← België

Arrest 132746 - - 22/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.746 Rolnummer: A. 139738/XIV-16133 Zaak: Arrest 132746 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Fiche Arrest nr 132.746 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr.132.746 van 22 juni 2004 in de zaak A. 139.738/XIV-16.

  1. In zake : XXX XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX XXX, van Soedanese nationaliteit, op 28 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-16.133-1/9 Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. CAMERLYNCK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX XXX, van Soedanese nationaliteit, is in België binnengekomen op 14 februari 2003 en heeft zich op 17 februari 2003 vluchteling verklaard. 1.
  4. Op 13 maart 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  5. De beslissing de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 11 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2003 tot weigering van verblijf is als volgt gemotiveerd : “(...) Er dient te worden opgemerkt dat u het niet aannemelijk heeft kunnen maken dat uw "vrees voor vervolging" in de zin van de Vluchtelingenconventie voldoende ernstig is. Zo is het, opvallend dat uw verklaringen over (de aanleiding tot) uw vervolging in grote mate op veronderstellingen zijn gebaseerd en bijzonder vaag zijn. U beweerde dat uw echtgenoot eiste dat u zich zou aansluiten bij islamitische organisaties (gehoorverslag Commissariaat-Generaal dd. 21 mei 2003, p. 7). Wanneer u door het Commissariaat-generaal werd gevraagd bij welke islamitische organisatie(s) u zich moest aansluiten, stelde u oorspronkelijk dat u een hoofddoek moest dragen en dat u publicaties moest verspreiden (p. 7), wat een ontwijkend antwoord op de vraag is. Wanneer u nadien nogmaals werd gevraagd binnen welke organisatie u veronderstelde actief te zijn, antwoordde u de naam van de organisatie niet te kennen, maar wel te weten dat het om een islamitische organisatie ging, wat een weinig overtuigend antwoord is. Verder verklaarde u dat uw echtgenoot u verplichtte XIV-16.133-2/9 publicaties te verspreiden (onder universiteitsstudenten) maar dat u dit weigerde (p. 7-8). Deze verklaring is opmerkelijk, omdat u tegelijk voor het Commissariaat- generaal verklaarde niet te weten wat de inhoud van deze publicaties was (p. 7) zodat men zich kan afvragen waarop uw weigering om de publicaties te verspreiden was gebaseerd. Verder stelde u voor het Commissariaat-generaal dat uw echtgenoot lid was van een islamitische organisatie (p. 8-9). U kon echter noch de naam van de organisatie (p. 8), noch de leiders ervan benoemen (p. 9). U beweerde dat uw man lid werd van deze islamitische organisatie rond het jaar 2001 (p. 8). Wanneer de interviewer van het Commissariaat-Generaal u echter vraagt hoe u weet dat hij in, 2001 lid werd (p. 8) antwoordde u "Hij zei dat nooit expliciet. Maar mannen met baarden kwamen thuis [...]. Het kon bijna niet anders of hij was lid van zo'n organisatie (p. 8-9)". U antwoordde ook ontkennend op de vraag van het Commissariaat-generaal of uw echtgenoot met u over deze organisatie sprak (p. 8). Uit deze verklaringen blijkt duidelijk dat het lidmaatschap van uw man van een islamitische organisatie, dat volgens uw verklaringen verantwoordelijk de oorzaak was voor de ommekeer in zijn gedrag tegenover u (p. 8-9) louter gebaseerd is op vermoedens van uwentwege en dat u het vermeende lidmaatschap op geen enkele manier hard kan maken. U beweerde voor het Commissariaat-generaal dat sinds 2001 ongeveer viermaal per week tot 25 personen van de organisatie over de vloer kwamen in uw huis om hun welbepaalde visie op de islam te ventileren (p. 9), maar u was niet in staat om ook maar één enkele naam te noemen van de personen die uw huis frequenteerden (p. 9) noch bleek u te weten waarover de discussies gingen die zij voerden (p.9). Aangezien u geen woord hoorde van wat er allemaal besproken werd tijdens deze vergaderingen en u niemand kende van degenen die op bezoek kwamen, kan u het allerminst aannemelijk maken dat er daadwerkelijk ontmoetingen van leden van een islamitische organisatie plaatsvonden in uw huis. Later verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat uw echtgenoot naar het huis van uw moeder was getrokken en daar publicaties verstopte om u in de problemen te brengen (p. 11), U bent bijzonder vaag in uw verklaringen omtrent deze gebeurtenissen en uit uw verklaringen blijkt dat u zich wederom enkel op vermoedens baseert. Zo verklaarde u niet te weten waarover deze, publicaties handelden maar u stelde te vermoeden dat de inhoud ervan "gevaarlijk" was (p. 12). Ook de bewering dat het uw echtgenoot was die de publicaties bij uw moeder verstopte is slechts op verdenkingen gebaseerd. U stelde in dit verband dat u zich baseerde op het feit dat uw moeder u had verteld dat uw echtgenoot de enige man was die bij haar was binnengegaan (p. 12). Wanneer de interviewer van het Commissariaat-Generaal u vroeg "Wie stuurde de politie naar uw moeder?" (p. 12) repliceerde u “Ik denk hijzelf, mijn echtgenoot”. Ook hierover kan u aldus geen uitsluitsel geven en blijft het gissen naar sluitende verklaringen. Wanneer u door het Commissariaat-generaal werd gevraagd waarom de politie zou veronderstellen dat de publicaties die zich in uw moeders huis bevonden u toebehoorden, antwoordde u dat het huiszoekingsbevel op uw naam stond (p. 12), wat geen antwoord vormt op de gestelde vraag. U beweerde dat de islamitische organisaties afhangen van de regering (p. 9) en dat u vreest gedood te zullen worden door de regering (p. 13). Voornoemde vage en speculatieve verklaringen dragen ertoe bij dat de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Voor wat de problemen met uw schoonfamilie en echtgenoot betreft, die u in het kader van uw asielaanvraag aanhaalde, kan het volgende worden opgemerkt. U stelde voor het Commissariaat-generaal kort na de geboorte van uw zoontje (in oktober 1999) problemen te hebben gehad met uw schoonouders, omwille van uw donkerdere huidskleur (p. 2, 9-10). Uw schoonouders zouden uw echtgenoot geadviseerd hebben een andere vrouw te huwen (p. 10). Indien uw schoonouders werkelijk een probleem zouden hebben gehad met uw donkere huidskleur, kan men zich afvragen waarom zij niet vroeger hebben geprobeerd om hun zoon ervan te weerhouden om met u in het huwelijk te treden. U stelde immers voor het Commissariaat-generaal dat u reeds in augustus 1998 met uw echtgenoot in het huwelijk trad (p.2), zodat het weinig aannemelijk is dat uw schoonfamilie pas een jaar later aanstoot begon te nemen aan uw donkerder huidskleur. Verder stelde u voor het Commissariaat-generaal dat u problemen kreeg met uw echtgenoot in november 2002, toen hij u sloeg omdat u geen hoofddoek wilde dragen (p. 7). Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal blijkt echter dat u -vóór uw echtgenoot u deze verplichting oplegde- geen hoofddoek droeg (p. 7), wat vragen oproept naar de motieven van uw echtgenoot om plots deze eis XIV-16.133-3/9 te stellen. Uit uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal kan worden afgeleid dat zijn lidmaatschap van een islamitische organisatie deze ommekeer zou hebben teweeggebracht (p. 8-9), maar uit voorgaande opmerkingen blijkt dat u zich -voor wat dit lidmaatschap betreft- louter baseert op veronderstellingen. Uw echtgenoot was tot slot ontevreden over de manier waarop u uw zoontje opvoedde en hij dreigde ermee uw zoon een streng islamitische opvoeding te geven (p. 10). Wanneer u tegenover uw echtgenoot weigerde een hoofddoek te dragen dreigde hij ermee u en uw zoontje om het leven te brengen (p. 10). Het feit dat u persoonlijke problemen kende met uw echtgenoot en schoonouders kan echter bezwaarlijk in aanmerking genomen worden in het kader van uw asielaanvraag, omdat dergelijke motieven strikt genomen niet ressorteren onder één van de criteria van de Conventie van Genève voor de toekenning van asiel, omdat deze tot de privé-sfeer behoren. Bovendien is het merkwaardig dat u -ondanks de doodsbedreigingen van uw echtgenoot en nadat hij kenbaar had gemaakt dat hij van u wilde scheiden- nog steeds bij hem, bleef wonen (p. 10). Uw verantwoording hiervoor, met name dat u bij hem bleef, omdat in geval van scheiding de man verantwoordelijk is voor het hoederecht van de kinderen, is weinig overtuigend, vermits uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt blijkt dat een gescheiden moeder het hoederecht over haar zoon bezit tot de zoon 7 jaar oud is en dat dit verlengd kan worden totdat de zoon de puberteit bereikt (zie informatie in administratief dossier). Aangezien u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat uw zoontje geboren is op 28 oktober 1999 (p. 2), en dus nog geen 4 jaar oud is, is het incorrect te beweren dat uw echtgenoot over het hoederecht van uw kind beschikte. Omtrent de vervolging vanwege de Soedanese overheid kunnen volgende bedenkingen worden gemaakt. U vermeldde voor het Commissariaat-generaal dat u op straat meermaals werd geslagen door militairen omdat u weigerde een hoofddoek te dragen (p. 7). Uit uw persoonlijke formulering van deze problemen tijdens het gehoor door het Commissariaat-generaal (p. 7), met name dat u al langer problemen had (met de militairen), maar dat de echte problemen begonnen in december 2002 (toen uw echtgenoot u verplichtte om een hoofddoek te dragen en publicaties te verspreiden) blijkt dat u de problemen die u met deze militairen had relativeert en dat deze in geen geval de hoofdreden of de directe aanleiding vormen voor het verlaten van uw land. Het feit dat u voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat u vreesde door de regering te zullen worden vervolgd omdat de politie omstreden publicaties in uw moeders huis zou hebben gevonden (p. 12-13) is niet overtuigend. U stelde immers -naar aanleiding van uw klacht bij de politie over het feit dat uw echtgenoot u met een bezem had geslagen- dat de politie deze klacht niet registreerde, omdat zij tegen u hadden gezegd dat uw echtgenoot onschendbaar was (p. 8). De vraag rijst dan waarom uw echtgenoot -indien hij werkelijk onschendbaar was in de ogen van de autoriteiten-omstreden documenten verborgen had in het huis van uw moeder om u verdacht te maken bij de autoriteiten, terwijl hij u in principe had kunnen laten vervolgen voor het feit dat u uw hoofddoek niet droeg, een feit waarvoor u overigens in het verleden al meermaals problemen had gekend met de militairen. Uw identiteit en reisweg kunnen, bij gebrek aan geldige documenten ter zake, niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uw identiteit, nationaliteit en reisweg kunnen, bij gebrek aan geldige documenten ter zake, niet worden nagegaan. Tenslotte bevat uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep geen enkel element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. (...).”. XIV-16.133-4/9
  6. Over de gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert : “Het Commissariaat-Generaal heeft zijn beslissing gebaseerd op enkele duidelijke beoordelingsfouten.
  7. Een eerste beoordelingsfout die gemaakt werd door het Commissariaat-Generaal, is dat er geoordeeld wordt dat verzoekster te weinig gegevens kan verstrekken m.b.t. de islamitische organisatie waarbij haar echtgenoot zich aangesloten had, dat haar verklaringen op veronderstellingen zouden gebaseerd zijn en bijzonder vaag zouden zijn, en dat de geloofwaardigheid van haar asielrelaas hierdoor ondermijnd wordt. Deze redenering houdt niet in het minst rekening met de totaal ondergeschikte positie waarin de vrouw zich bevindt in de Soedanese maatschappij. De positie van de vrouw in Soedan is van die aard dat zij nagenoeg niet betrokken wordt bij de activiteiten van de man, en bijgevolg - althans volgens onze Westerse normen - dienaangaande totaal onwetend is. Méér nog dan in andere Moslimlanden, is de positie van de vrouw in de Soedanese samenleving uitermate betreurenswaardig. Zij kan geen deel nemen aan het politieke leven, zij kan in het economisch leven geen vooraanstaande plaats innemen. De Soedanese wereld is een mannenwereld, waarin de taak van de vrouw bestaat in het baren van kinderen en het verstrekken van materiële zorg voor deze kinderen, totdat zij de leeftijd van de puberteit bereikt hebben. Vrouwen worden geweerd uit bijeenkomsten met een politiek en/of maatschappelijk karakter, en zij worden niet ingelicht - zelfs niet door hun echtgenoot - van wat er op dergelijke bijeenkomsten besproken wordt. Het kan dan ook niet de minste verwondering baren dat verzoekster niet in staat is veel uitleg te verschaffen over de bijeenkomsten waaraan haar echtgenoot deelnam. Deze bijeenkomsten vonden in de ontvangstruimte van haar huis plaats, terwijl zij zich naar haar eigen kamer moest begeven (zie gehoorverslag C.G.V.S., blz. 9). Het feit dat verzoekster weinig details kan geven m.b.t. de bijeenkomsten van deze islamitische organisatie, of m.b.t. de inhoud van de publicaties die opgesteld werden door deze organisatie en waarvan zij verplicht werd mee te werken aan de verspreiding ervan, is een gevolg van de totaal ondergeschikte positie van de vrouw in de Soedanese samenleving, en kan dus zeker in huidige asielprocedure niet tegen haar gebruikt worden, en kan nog véél minder een grond zijn om te gaan stellen dat er aan haar asielaanvraag geen geloof kan gehecht worden.
  8. Verder ondervond verzoekster moeilijkheden omwille van het feit dat zij geen hoofddoek wilde dragen en omwille van het feit dat zij haar zoontje geen streng islamitische opvoeding wilde geven. In de bestreden beslissing worden deze problemen afgedaan als persoonlijke problemen, die tot de privé-sfeer behoren (bestreden beslissing, blz. 3). Nochtans is het duidelijk dat deze problemen niet een zuiver privaatrechtelijk karakter vertonen. Veel vrouwen in Soedan ondervinden problemen omwille van hun verzet tegen de kledings- en gedragsregels. Deze problemen kunnen niet tot de privé-sfeer teruggebracht worden, doch overstijgen het huiselijk en/of familiaal karakter. Het zijn problemen inherent aan een maatschappij die aan bepaalde van haar onderdanen (in casu de vrouwen) beperkingen oplegt die in strijd zijn met de fundamentele mensenrechten van dit gedeelte van de bevolking. De vrouwen die zich niet volledig schikken naar deze (in se vernederende) kledings- en gedragsregels, zijn het slachtoffer van discriminaties, vervolgingen en zelfs geweldplegingen, en dit door hun echtgenoot, de politie of de overheidsadministraties in het algemeen. Uit de informatie die het Commissariaat- Generaal zelf voorlegt, blijkt dat de straf voor het niet naleven van de kledingsvoorschriften 'doorgaans een aantal zweepslagen is' (blz. 3, midden). Op blz. 4 van deze informatie staat er verder letterlijk te lezen : 'In February there were a number of incidents in which young women were detained at police stations and sometimes beaten for alleged improprieties of appearance or behaviour. Women in Khartoum State continued to be harassed and ill-treated by police enforcing the Public Order Law, which restricts womens freedom of movement and regulates their behaviour and dress under threat of summary trial, flogging and imprisonment'(cursivering toegevoegd). XIV-16.133-5/9 De bestraffing met lijfstraffen is mensonwaardig, en een flagrante schending van art. 3 E.V.R.M. Door te gaan stellen dat dergelijke problemen behoren tot de privé-sfeer, maakt het Commissariaat-Generaal een duidelijk verkeerde inschatting van de feiten en omstandigheden, en een schoolvoorbeeld van een beoordelingsfout.
  9. Tevens ondervond verzoekster problemen omwille van haar donkerder huidskleur (haar echtgenoot en zijn familie waren blank). Deze problemen namen toe na de geboorte van haar zoon, toen voor de echtgenoot van verzoekster, en voor zijn familie, nog duidelijker werd dat zijn kinderen een donkere huidskleur zouden hebben. Dit was voor de echtgenoot van verzoekster, en voor zijn familie, een reden tot echtscheiding en tot plannen voor een nieuw huwelijk, ditmaal met een vrouw van lichtere huidskleur. Ook dergelijke problemen behoren - in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing stelt - niet tot de privé-sfeer, maar zijn de gevolgen van een racistische ingesteldheid. In Soedan bestaat er geen Centrum voor Gelijkheid van Kansen, waarop verzoekster een beroep had kunnen doen .... De Soedanese overheid is niet in staat aan personen met een donkere huidskleur een voldoende bescherming te bieden tegen deze vormen van discriminatie, en wil dit in vele gevallen overigens ook niet doen. Een dergelijke vorm van discriminatie, waarbij er door de onderdaan van een Staat geen beroep kan gedaan worden op bescherming door de overheden van deze Staat, dient beschouwd te worden als een vervolging in de zin van de Conventie van Genève.
  10. Tenslotte stelt de bestreden beslissing dat in Soedan een gescheiden moeder het hoederecht over een zoon heeft tot hij 7 jaar is, en dat overwegingen m.b.t. dit hoederecht dus niet de reden kunnen geweest zijn waarom verzoekster, ondanks de bedreigingen, bij haar echtgenoot bleef wonen. Vooreerst zij erop gewezen dat er in Soedan een groot verschil bestaat tussen enerzijds de theorie van de wetgeving, en anderzijds de toepassing ervan in de praktijk. Soedan is een echte mannenmaatschappij, en dit heeft onweerlegbaar zijn invloed op de praktische uitoefening van het hoederecht over kinderen in geval van een echtscheiding. Vervolgens zal wel niet iedereen in Soedan vertrouwd zijn met de wetgeving terzake. Hoeveel ouders in België zijn er volledig op de hoogte van de wettelijke regeling van het hoederecht (ouderlijk gezag, huisvestingsrecht, omgangsrecht, e.d.), laat staan in Soedan ? ? ? Ook hier heeft het Commissariaat-Generaal een duidelijke beoordelingsfout gemaakt, door te stellen dat overwegingen m.b.t. het bezoekrecht geen rol kunnen gespeeld hebben. Verzoekster heeft hierbij duidelijk vier beoordelingsfouten van het Commissariaat- Generaal aangetoond, die blijk geven van een verkeerde inschatting van de feiten en omstandigheden door het Commissariaat-Generaal. Het betreft vier elementen, waarop het Commissariaat-Generaal zijn beslissing gebaseerd heeft. Doordat het Commissariaat-Generaal zijn beslissing gebaseerd heeft op vier beoordelingsfouten, is er sprake van een gebrekkige materiële motivering. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing dient nietigverklaard, en ook geschorst te worden. Er is niet op voldoende wijze voldaan aan de motiveringsplicht zoals voorzien in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (B. S. 12 september 1991).”; 2.2.1.
  11. Overwegende dat verzoekster haar gebrek aan kennis over de Islamitische organisatie waarbij haar echtgenoot zich aangesloten had, verklaart door het feit dat zij als vrouw een totaal ondergeschikte positie heeft in de Soedanese maatschappij; dat zij niet betrokken wordt bij de activiteiten van haar echtgenoot, niet kan deelnemen aan het politieke leven en in het economische leven geen belangrijke plaats kan innemen; 2.2.1.
  12. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoeksters “vrees voor vervolging” voornamelijk gebaseerd is op het feit dat zij zich lid moest maken van een Islamitische organisatie, publicaties moest verspreiden, een hoofddoek moest dragen en de dreiging van een echtscheiding (en bijgevolg verlies van haar hoederecht) door haar donkere huidskleur; dat verzoeksters verklaringen over de Islamitische organisaties en de XIV-16.133-6/9 publicaties bijzonder vaag zijn en voornamelijk gebaseerd op veronderstellingen waardoor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen geen geloof kan hechten aan haar asielrelaas; dat het feit dat verzoekster verklaarde dat zij verplicht werd lid te worden van een organisatie en publicaties te verspreiden niet strookt met de huidige uiteenzetting in haar verzoekschrift waarin zij stelt dat zij “niet wordt betrokken bij de activiteiten van haar echtgenoot”; dat verzoekster er niet in slaagt op overtuigende wijze haar vaagheid van de verklaringen te verklaren aan de hand van haar “ondergeschikte positie”;: dat eraan wordt herinnerd dat de bestreden beslissing moet worden gelezen in haar geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven is die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hebben doen besluiten tot de bedrieglijkheid en kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag; 2.2.2.
  13. Overwegende dat verzoekster stelt dat de moeilijkheden die zij ondervond door het feit dat zij geen hoofddoek wilde dragen en haar zoontje geen streng Islamitische opvoeding wilde geven niet louter van familiale aard zijn; dat het problemen zijn inherent aan een maatschappij die de vrouwen beperkingen oplegt in strijd met de fundamentele mensenrechten; dat uit de informatie die de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf heeft bijgevoegd, blijkt dat de straf voor het niet naleven van de kledingvoorschriften “doorgaans een aantal zweepslagen is”; 2.2.2.
  14. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen rekening houdt met de heersende toestand in het land van herkomst; dat de asielzoeker eveneens zijn persoonlijke vrees voor vervolging dient aan te tonen; dat in casu uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster verklaarde dat zij ook problemen kreeg met militairen omdat ze weigerde een hoofddoek te dragen; dat verzoekster eveneens verklaarde dat zij al langer problemen had met de militairen, maar dat haar “echte” problemen pas begonnen toen haar echtgenoot haar verplichtte om een hoofddoek te dragen; dat verzoekster bijgevolg zelf haar problemen met de militairen relativeerde; dat deze problemen in ieder geval niet de directe aanleiding waren voor het verlaten van haar land; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelde dat deze problemen van persoonlijke aard zijn en beperkt zijn tot verzoekster en haar echtgenoot; 2.2.3.
  15. Overwegende dat verzoekster stelt dat de problemen in verband met haar donkere huidskleur toenamen na de geboorte van haar zoontje en het gevolg zijn van een racistische ingesteldheid; dat deze vorm van discriminatie waartegen de overheid geen bescherming biedt, beschouwd dient te worden als een vervolging in de zin van de Conventie van Genève; 2.2.3.
  16. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de problemen die verzoekster aanhaalt met haar schoonouders door de Commissaris-generaal voor de XIV-16.133-7/9 vluchtelingen en de staatlozen als weinig geloofwaardig worden beschouwd en bovendien onvoldoende ernstig om in aanmerking te nemen als een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich afvraagt waarom de schoonfamilie, gesteld dat deze werkelijk een probleem zou hebben gehad met verzoeksters donkere huidskleur, niet eerder heeft geprobeerd om hun zoon ervan te weerhouden om met haar te huwen en pas een jaar na het huwelijk aanstoot namen aan haar huidskleur; dat verzoekster geen verklaring hiervoor biedt en bijgevolg de motieven niet concreet kan weerleggen; 2.2.4.
  17. Overwegende dat verzoekster stelt dat volgens de informatie waarover de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt een gescheiden moeder in Soedan het hoederecht heeft over haar zoon tot hij zeven jaar is; dat er echter een groot verschil is tussen de theorie van de wetgeving en de praktische toepassing ervan; dat bovendien niet iedereen in Soedan vertrouwd is met de wetgeving terzake; 2.2.4.
  18. Overwegende dat de stelling van verzoekster, namelijk dat er een groot verschil is tussen de theorie en de praktijk van de wetgeving in Soedan, beperkt blijft tot een blote bewering; dat verzoekster heeft nagelaten haar stelling in concreto aan te tonen, terwijl de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijst naar objectieve informatie waarover hij beschikt; dat verzoekster er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onjuist en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt kennelijk onredelijk zijn; 2.2.
  19. Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat in een eerste deel de feiten die resulteren uit de neerslag van de verklaringen van verzoekster tijdens haar verhoor voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen getailleerd en precies worden weergegeven; dat in een tweede deel de verklaringen van verzoekster op nauwkeurige wijze worden onderzocht in de globale context van haar asielaanvraag; dat hij hieruit afleidt dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond is; dat de motieven worden geconcretiseerd en gestaafd door een aantal precieze voorbeelden; dat de juistheid en pertinentie ervan niet worden weerlegd door verzoekster; dat het enig middel niet gegrond is;
  20. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-16.133-8/9 BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.133-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.746 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.