← België

Arrest 132735 - - 22/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.735 Rolnummer: A. 131636/XIV-13410 Zaak: Arrest 132735 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Fiche Arrest nr 132.735 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.735 van 22 juni 2004 in de zaak A. 131.636/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34/1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ethiopische nationaliteit, op 10 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op het administratief dossier; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-13.410-1/9 Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. KUSTERS die, loco Advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Ethiopische nationaliteit, is in België binnengekomen op 17 februari 2002 en heeft zich op 18 februari 2002 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 28 februari 2002 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2002 tot weigering van verblijf is als gemotiveerd : “(...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U stelde de Ethiopische nationaliteit te bezitten en te behoren tot de Tigrinya-etnie. U werkte als ambtenaar bij de financiële afdeling van het "Water, Energy and Mining Department" te Jimma. Sinds 1983 (Ethiopische kalender, komt in de Gregoriaanse kalender overeen met de periode van 11 september 1990 tot en met 11 september 1991) was u lid van het TPLF (Tigray People's Liberation Front). In 1984-1985 zou u ontslagen worden. Dit ontslag kaderde in het overheidsbeleid, want het was de bedoeling de federatie in te delen langs etnische scheidslijnen. U behoorde niet tot de in Jimma ("Oromiya region") dominante etnische groep (Oromo) en diende dus naar uw eigen regio, de Tigray-regio, terug te keren. Uiteindelijk werd besloten dat u alsnog uw job kon behouden omdat u de Oromo-taal beheerste. In de loop van Tir 1992 (Ethiopische kalender, komt in de Gregoriaanse kalender overeen met de periode van 10 januari 2000 tot en met 8 februari 2000) werden enkele van uw collega's XIV-13.410-2/9 gepromoveerd en omdat u het onterecht vond dat ook u geen promotie kreeg, deed u uw beklag op één van de maandelijkse TPLF meetings. Ongeveer één week later kwamen twee veiligheidsagenten tijdens uw afwezigheid naar u thuis en doorzochten het huis. Op het moment van de huiszoeking was uw vrouw, die tot de Oromo-etnie behoort, samen met een tiental vrienden aan het lezen in de bijbel. Een drietal dagen later werd u bij de lokale vertegenwoordiger van het TPLF, Teklu, ontboden. Men zou immers onterecht de mening toegedaan geweest zijn dat uw echtgenote niet gewoon in de bijbel aan het lezen was op het moment van de politie-inval, maar dat ze een bijeenkomst hield om de mensen te informeren over het “Oromo Liberation Front” (OLF). U werd gewaarschuwd dat uw vrouw haar activiteiten diende stop te zetten. In Meskerem 1993 (Ethiopische kalender, komt in de Gregoriaanse kalender overeen met de periode van 11 september 2000 tot en met 10 oktober 2000) zou u, omdat u niet tot de Oromo-etnie maar tot de Tigrinya-etnie behoorde, overgeplaatst worden naar de Wellega-provincie om daar uw werk als ambtenaar verder te zetten. Uiteindelijk diende u een aanvraag in om op pensioen te kunnen gaan zodat u niet hoefde te verhuizen. In de loop van Ginbot of Senie 1993 (komt in de Gregoriaanse kalender overeen met de periode van 9 mei 2001 tot en met 7 juli 2001) werd officieel gemaakt dat er problemen waren binnen het TPLF, twaalf vooraanstaande TPLF-leden werden gearresteerd en er begon een klopjacht naar die TPLF-leden die zich niet achter de eerste minister Meles Zenawi (die tevens ook de voorzitter van het TPLF is) schaarden. (opmerking: we zullen verder de benaming TPLF-Meles gebruiken om te verwijzen naar de getrouwen van Meles Zenawi; met de benaming “Siye-groep” verwijzen we naar diegenen die zich van het TPLF-Meles afkeerden.) In Hamle of Nehassie 1993 (komt in de Gregoriaanse kalender overeen met de periode van 8 juli 2001 tot en met 5 september 2001) organiseerde de TPLF-afdeling te Jimma een meeting waarin de TPLF-leden geïnformeerd werden over de problemen die gerezen waren in de partij. Vanuit Addis Abeba werden soldaten naar Jimma gestuurd, zij zouden een lijst gehad hebben van de namen van hen die in het conflict binnen het TPLF niet aan de zijde van Meles Zenawi stonden. Ook u zou op die lijst gestaan hebben. In Tekemt 1994 (wat in de Gregoriaanse kalender overeenkomt met de periode van 11 oktober 2001 tot en met 9 november 2001) vertrok u naar Addis Abeba. Op 17 Yekatit 1994 ging u te Addis Abeba aan boord van een vliegtuig van Ethiopian Airlines richting Brussel. Op 18 februari 2002 vroeg u te Brussel asiel aan. Er dient opgemerkt te worden dat u er niet in geslaagd bent om de door u ingeroepen “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève aannemelijk te maken. De verklaringen die u aflegt in verband met het TPLF, de problemen binnen het TPLF en de vervolging van diegenen die tot de Siye-groep behoren, zijn zeer vaag en daardoor weinig overtuigend. U stelde te vrezen dat de autoriteiten actie tegen u zouden ondernemen omdat u gezien werd als supporter van de Siye-groep (p. 23). Door uw zeer oppervlakkige kennis over deze groep kon u dit echter niet aannemelijk maken. Zo stelde u dat, nadat u geen promotie kreeg niettegenstaande u naar uw mening daar toch recht op had, u klacht neerlegde bij het TPLF-kantoor te Jimma en bij “de kaders die uit Addis Abeba naar Jimma kwamen”. Gevraagd naar wie de verantwoordelijke van het TPLF te Jimma was, kan u enkel “Taklu” antwoorden, de volledige naam van de persoon in kwestie kende u niet. Op vraag naar wie die kaders zijn die u vermeldde, antwoordde u “Habtu is de belangrijkste, zijn volledige naam ken ik niet en ik ken ook geen namen van andere kaders” (p. 5). Ook van de secretaris van het TPLF te Jimma kent u enkel de voornaam, Hailu (p. 12). In het licht van uw verklaring dat u reeds sinds 1983 lid was van het TPLF te Jimma is dit toch opmerkelijk. U stelde in strijd met de realiteit dat de problemen binnen het TPLF in Ginbot of Senie 2001 ontstonden (p. 9; zie informatie in het administratief dossier). U verklaarde dat drie maanden na de scheuring binnen het TPLF te Jimma mensen behorende tot de Tigrinya-etnie gearresteerd werden (p. 13). Wanneer u gevraagd werd enkele namen van arrestanten te geven, bleek u maar één naam gedeeltelijk te kennen (p. 13, p. 17). Later tijdens dit onderhoud stelde u dat de autoriteiten actie tegen u zouden ondernemen omdat u nauw samenwerkte met enkele mensen binnen de TDA die geassocieerd werden met de Siye-groep en omdat uw vrouw tot de Oromo-etnie behoort (p. 23). U herinnerde zich echter niet welke mensen van de TDA met de Siye-groep geassocieerd werden (p. 23). U verklaarde dat de soldaten die uit Addis Abeba naar Jimma afzakten over een lijst met namen van te Jimma wonende aanhangers van de Siye-groep beschikten en ook uw naam zou op die lijst voorkomen (p. 9, 10, 18). Vervolgens XIV-13.410-3/9 beweerde u dat u reeds één tot twee maanden vóór de meeting die georganiseerd werd door het TPLF om de toestand binnen de partij toe te lichten, op de hoogte was van het bestaan van deze lijst (p. 19). Deze bewuste meeting greep volgens uw verklaringen plaats in Hamle of Nehassie
  6. Aangezien u nog tot Tekemt 1994, ruim een jaar later, in Jimma bleef zonder gearresteerd te worden, kunnen we veronderstellen dat deze lijst van weinig belang was of dat uw naam er niet op voorkwam. Uw bewering "ze arresteerden me niet omdat ik eigendommen heb" (p. 22) is louter speculatief. U wist verder niet wie "Tadesse Kebede Tessema" is (p. 18). Over "Kinfe Gebremedhin" wist u enkel dat hij lid was van het TPLF, wat hem overkwam kon u niet vertellen (p. 18). U had er evenmin een idee van wat EFFORT is (p. 16). U kon bovendien niet aannemelijk maken dat uw echtgenote ervan verdacht zou zijn steun te neven aan het (Oromo Liberation Front). Zo verklaarde u dat uw echtgenote tijdens de huiszoeking met enkele mensen in de bijbel aan het lezen was (p. 6), waaruit men zou afgeleid hebben dat uw vrouw mensen opriep tot steun aan het OLF (p. 7). Dit is weinig geloofwaardig, zeker in het licht van de verdere vage verklaringen die u in dit verband aflegt. Zo bleek u niet te weten wat uw echtgenote precies deed voor het OLF (p. 7, 8). Hoewel u verklaarde dat uw echtgenote “altijd bij OLF-leden was” (p. 7), kon u geen enkele van uw vrouw haar collega's binnen het OLF noemen (p. 8). U stelde dat uw vrouw geen OLF-bijeenkomsten bijwoonde, noch zelf OLF-bijeenkomsten organiseerde (p. 8). U verklaarde vervolgens “mijn vrouw gaf hen in het geheim morele en financiële steun, maar de details ken ik niet, die vertelde ze me niet, ik ben immers Tigrinya” (p. 8). Wanneer u gevraagd werd aan wie in het bijzonder uw vrouw die financiële steun gaf, antwoordde u "ik denk dat ze dat deed maar weet het niet zeker, ik weet niet aan wie, noch hoeveel' (p. 8). Hieruit blijkt dat uw echtgenote zeker geen belangrijke rol speelde binnen het OLF. Bovendien maakt u nergens melding van problemen die uw vrouw zelf zou gekend hebben met de autoriteiten Bovendien wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas nog verder op de helling geplaatst door een aantal tegenstrijdigheden en hiaten in de verklaringen die u voor de verschillende asielinstanties aflegt. Vooraf kan opgemerkt worden dat u tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken steeds spreekt over de “Tigray Development Association” (TDA) in plaats van over het "Tigray People's Liberation Front" (TPLF) zoals op het Commissariaat-generaal. U sprak tijdens het interview op de zetel van de Dienst Vreemdelingenzaken nergens over uw lidmaatschap van het TPLF (zie verhoorverslag DVZ dd. 28/02/2002). Wanneer u op het Commissariaat-generaal gevraagd werd of u naast uw lidmaatschap bij het TPLF ook nog van een andere Tigray-organisatie lid was, antwoordde u ontkennend (p. 3). Als u dan later - nog steeds voor het Commissariaat-generaal - opnieuw diezelfde vraag gesteld werd, antwoordde u lang geleden (u weet geen data meer) geld ingezameld te hebben voor de “Oromo Development Organization” (p. 11). Later antwoordde u bevestigend op de expliciete vraag tijdens het onderhoud in dringend beroep of u lid was van de TDA (p. 16). Als verklaring voor het laattijdig vermelden van uw lidmaatschap van de TDA, antwoordde u “[TDA] is hetzelfde als TPLF, het wordt geleid door het TPLF “ (p. 16). Hoewel de invloed van het TPLF in de TDA zeker niet te verwaarlozen is, blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, dat uw bewering niet strookt met de realiteit (zie informatie in het administratief dossier). Verder maakte u voor de Dienst Vreemdelingenzaken nergens melding van het feit dat u in de loop van het jaar voor u Jimma verliet meerdere nachtelijke bezoeken - driemaal was u aanwezig, maar er gebeurden ook invallen tijdens uw afwezigheid -kreeg van militairen, wat u wel vermeldde voor het Commissariaat-generaal (p. 21). U vermeldde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dan ook nergens de huiszoeking die plaatsgreep ongeveer één week nadat u op een TPLF-meeting uw beklag had gedaan over het feit dat u geen promotie kreeg, (p. 6). Evenmin vertelde u bij de Dienst Vreemdelingenzaken dat u drie dagen na deze huiszoeking door Teklu op het TPLF kantoor ontboden werd en dat Teklu bij die gelegenheid uw (tweede) echtgenote, Mulu Kebede, ervan beschuldigde het “Oromo Liberation Fronto (OLF) te steunen (p. 6, 7). Uit uw verklaringen op het Commissariaat-generaal blijkt dat de soldaten die uit Addis Abeba naar Jimma kwamen ten gevolge van de problemen die binnen het TPLF ontstaan waren, beschikten over een lijst met de namen van diegenen te Jimma die Meles Zenawi niet steunden, ook uw naam zou op die bewuste lijst gestaan hebben (p. 9, 10, 18). Deze lijst vernoemde u niet tijdens het interview door de Dienst Vreemdelingenzaken. Tijdens de bijeenkomst die georganiseerd werd om de mensen in te lichten over de interne problemen van het XIV-13.410-4/9 TPLF verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u apart genomen werd door een u onbekende regeringsmedewerker (zie verhoorverslag DVZ, dd. 28/02/2002, punt 42). Op het Commissariaat-generaal bleek u dan toch niet door een onbekende apart te zijn genomen en gewaarschuwd na die bewuste bijeenkomst, maar wel door Habtu (p. 15). Het document dat u voorlegde in verband met de financiële training die u van 01/09/81 tot 20/09/81 kreeg (zie in het administratief dossier voor een kopie van dit document), doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen aangezien uw opleiding hier niet in twijfel getrokken wordt en aangezien het bewuste document geen bewijs levert voor de door u aangehaalde asielmotieven. De brief van de hand van Mengistu Lemma van het “Finance Department - Ilubabor - OPDO committee office” over het feit dat u verkozen werd deel uit te maken van het comité om bepaalde zaken in verband met de financiële transacties op uw departement ten tijde van het Derg-regime te onderzoeken, verandert evenmin iets aan bovenstaande bevindingen (voor een kopie van dit document zie in het administratief dossier + p.1 verhoorverslag CGVS). U verklaarde immers zelf geen problemen gekend te hebben ten gevolge van uw participatie (p. l). De brief die u in naam van uzelf en een aantal medewerkers aan het kabinet van de eerste minister richtte en die handelde over jullie ongenoegen in verband met het herstructureringsbeleid van de regering, doet niets af aan bovenstaande beweringen omdat hier niet ontkend werd dat u - en samen met u nog een hele reeks andere ambtenaren - het regeringsbeleid bekritiseerde. Wat hier wel betwist wordt, is dat u daardoor problemen zou gekend hebben. Dat wordt trouwens bevestigd door dit bewuste document, dat gedateerd is op 13 Nehasie 1988 en uit de verklaringen die u voor de verschillende asielinstanties aflegde, blijkt dat uw problemen pas enige jaren later een aanvang kenden. Ook het grondplan van uw woning te Ethiopië doet geen afbreuk aan voorgaande opmerkingen aangezien het totaal geen bewijskracht heeft. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen ander element naar voor dat vermag de weigeringbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”.
  7. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  8. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “2.1.
  9. Verzoeker werpt een eerste middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaatgeneraal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het voorhanden zijn van de opgeworpen, beweerdelijke contradicties. De Commissaris-generaal meende enkele beweerdelijke contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoeker waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid die verzoeken dient te weg te filteren, die “manifestement abusives ou non fondée” zijn (exposé et motif de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987,689/1, p. 7). Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoeker heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat hij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. XIV-13.410-5/9 “Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot “een rechtmatig besluit te komen dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten “die de besluitvorming kunnen beïnvloeden”. (A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr.250.) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot het voorhanden zijn van enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin bestaan zou hebben “de feiten, die de besluitvorming kunnen beïnvloeden” op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoeker heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer; niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als “bedrieglijk” Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoeker ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. De Commissaris-generaal meent een tegenstrijdigheid ontdekt te hebben in de asielaanvraag van verzoeker omdat deze laatste tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken over zijn lidmaatschap bij de “Tigray Development Association” (TDA), terwijl hij in zijn verhoor op het Commissariaat-generaal spreekt over zijn lidmaatschap bij de “Tigray People's Liberation Front” (TPLF). In realiteit zijn deze twee groeperingen in feite het zelfde, het geen verzoeker tijdens zijn verhoor ook vermeld heeft: “TDA is hetzelfde als TPLF; het wordt geleid door het TPLF”. Voor het overige worden een aantal zaken aangehaald die verzoeker niet vermeld heeft tijdens zijn eerste verhoor voor DVZ, maar wel voor het verhoor op het Commissariaat-generaal. Dit valt te verklaren door het feit dat het eerste interview vaak kort wordt gehouden en pas in het tweede interview dieper op de zaken wordt ingegaan waardoor onvermijdelijk een aantal details pas bovenkomen in het tweede interview. De aangehaalde zaken zijn echter niet van die aard om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker.”; 2.1.
  10. Overwegende dat op basis van artikel 52 Vreemdelingenwet, een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard; dat in casu de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard op basis van het feit dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat in het middel niet wordt ingegaan op het hoofdmotief van de bestreden beslissing: het gebrek aan verband met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; dat, met betrekking tot de vastgestelde tegenstrijdigheden die worden aangevoerd in de bestreden beslissing, kan worden opgeworpen dat deze in het middel niet worden ontkracht; dat de vaststellingen die werden gemaakt in de bestreden beslissing, alle konden worden gemaakt door een eenvoudige vergelijking van verzoekers verklaringen met de stukken uit het administratief dossier, die alle betrekking hebben op algemeen gekende feiten; dat een eenvoudige vergelijking van de verklaringen waarbij duidelijke tegenstrijdigheden naar voren komen of waarbij verklaringen worden afgelegd die strijdig zijn met algemeen bekende zaken evenwel niet als een onderzoek naar de gegrondheid kunnen worden beschouwd; dat, gelet op de vaststellingen die werden gemaakt en het ontbreken van een ontkrachting van deze vaststellingen, kan worden besloten dat de bestreden beslissing noch artikel 52 vreemdelingenwet schendt, noch op een onzorgvuldige wijze werd genomen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-13.410-6/9 2.2.
  11. Overwegende dat verzoeker als tweede en derde middel aanvoert : “2.1.
  12. Verzoeker puurt een tweede middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het aanhalen van enkele beweerdelijke contradicties geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: “de persoon die (...) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ...”. Verzoeker voldoet volledig aan de drie aangegeven gronden (de vrees voor vervolging omwille van zijn “anders-zijn”), en heeft derhalve zijn relaas weergegeven. “In het algemeen kan worden gesteld dat de overheid haar beslissingen moet baseren op feiten die een determinerende invloed op de uiteindelijke beslissing hebben. Welke nu “precies” die feiten zijn, dient te worden opgemaakt uit het doel en de strekking van de "wettelijke en reglementaire bepalingen die de materie beheersen”. (A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.213, nr.253.) Het doel en de strekking van de Conventie van Genève bestaat erin personen bescherming te verlenen; die in hun land vervolgd worden door de autoriteiten vanwege hun “anders-zijn”. Verzoeker is zo één van die personen, en de feiten die hij heeft aangebracht om zijn relaas te staven, dienen dan ook in de zin van de Conventie van Genève gelezen te worden.
  13. DE VREES Verzoeker vreest voor zijn leven. Uit betrouwbare bron had verzoeker vernomen dat hij op de lijst stond van de mensen die binnen het TPLF niet aan de zijde stonden van de eerste minister Meles Zenawi. Er werden soldaten van Addis Abeba naar Jimma gestuurd om deze mensen op te ruimen.
  14. VOOR VERVOLGING Verzoeker was zoals reeds gezegd actief in het TPLF, maar behoorde tot de Siye-groep die niet achter eerste minister Meles Zenawi stond. Hierdoor kwam hij op een lijst terecht van mensen die opgeruimd moesten worden.
  15. OMWILLE VAN ZIJN ANDERS-ZIJN Verzoeker wordt vervolgd omwille van het feit dat hij behoort tot de verkeerde tak van een politieke partij, m.n. de Siye-groep van het TPLF. Dit is duidelijk een vervolging omwille van politieke overtuiging. Enkel die feiten die verzoeker heeft aangebracht in de zin van de Conventie van Genève, dienen dan ook onderzocht en gewaardeerd te worden: de andere feiten en gegevens diende de Commissaris-generaal buiten beschouwing te laten. Alleszins heeft de Commissaris-generaal nergens zij het formeel, zij het materieel aangeduid, op basis van welke feiten hij heeft uitgemaakt dat verzoeker niet beantwoordt aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, doordat de aanvraag van verzoeker bedrieglijk zou zijn. De dienende feiten kunnen niet voor enige contradictie zorgen met de feiten die los staan van het doel en de strekking van de ter zake geldende bepaling: de Conventie van Genève. 2.1.
  16. Het derde middel van verzoeker bestaat uit de schending van het artikel 62 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 en de algemene rechtsbeginselen der zorgvuldigheid en de motiveringsplicht, doordat de ingeroepen schijnbare tegenstrijdigheden een miniem karakter vertonen. Vastgesteld moet dus worden dat er van de tegenstrijdigheden niet veel aan is, minstens dat deze niet op ernstige wijze de geloofwaardigheid van het relaas zoals voorgebracht door verzoeker, aantasten. Verzoeker heeft een verhaal naar voor gebracht, met concrete feiten, die maken dat verzoeker voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève. Minstens verdienen de door verzoeker aangehaalde feiten een onderzoek ten gronde. 2.
  17. Het Belang XIV-13.410-7/9 Het belang voor verzoeker bestaat erin dat hij bij een terugkeer naar zijn land van herkomst opnieuw zal vervolgd worden omwille van het feit dat hij behoort tot de Siye- groep van het TPLF. Dit is een zekerheid gelet op het feit dat hij reeds vermeld wordt op een lijst van gezochte personen.”; 2.2.
  18. Overwegende dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard, met toepassing van artikel 52 vreemdelingenwet, doordat wordt vastgesteld dat de kandidaat-vluchteling bedrieglijke verklaringen aflegt of doordat ze kennelijk ongegrond wordt bevonden; dat in casu tot de kennelijke ongegrondheid werd besloten en tevens gemotiveerd waarom tot deze conclusie werd gekomen: met name omdat de verklaringen over de vervolging van de groep waartoe verzoeker beweert te behoren zeer vaag zijn en daardoor weinig overtuigend zijn, omdat verzoeker evenmin de verdachtmakingen ten aanzien van zijn echtgenote aannemelijk kon maken en omdat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn en hiaten bevatten; dat, in zoverre wordt aangestuurd op een schending van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève, erop dient te worden gewezen dat dit artikel geen directe werking heeft en aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid heeft verleend met betrekking tot de procedure die dient te worden gevolgd bij het onderzoek van een asielaanvraag; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is; dat het derde middel niet gegrond is;
  19. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.410-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-13.410-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.735 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.