id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.743 Rolnummer: A. 134841/XIV-14466 Zaak: Arrest 132743 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Fiche Arrest nr 132.743 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.743 van 22 juni 2004 in de zaak A. 134.841/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BUYTAERT, kantoor houdende te 9120 BEVEREN, Grote Markt 34 B tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 31 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 8 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.466-1/6 Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. KUSTERS die, loco Advocaat P. BUYTAERT verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Joegoslavische nationaliteit, is in België binnengekomen op 9 januari 2003 en heeft zich op dezelfde dag vluchteling verklaard. 1.
- Op 23 januari 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 februari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 23 januari 2003 tot weigering van verblijf is als gemotiveerd : “(...) Er dient vastgesteld te worden dat u gepoogd hebt de Belgische staat op een intentionele wijze te misleiden. U beweerde immers tijdens uw gehoor op de Dienst Vreemdelingenzaken nooit in een ander land een asielaanvraag te hebben ingediend (DVZ-gehoorverslag vraag 16). Deze bewering kan echter niet in overeenstemming worden gebracht met gegevens van de Duitse autoriteiten waarover het Commissariaat- generaal beschikt. Daaruit blijkt namelijk dat u in Duitsland in totaal drie asielaanvragen hebt ingediend, meer bepaald op 19 februari 1992, op 7 maart 1995 en op 5 augustus
- Op het Commissariaat-generaal gaf u onmiddellijk toe in Duitsland te hebben verbleven en daarna rechtstreeks naar België te zijn gekomen (CGVS- gehoorverslag p. 1-2). In dit verband dient echter toegevoegd te worden dat uw twee broers XXX en XXX een aantal dagen voor u op het Commissariaat-generaal werden gehoord en zij beiden pas na expliciete confrontatie met de informatie uit Duitsland hebben toegegeven in dat land te hebben verbleven en asiel te hebben aangevraagd. XIV-14.466-2/6 Verder heeft u onvoldoende feiten of elementen aangehaald waaruit blijkt dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. U verklaarde niet naar Servië terug te willen keren omdat u vreest door de etnisch Albanese bevolking te worden gedood omwille van uw afkomst (CGVS-gehoorverslag p. 3 en 4). Deze bewering is echter volledig gebaseerd op een vermoeden dat niet in het minst wordt ondersteund door enig objectief criterium. U verklaarde immers uw land van herkomst als 6-jarige met uw ouders te hebben verlaten uit economische overwegingen (CGVS- gehoorverslag p. 2). U weet niet of uw ouders er ooit enige andere vorm van problemen hebben gekend (CGVS-gehoorverslag p. 3). Omtrent uw bewering dat twee ooms van u zouden zijn vermoord in Bujanovac, dient vastgesteld te worden dat u geen gegevens over de omstandigheden van de moorden noch over de vermoedelijke daders kon aanbrengen (CGVS-gehoorverslag p. 4). De moord op uw ooms werd overigens niet door uw broers noch door uw moeder aangehaald (zie gehoorverslagen broers en moeder). Verder blijkt uit niets in uw dossier dat u in geval van eventuele moeilijkheden niet de bescherming van de Servisch-Montenegrijnse autoriteiten zou kunnen inroepen. In dit verband dient nog te worden toegevoegd dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat de huidige autoriteiten van Servië- Montenegro ernstige inspanningen leveren om de situatie en rechten van etnische minderheden te verbeteren en de inter-etnische verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen te normaliseren en te optimaliseren. Zo werd in februari 2002 de wet op de bescherming van rechten en vrijheden van nationale minderheden aangenomen. Deze wet werd begin maart 2002 van kracht en voorziet in de oprichting van Nationale Raden voor Nationale Minderheden die deze minderheden moeten vertegenwoordigen. Verder is in deze wet eveneens voorzien in de oprichting van de Federale Raad voor Nationale Minderheden, die op federaal niveau het behoud, de promotie en de bescherming van nationale, etnische, religieuze, taalkundige en culturele eigenheden van nationale minderheden moet verzekeren. Inmiddels is de eerste Nationale Raad voor Nationale Minderheden in Servië-Montenegro een feit. Verder ziet de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) nauwlettend toe op de behandeling van etnische minderheden in Servië-Montenegro en in het bijzonder in Zuid-Servië, van waar u afkomstig bent. Ten slotte dient nog opgemerkt dat ik in het kader van de asielaanvragen van uw twee broers, XXX en XXX en uw moeder, XXX, op deels dezelfde gronden eveneens een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam. (...).”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert : “2.1.
- Verzoekster werpt een eerste middel op dat bestaat uit de schending van de vreemdelingenwet van 15 december 1980, meer bepaald het artikel 52 en de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel (algemeen rechtsbeginsel), doordat het Commissariaat- generaal niet zonder onderzoek ten gronde kon besluiten tot het voorhanden zijn van de opgeworpen, beweerdelijke contradicties. De Commissaris-generaal meende enkele beweerdelijke contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past, een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren: er moet enkel worden nagegaan of de aangehaalde feiten waarschijnlijk geacht kunnen worden. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoekster waar zijn, en welke op beweerdelijke leugens zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid die verzoeken dient te weg te filteren, die "manifestement abusives ou non fondées" zijn ( exposé et motif de la loi de 14 juillet 1987, document parlementaire, cession 1986 et 1987,689/1 , p. 7). XIV-14.466-3/6 Zo dienen bijvoorbeeld de verzoeken die gesteund zijn op elementen totaal vreemd aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, onontvankelijk te worden verklaard. Maar verzoekster heeft in casu een coherent verhaal naar voren gebracht, dat duidelijk maakt dat zij voldoet aan deze voorwaarden van de Conventie van Genève. “Aan de grondslag van een besluit dienen zorgvuldig vastgestelde feiten te liggen. Om tot “een rechtmatig besluit te komen, dient het bestuur volledig op de hoogte te zijn van de feiten “Die de besluitvorming kunnen beïnvloeden. " (A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.212, nr.250.) De Commissaris-generaal kon niet zonder meer besluiten tot het voorhanden zijn van enkele beweerdelijke tegenstrijdigheden, zonder te zijn overgegaan tot een onderzoek ten gronde, dat erin bestaan zou hebben "de feiten die de besluitvorming kunnen beïnvloeden" op hun merites te hebben onderzocht. De feiten die verzoekster heeft aangebracht, zijn van een zodanige aard dat ze niet zonder meer; niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als "bedrieglijk" . Door desalniettemin er enige zij het vlugge en oppervlakkige aandacht aan te hebben besteed, heeft de Commissaris-generaal zelf laten verstaan dat de door verzoekster ingeroepen feiten waarschijnlijk zijn - hetgeen het enige is waartoe het ontvankelijkheidsonderzoek zou mogen dienen: een onderzoek naar het waarheidsgehalte van beweringen en aangevoerde feiten volkomen kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève, dient ten gronde gevoerd te worden. De Commissaris-generaal baseert zijn beslissing op het feit dat verzoekster verzwegen heeft dat zij reeds een asielaanvraag had ingediend in Duitsland. Verzoekster heeft dit echter niet intentioneel verzwegen, maar heeft uit schrik niet gemeld dat zij reeds eerder een asielaanvraag had ingediend.”; 2.1.
- Overwegende dat, op basis van artikel 52 Vreemdelingenwet, een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard; dat in casu de asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard zowel op basis van het feit dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk, als kennelijk ongegrond is; dat de beslissingnemende overheid dit besluit motiveert op basis van de vaststelling dat de verzoekende partij op intentionele wijze heeft getracht de Belgische overheid te misleiden doordat een tienjarig verblijf in Duitsland, alsmede de drie asielaanvragen die daar werden ingediend, werden verzwegen, alsmede op het feit dat verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat zij een gegronde vrees voor vervolging heeft in Servië-Montenegro, zoals omstandig toegelicht in de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij deze vaststellingen noch weerlegt noch ontkracht; dat de aangevoerde schrik niet kan worden aanvaard; dat er immers van een kandidaat- vluchteling wordt verwacht dat hij volledige medewerking verleent bij het onderzoek van een asielaanvraag; dat dit, onder meer, inhoudt dat men de waarheid vertelt en de bevoegde autoriteiten niet tracht te misleiden; dat dit laatste in casu is gebeurd; dat bovendien in het middel geen enkel element wordt aangevoerd die het besluit tot de kennelijke ongegrondheid kan weerleggen; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-14.466-4/6 2.2.
- Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert : “2.1.
- Verzoekster puurt een tweede middel uit de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het algemeen rechtsbeginsel dat zegt dat elke beslissing materieel gemotiveerd moet zijn, doordat het aanhalen van enkele beweerdelijke contradicties geen afdoende motivering is om een verzoek tot verblijf uitgaande van een persoon die voldoet aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, te weigeren. Artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève definieert de vluchteling als volgt: “de persoon die (..,) uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het grondgebied van het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die bescherming van dat land niet kan, of uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, ...”. Verzoekster voldoet volledig aan de drie aangegeven gronden (de vrees voor vervolging omwille van zijn "anders-zijn"), en heeft derhalve haar relaas weergegeven. “In het algemeen kan worden gesteld dat de overheid haar beslissingen moet baseren op ,feiten die een determinerende invloed op de uiteindelijke beslissing hebben. Welke nu ‘precies’ die feiten zijn, dient te worden opgemaakt uit het doel en de strekking van de “Wettelijke en reglementaire bepalingen die de materie beheersen.” (A. VAN MEENSEL, "De uitdrukkelijke motiveringsplicht" , in X, De doorwerking van het publiekrecht in het privaatrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p.213, nr.253.) Het doel en de strekking van de Conventie van Genève bestaat erin personen bescherming te verlenen; die in hun land vervolgd worden door de autoriteiten vanwege hun "anders-zijn". Verzoekster is zo één van die personen, en de feiten die zij heeft aangebracht om haar relaas te staven, dienen dan ook in de zin van de Conventie van Genève gelezen te worden. Enkel die feiten die verzoekster heeft aangebracht in de zin van de Conventie Van Genève, dienen dan ook onderzocht en gewaardeerd te worden: de andere feiten en gegevens diende de Commissaris-generaal buiten beschouwing te laten. Alleszins heeft de Commissaris-generaal nergens zij het formeel, zij het materieel aangeduid, op basis van welke feiten zij heeft uitgemaakt dat verzoekster niet beantwoordt aan de voorwaarden van de Conventie van Genève, doordat de aanvraag van verzoekster bedrieglijk zou zijn. De dienende feiten kunnen niet voor enige contradictie zorgen met de feiten die los staan van het doel en de strekking van de ter zake geldende bepaling: de Conventie van Genève.”; 2.2.
- Overwegende dat, gelet op het vastgestelde verzwijgen van essentiële elementen in het asielrelaas zoals zij vermeld worden in de motivering van de bestreden beslissing en het niet aannemelijk maken van een gegronde vrees tot vervolging in het land van herkomst, Servië-Montenegro, alsmede het gebrek aan ontkrachting hiervan in het verzoekschrift, dient te worden besloten dat de beslissingnemende overheid niet kennelijk onredelijk is geweest bij haar besluit tot weigering van verblijf; dat de ingeroepen bepaling van de Conventie van Genève geen directe werking heeft en aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid heeft verleend met betrekking tot de procedure die dient te worden gevolgd bij het onderzoek van een asielaanvraag; dat het tweede middel, indien het al ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, XIV-14.466-5/6 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.466-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.