld. Zij stelt wel vast dat het aanbod bijna volledig open is en dat er een sociaal-culturele methodiek wordt gehanteerd. 1.8. Met een aangetekend verzonden brief van 25 september 2003 deelt de administratie aan verzoekster met toepassing van artikel 39, § 3, 5/ en 6/, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 juni 2003 een voorontwerp van beslissing mee. Met verwijzing naar het voornoemde negatief advies wordt het voornemen geformuleerd om verzoekster niet voor subsidiëring als gespecialiseerde vormingsinstelling voor te dragen. 1.9. De verzoekende partij stelt per brief van 13 oktober 2003 een verhaal in. Op 17 oktober 2003 wordt zij gehoord door de adviescommissie. Zij dient daarbij een nota in. In een advies van dezelfde datum handhaaft de commissie haar negatief advies ten opzichte van verzoekster omdat noch het verhaalschrift noch het mondeling betoog de argumenten van de adviescommissie kan weerleggen dat het niet gaat om een duidelijk afgebakend thema dat een gespecialiseerde werking vereist, dat verzoekster nog steeds niet kan aantonen een autoriteit te zijn in haar vakgebied en dat de visie op haar educatieve opdracht zwak blijft. 1.10. In een niet-gedateerde nota aan de administratie deelt de bevoegde Vlaamse minister, met verwijzing naar een nota van 30 oktober 2003 van de administratie, zijn beslissing mee in verband met de aanvraagdossiers van de landelijk IX-4038-7/15 gespecialiseerde instellingen. Hij verklaart daarin zich grotendeels te kunnen vinden in het advies van de adviescommissie maar ervan af te wijken wat betreft de Stichting Lodewijk DE RAET - die blijkbaar negatief werd geadviseerd omdat niet was voldaan aan criteria 1a, 1c en 3 - en deze toch te aanvaarden omwille van de historische en algemeen geapprecieerde rol van deze stichting in het sociaal-cultureel werk, maar enkel voor de cursussen functionele vorming. 1.11. Reeds in een brief van 25 november 2003 deelt de minister aan verzoekster mee zich te kunnen aansluiten bij de, in de brief samengevatte, aanpak van de adviescommissie, met een door deze zelf gemaakte nuance. 1.12. Met een aangetekend verzonden brief gedateerd 2 december 2003 deelt de administratie vervolgens aan verzoekster de bevestiging mee van deze beslissing met de formele motivering, in feite een verwijzing naar en weergave van beide adviezen van de adviescommissie. Dat is de bestreden beslissing, die luidt als volgt : “Geachte, Aansluitend op de brief van 25 november 2003 met kenmerk PVG/DV/2003/242 met de beslissing van de minister over het al dan niet gespecialiseerd karakter van uw organisatie, sturen wij u deze bevestiging waarin wij tevens de motivering geven die tot deze beslissing heeft geleid. Zoals u reeds werd meegedeeld, heeft de minister besloten om uw organisatie niet te aanvaarden als gespecialiseerd. Hij hield hierbij rekening met het voorstel van de administratie en de beoordeling van de adviescommissie. De adviescommissie hanteerde bij de beoordeling van uw dossier parameters gebaseerd op de decreetopdracht van artikel 23, § 1, 2/, 3/, d),
  13. e)en
  14. f)en kwam tot het volgende advies : ‘Het gaat hier niet om een duidelijk afgebakend en specifiek thema. De concrete programma’s zijn heel divers. De gemeenschappelijke noemer die bovenaan geplaatst wordt om het aanbod te verenigen is geen thema in de zin van het decreet, maar eerder een waarde. Bovendien wijst geen enkel element uit het dossier op het gespecialiseerde karakter van de organisatie. Aangezien het voor de commissie niet duidelijk aangetoond is waarin de instelling eigenlijk gespecialiseerd is, kan ook niet bewezen worden dat ze beschikt over medewerkers die blijk geven van deze expertise. Er kan ook niet aangetoond worden dat de buitenwereld Vlied erkent als een autoriteit op het thema ‘Levenskunst’. Bovendien is de visie van de instelling op haar educatieve opdracht in het thema in het dossier onvoldoende uitgeschreven. Een aanbod zoals aangeboden door Vlied past in feite perfect binnen de programmering van een regionale volkshogeschool. Advies van de commissie : niet gespecialiseerd op grond van het in gebreke blijven bij criterium 1a, 1b, 1c, 2b, 2d en 3. De commissie stelt vast dat het aanbod bijna volledig open is en er een sociaal-culturele methodiek wordt gehanteerd’. De administratie had bij het onderzoeken van uw dossieraanvraag, meer bepaald met betrekking tot de naleving van de decreetvoorwaarden vermeld in artikel 23, § 1, 1/, 3/, a), b), 5/, 6/, 7/ en 8/, geen verdere opmerkingen. IX-4038-8/15 In de brief van 25 september 2003 met kenmerk Ac/VOB/NDC werd u dan ook op de hoogte gebracht van ons voornemen om uw organisatie niet voor subsidiëring voor te dragen aan de minister. In bijlage was een uittreksel uit het advies van de adviescommissie gevoegd dat betrekking had op de beoordeling van uw dossier. Gebruik makend van de mogelijkheid voorzien in artikel 39, § 3, 6/, van het uitvoeringsbesluit diende uw organisatie vervolgens een verhaal in dat gericht was aan de adviescommissie. Zoals voorzien in de procedure, werd het dossier op 17 oktober 2003 door u ook mondeling toegelicht voor de adviescommissie. Na beraadslaging kwam de adviescommissie tot het volgende bijgestelde advies : ‘Oorspronkelijk advies van de adviescommissie : niet gespecialiseerd op grond van het in gebreke blijven bij criterium 1a, 1b, 1c, 2b, 2d en 3. De adviescommissie blijft bij haar oorspronkelijke standpunt bij de beoordeling van de verschillende criteria. In het betoog dat tijdens de mondelinge toelichting wordt opgebouwd, worden overwegingen aangehaald die zich buiten de bevoegdheid en de opdracht van de commissie bevinden en wordt niet echt ingegaan op de opmerkingen die door de adviescommissie werden geformuleerd. Ook het verhaalschrift kan de argumenten van de adviescommissie niet weerleggen. De adviescommissie is dan ook nog steeds de mening toegedaan dat het hier niet gaat om een duidelijk afgebakend thema dat een gespecialiseerde werking vereist. De organisatie kan bovendien nog steeds niet aantonen een autoriteit te zijn in haar vakgebied en de visie op haar educatieve opdracht blijft zwak. Advies na verhaal : niet gespecialiseerd op grond van het in gebreke blijven bij criterium 1a, 1b, 1c, 2b, 2d en 3'. Voor de volledigheid sturen wij u als bijlage een uittreksel uit het bijgestuurde advies van de adviescommissie dat tot stand kwam na de behandeling van de verhaalschriften. Op basis van al het voorafgaande besloot de minister uw organisatie niet te subsidiëren als gespecialiseerde vormingsinstelling. In het decreet is voorzien dat de gesubsidieerde personeelsleden die voor uw instelling werken, kunnen opgenomen worden in het personeelsbestand van de regionale volkshogescholen. Teneinde de beoogde herstructurering in goede banen te leiden, zijn er nu ook bijkomende maatregelen uitgewerkt die betrekking hebben op de toekomstige tewerkstelling van deze gesubsidieerde personeelsleden. U zal eerstdaags van ons een schrijven ontvangen waarin deze maatregelen duidelijk worden uiteengezet. U kunt binnen de zestig dagen na de ontvangst van deze aangetekende brief een verzoek tot schorsing van de tenuitvoerlegging en/of een verzoek tot nietigverklaring van de beslissing indienen bij de Raad van State. Die beroepen moeten in dat geval ingeleid worden door een gedagtekend verzoekschrift dat door beroeper of door een advocaat ondertekend moet zijn. De verzoekschriften moeten per aangetekende brief verstuurd worden aan de eerste voorzitter van de Raad van State”. 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; IX-4038-9/15 3.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat zij daarbij uiteenzet dat de verwerende partij de aanvraag van verzoekster ten onrechte afwijst op grond van het in gebreke blijven van criteria 1a, 1b en 1c, omdat het niet zou gaan om een duidelijk afgebakend en specifiek thema, de concrete programma’s heel divers zijn en de boven het aanbod geplaatste gemeenschappelijke noemer geen thema is in de zin van het decreet maar eerder een waarde, en dat bovendien geen enkel element in het dossier wijst op het gespecialiseerde karakter van de organisatie, terwijl het centrale onderwerp van de sociaal-culturele werking van verzoekster levenskunst is, zoals uiteengezet in de aanvraag en behandeld in de literatuur aangegeven in de nota neergelegd tijdens de hoorzitting van 17 oktober 2003, en dit uniek thema, het zinvol invullen van het menselijk bestaan, het uitgangspunt vormt van elke cursus die verzoekster aanbiedt en aldus deze cursussen onderscheidt van cursussen aangeboden door andere instellingen en het daarom een gespecialiseerde werking vereist, namelijk een werking door een organisatie die de leer van de levenskunst consequent overbrengt; dat volgens verzoekster er dus wel degelijk sprake is van een afgebakend thema in de zin van het decreet, namelijk een onderwerp waarop de werking van verzoekster zich richt en dat duidelijk afgebakend kan worden; dat verzoekster voorts aanvoert dat ten onrechte werd geoordeeld dat zij niet voldoet aan de criteria 2b en 2d, omdat, nu niet duidelijk is aangetoond waarin verzoekster eigenlijk gespecialiseerd is, ook niet kan worden bewezen dat zij beschikt over medewerkers die blijk geven van deze expertise en ook niet kan worden aangetoond dat zij door de buitenwereld erkend is als autoriteit op het thema “levenskunst”; dat volgens haar bijgevolg terecht wordt geoordeeld dat zij wel voldoet aan de criteria 2a en 2c - blijk geven van een opgebouwde expertise en know-how en beschikken over een voldoende uitgebreid netwerk inzake dit thema - zodat de motivering tegenstrijdig is, aangezien het onbegrijpelijk en onlogisch is beide beoordelingen te combineren : hoe kan men immers blijk geven van een opgebouwde expertise en know-how in een thema zonder te beschikken over medewerkers die blijk geven van die expertise; dat verzoekster ten slotte stelt dat ten onrechte geoordeeld werd dat de visie op de educatieve opdracht in het thema in het dossier onvoldoende is uitgeschreven zonder dat wordt aangeduid waarom dit zo is, terwijl in de motiverende nota duidelijk wordt aangegeven hoe de concrete vertaling van het thema levenskunst in het cursusaanbod eruitziet; dat ten slotte de opmerking als zou het aanbod zoals aangeboden in feite perfect passen binnen de programmering van een regionale volkshogeschool, waarbij blijkbaar wordt gevreesd dat er mogelijke concurrentie is, volgens haar geen IX-4038-10/15 argument kan zijn dat door het decreet werd ingevoerd, terwijl de cursussen, gelet op het thema van verzoekster, nooit gelijk zullen zijn; 3.1.2. Overwegende dat verzoekster in een tweede middel, dat samenhangt met het eerste middel, schending van het redelijkheidsbeginsel aanvoert, doordat het gemaakte onderscheid thema - waarde, hetwelk niet blijkt uit de feitelijke gegevens, op onredelijke wijze leidt tot de niet-goedkeuring van haar dossier, beslissing die elke redelijkheid tart nu er geen objectieve afweging van alle betrokken belangen is geweest maar enkel geprobeerd werd mogelijke concurrentie van op te richten regionale volkshogescholen te voorkomen zonder rekening te houden met de financiële verplichtingen van verzoekster, zoals gemeld in de nota ingediend tijdens de hoorzitting, en dat voorts andere vormingsinstellingen met een gelijkaardige doelstelling, bijvoorbeeld PRH (thema: de persoon en zijn (persoonlijke) groei), de Stichting Lodewijk DE RAET (thema: actief burgerschap) en CCV (thema: zingeving) wel werden aanvaard; 3.2.1. Overwegende dat in het eerste middel, zoals geformuleerd in het verzoekschrift, verzoekster veeleer de materiële dan de formele motiveringsplicht geschonden acht, aangezien zij aanvoert dat de bestreden beslissing ten onrechte en kennelijk onjuist oordeelt dat er geen sprake is van een afgebakend thema en dus ten onrechte oordeelt dat verzoekster in gebreke blijft voor criteria 1a, 1b en 1c; dat ook in de mate dat daarbij wordt aangevoerd dat de motivering tegenstrijdig is doordat tegelijk wordt geoordeeld dat voldaan is aan criteria 2a en 2c, terwijl niet voldaan zou zijn aan criteria 2b en 2d, zij -op zijn minst mede- geacht kan worden de schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren, in de zin dat die motivering materieel onjuist is want tegenstrijdig en ingaand tegen het dossier; dat met het tweede middel ook minder een schending van het redelijkheidsbeginsel dan een ongelijke behandeling wordt aangeklaagd, waaruit dan zou moeten blijken dat in het geval van verzoekster de erkenningscriteria verkeerd werden toegepast; 3.2.2.1. Overwegende dat verzoekster eigenlijk diende aan te tonen, op de wijze als voorgeschreven door het decreet, dat zij als vormingsinstelling gespecialiseerd was op een bepaald vakgebied; dat zij dat vakgebied definieerde of samenvatte als “levenskunst” wat in de aanvraag concreet werd vertaald met een weergave van het cursusaanbod, een overzicht van cursussen “gericht op het beleven en bewust genieten door te leren waarnemen (kijken, luisteren, aanvoelen, ruiken, smaken) en eigen belevings- en beoordelingscriteria te leren vormen”, waaronder IX-4038-11/15 bloembindcursussen, een tuincursus, snoeicursussen, natuurwandelingen, cursussen “ontdek en kies je eigen stijl”, modevoordrachten en -wandelingen, workshops interieur, cursussen interieur volgens Feng Shui, kookcursussen, wijncursussen, eetroutes, muziek- en danscursussen, cursussen rond lichaamswerk, activiteiten rond tentoonstellingsactualiteit, kunstcursussen, cultuurwandelingen, vakantie-inleidingen, geschiedkundige wandelingen en cursussen en workshops rond beeldende expressie, alsook een overzicht van cursussen “gericht op het verbeteren van de levenskwaliteit : d.m.v. vaardigheidstrainingen en probleemoplossende benaderingen”, waaronder onder meer cursussen vanuit een gedragsmatige benadering, zoals bijvoorbeeld relaxeren, stressmanagement, zelfhypnose, “haal het beste uit jezelf”, assertiviteitstrainingen, spreekzekerheid, “faalangst de baas” en “overwin je verlegenheid”, “waarom relaties vierkant lopen” en “de praktijk van het positief denken”, een overzicht van cursussen “gericht op het inzicht krijgen in zichzelf en het zien van patronen en samenhang in de zelfervaring” zoals cursussen “neuro- linguïstisch programmeren” en cursussen gericht op 50-plussers, en een overzicht van cursussen “gericht op vragen rond zelfontplooiing, identiteit en zingeving” zoals cursussen “psychodynamica” en “psycho-spiritueel werk” of rond “de interne criticus” en kennismakingscursussen met Zen en Tibetaans boeddhisme en diverse meditatieve tradities en theoretische cursussen over spiritualiteit in de ruimste zin; 3.2.2.2. Overwegende dat, zelfs wanneer verzoekster hierin wordt bijgevallen dat die cursussen worden gegeven vanuit een bepaalde “waarde” waardoor zij verschillen van gelijkaardige cursussen die door andere instellingen worden gegeven, zij niet op overtuigende wijze aangeeft dat de adviescommissie, hierin gevolgd door de minister, onjuist of kennelijk onredelijk heeft geoordeeld door aan te nemen dat het niet gaat om een duidelijk afgebakend thema dat een gespecialiseerde werking vereist; dat het hiervoor weergegeven overzicht van het cursusaanbod van verzoekster op het eerste gezicht tot de conclusie kan leiden dat het thema niet duidelijk afgebakend is; 3.2.2.3. Overwegende dat in zoverre verzoekster aanvoert dat ten onrechte geoordeeld werd dat zij niet voldoet aan de criteria 2b en 2d omdat, nu niet duidelijk is aangetoond waarin zij eigenlijk gespecialiseerd is ook niet kan worden bewezen dat zij beschikt over medewerkers die blijk geven van deze expertise en ook niet kan worden aangetoond dat zij door de buitenwereld erkend is als autoriteit op het thema “levenskunst”, terwijl wel terecht werd geoordeeld dat zij voldoet aan de criteria 2a en 2c, kan worden volstaan met de vaststelling dat, wijl niet prima facie is IX-4038-12/15 aangetoond dat de motiveringsplicht geschonden is door te oordelen dat het niet gaat om een duidelijk afgebakend thema dat een gespecialiseerde werking vereist, niet voldaan is aan één van de voorwaarden van het decreet om verzoekster te kwalificeren als landelijk gespecialiseerde vormingsinstelling, hetgeen de bestreden beslissing op zich afdoende kan ondersteunen zonder dat nog moet worden ingegaan op de andere motieven, dus met name niet op de beweerde tegenstrijdigheid tussen het oordeel dat voldaan is aan de criteria 2a en 2c, terwijl niet voldaan zou zijn aan de criteria 2b en 2d; 3.2.2.4. Overwegende dat in zoverre verzoekster aanstoot neemt aan de overweging dat het gaat om een aanbod dat perfect past binnen de programmering van een regionale volkshogeschool, dezelfde conclusie geldt, daargelaten de vaststelling dat dit niet meer uitdrukkelijk hernomen is in het definitief advies, hetwelk integendeel stelt dat dit aspect niet doorslaggevend was bij de beoordeling van de dossiers; 3.2.2.5. Overwegende dat het eerste middel derhalve niet als ernstig beschouwd kan worden; 3.2.3.1. Overwegende dat uit het feit dat de materiële motiveringsplicht prima facie niet geschonden is doordat de aanvraag wordt geweigerd, onder meer omdat niet is aangetoond dat het gaat om een duidelijk afgebakend thema dat een gespecialiseerde werking vereist, volgt dat dit oordeel ook niet kennelijk onredelijk kan zijn zoals aangevoerd in het tweede middel; 3.2.3.2. Overwegende dat voor zover in het tweede middel wordt verwezen naar andere aanvragers met gelijkaardige doelstellingen die wel aanvaard werden - met name PRH (de persoon en zijn (persoonlijke) groei), Stichting Lodewijk DE RAET (actief burgerschap) en CCV (zingeving) - en derhalve de schending van het gelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, vooreerst kan worden vastgesteld dat het begrip “actief burgerschap” op zich al duidelijker en beperkter is dan het begrip “levenskunst”, waarnaar verzoekster verwijst; dat, terwijl de aanvragen van PRH en CCV eerst negatief werden geadviseerd - PRH onder meer omdat het thema te breed was en niet voldaan was aan het criterium 1a en CCV omdat het thema weliswaar op zich als gespecialiseerd thema in aanmerking zou kunnen komen indien voldoende gekaderd in een uitgewerkte visie en afgebakend in de praktijk - de adviescommissie na het bezwaar positief adviseerde omdat PRH intussen wel had aangetoond dat zij IX-4038-13/15 gespecialiseerd was rond één thema, namelijk het doorgronden en doorgeven van kennis en inzichten rond het persoonlijk groeiproces, terwijl CCV enkel gunstig werd geadviseerd en erkend als gespecialiseerd voor een beperkt aantal uren rechtstreeks met het thema verbonden; dat wat betreft de Stichting Lodewijk DE RAET - die blijkbaar negatief werd geadviseerd omdat niet was voldaan aan criteria 1a, 1c en 3 nu het thema weliswaar een gespecialiseerd thema zou kunnen zijn maar in casu te breed werd ingevuld met programmering die onvoldoende coherent is en onvoldoende aansluit bij de geformuleerde visie die zijn merites heeft - deze door de minister blijkbaar wel werd aanvaard omwille van de historische en algemeen geapprecieerde rol van deze stichting in het sociaal-cultureel werk, maar enkel voor de cursussen functionele vorming, een wel coherent pakket dat de visie en motivering van het brede thema actief burgerschap respecteert via een afgebakende invulling binnen het terrein sociale participatie; dat de vergelijking met verzoekster dan ook niet opgaat; dat ook het tweede middel niet als ernstig kan worden aangemerkt; 4. Overwegende dat de vaststelling dat aan een der voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-4038-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig juni 2000 en vier, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4038-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.732 Gerelateerde publicatie(
  15. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.148.869 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.