← België

Arrest 132747 - - 22/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.747 Rolnummer: A. 137464/XIV-15383 Zaak: Arrest 132747 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-05 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:21 Fiche Arrest nr 132.747 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.747 van 22 juni 2004 in de zaak A. 137.464/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. CAMERLYNCK, kantoor houdende te 8900 IEPER, Cartonstraat 14 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Syrische nationaliteit, op 19 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 13 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-15.383-1/6 Gelet op de beschikking van 25 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 mei 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. CAMERLYNCK, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Adjunct-adviseur G. DESNYDER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : XXX, van Syrische nationaliteit en Koerdische origine, heeft zich op 3 februari 2003 vluchteling verklaard. 1.
  3. Op 6 maart 2003 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. De beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2003 tot weigering van verblijf is als volgt gemotiveerd : “(...) Vooreerst dient opgemerkt dat u tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd vergeleken met uw verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) die de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas ondergraven. Zo verklaarde u voor de DVZ geen tijd te hebben gehad lid te worden van Yeketi en enkel sympathisant te zijn geweest (zie gehoorverslag DVZ). Voor het Commissariaat-Generaal (CGVS) beweerde u wel als lid geregistreerd te zijn geweest bij deze partij (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). Voor de DVZ verklaarde u vanwege uw kamergenoot, die actief zou zijn voor Yeketi, sympathisant te zijn geworden voor deze partij (zie gehoorverslag DVZ). Voor het CGVS beweerde u nog voor u ging samenwonen met deze persoon en onafhankelijk van hem lid te zijn geworden van Yeketi (zie gehoorverslag CGVS, p. 6 bis). Verder verklaarde u voor de DVZ dat uw kamergenoot kaderlid zou zijn van Yeketi (zie gehoorverslag DVZ). Voor het CGVS beweerde u echter dat hij zoals u een gewoon XIV-15.383-2/6 Yeketi-lid zou zijn geweest (zie gehoorverslag CGVS, p. 4 bis, p. 6 bis). Bovengaande tegenstrijdigheden stellen uw politiek engagement in een bedrieglijk daglicht. Dient tevens aangestipt dat u voor het CGVS verklaarde voor de Syrische veiligheidsdienst uw lidmaatschap bij Yeketi te hebben toegegeven omdat propagandamateriaal van deze partij bij u thuis zou zijn gevonden (zie gehoorverslag CGVS, p. 7). Voor de DVZ beweerde u de Syrische veiligheidsdienst verteld te hebben dat niet u maar uw kamergenoot eigenaar zou zijn van dit materiaal. U ontkende dat dit materiaal aan u toebehoorde (zie gehoorverslag DVZ). Voorts verklaarde u voor het CGVS nog voor uw lidmaatschap bij Yeketi ongeveer vier jaar lang lid te zijn geweest van de "PKK" (de Koerdische Arbeiderspartij) (zie gehoorverslag CGVS, p. 2 bis). Voor de DVZ maakte u op geen enkele moment melding van uw lidmaatschap en activiteiten voor deze partij. Bovengaande bedrieglijke verklaringen en toevoegingen ten opzichte van uw verklaringen voor DVZ zijn zo flagrant dat er geen verder geloof kan gehecht worden aan uw vluchtmotieven. Uw neergelegde kopie van uw gezinssamenstelling bewijst weliswaar wel uw identiteit en afkomst maar vermag in het licht van bovengaande vaststellingen uw asielrelaas niet in positieve zin om te buigen. (...).”.
  5. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
  6. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert : “
  7. Een eerste middel is de schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen. Aan de motiveringsplicht, opgelegd door hogervermelde Wet, is niet op een voldoende wijze voldaan. De bestreden beslissing is gebaseerd op een aantal zogezegd tegenstrijdige verklaringen van verzoeker. Een eerste tegenstrijdigheid zou zijn dat verzoeker tijdens zijn verhoor voor de D.V.Z. gezegd zou hebben geen lid van 'Yeketi' geweest te zijn, en tijdens zijn verhoor voor het C. G.V. S. gezegd zou hebben wél lid geweest te zijn. Er dient echter erop gewezen te worden dat 'Yeketi' geen officieel toegelaten partij is; er zijn geen officiële bureau's, er zijn geen partijkaarten. Men mag 'Yeketi' in de verste verte niet gaan vergelijken met een Belgische politieke partij, waarvan alle leden netjes geregistreerd zijn en een partijkaart bezitten. De sympatisanten en de medewerkers van de partij zijn daarom niet officieel lid van de partij, en een verklaring dat men al dan niet lid is, dient dan ook in deze contekst gelezen en begrepen te worden, en kan zeker geen reden zijn om te gaan stellen dat een verklaring dienaangaande bedrieglijk zou zijn. Een volgende tegenstrijdigheid zou zijn dat verzoeker tijdens zijn verhoor voor de D.V.Z. verklaard heeft dat zijn kamergenoot Azad kaderlid was van 'Yeketi', en tijdens zijn verhoor voor het C.G.V.S. dat Azad een gewoon lid was. Het betreft hier echter een woordenspel: wat is, voor de 'Yeketi'-partij, het practisch verschil tussen een kaderlid en een gewoon lid ? Bestaan er in het Kurmanji (Koerdisch) (de taal waarin verzoeker verhoord werd), woorden die het precieze begrip van deze beide woorden weergeven ? Bij gebrek aan een duidelijk onderscheid tussen de inhoud van het ene en van het andere woord, kan er op deze basis niet tot de bedrieglijkheid van de verklaringen van verzoeker besloten worden. Een laatste zogenaamde tegenstrijdigheid is er een die er helemaal geen is. Verzoeker heeft voor het C.G.V.S. niet verklaard dat het bij hem thuis gevonden propagandamateriaal aan hem toebehoorde. Hij heeft wél gezegd dat hij lid van 'Yeketi' was. De bestreden beslissing wordt verder gemotiveerd door de overweging dat verzoeker tijdens zijn verhoor voor de D.V.Z. geen melding gemaakt heeft van zijn P.K.K.- lidmaatschap. Voor zover verzoeker zich kan herinneren, is zijn P.K.K.-lidmaatschap wél ter sprake gekomen tijdens zijn verhoor voor de D.V.Z. Wellicht werd er geen nota van genomen, of wellicht werd er m.b.t. dit lidmaatschap geen gerichte vraag gesteld. Daarenboven is het niet het P.K.K.-lidmaatschap (wél het latere 'Yeketi'-lidmaatschap) XIV-15.383-3/6 dat de oorzaak van de moeilijkheden van verzoeker was, zodat er dan ook minder aandacht aan besteed werd. Er dient besloten te worden dat de ingeroepen motieven de bestreden beslissing niet kunnen dragen, zodat de beslissing wegens een gebrekkige materiële motivering dient vernietigd te worden.”; 2.1.
  8. Overwegende dat verzoeker de opeenvolgende tegenstrijdigheden in zijn verklaringen betwist; dat, wat de eerste tegenstrijdigheid betreft in verband met zijn “lidmaatschap” van de partij, verzoeker erop wijst dat ‘Yeketi’ geen officieel toegelaten partij is met officiële “bureau’s” en partijkaarten; dat sympathisanten en medewerkers van de partij géén officieel lid van de partij zijn; dat in het middel in wezen wordt gevraagd een nieuwe interpretatie te geven van het begrip “lidmaatschap” en van de door verzoeker afgelegde verklaringen; dat de Raad van State in het kader van zijn marginale toetsingsbevoegdheid enkel kan nagaan of de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn discretionaire appreciatiebevoegdheid niet heeft overschreden; dat verzoeker zich afvraagt, met betrekking tot de tweede tegenstrijdigheid, of er in zijn taal (Kurmanji) wel woorden bestaan die een zelfde betekenis hebben als de woorden “kaderlid” en “gewoon lid”; dat verzoeker in het verzoekschrift nagelaten heeft in concreto aan te tonen dat zijn taal geen woorden kent die de specifieke inhoudelijke betekenis van de woorden “kaderlid” en “lid” kunnen weergeven; dat ook hier verzoeker in wezen vraagt een nieuwe interpretatie te geven van de door hem aangebrachte feiten; dat verzoeker formeel ontkent dat hij voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaard zou hebben dat het propagandamateriaal aan hem toebehoorde; dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat verzoeker uitdrukkelijk zou hebben verklaard dat het bij hem thuis gevonden propagandamateriaal aan hem toebehoorde; dat uit de bestreden beslissing en het verhoorverslag daarentegen wel blijkt dat verzoeker aan de veiligheidsdienst toegaf lid te zijn van “Yeketi”, ” (...) want hebben Yeketi-publicaties bij me thuis gevonden”; dat redelijkerwijze de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit deze verklaring kan afleiden dat de “Yeketi-publicaties” hem ook toebehoorden; dat verzoeker stelt dat zijn P.K.K.-lidmaatschap wél ter sprake kwam tijdens zijn verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken; dat wellicht geen nota ervan werd genomen; dat bovendien het niet het P.K.K.-lidmaatschap is dat de oorzaak van zijn problemen werd; dat de vastgestelde lacune niet is weerlegd met de bewering dat zijn P.K.K.-lidmaatschap wellicht niet genoteerd werd; dat verzoeker gedurende het verhoor en na voorlezing van het verslag daarover geen opmerking heeft gemaakt; dat in het verzoekschrift verzoeker de antwoorden die hij tijdens het interview op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft gegeven, tracht over te doen, te nuanceren, te verklaren of bij te sturen en in het algemeen, verduidelijkingen te geven; dat alle aangebrachte argumenten neerkomen op een andere beoordeling van de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gedane vaststellingen; dat wordt opgemerkt dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening dient te worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat het geheel van de in de XIV-15.383-4/6 bestreden beslissing opgesomde motieven is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat in casu in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen en de toevoegingen ten opzichte van de verklaringen afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken zo flagrant zijn dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verder geen geloof kan hechten aan verzoekers vluchtmotieven; dat de bestreden beslissing, uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel (artikel 52 Vreemdelingenwet) tot de weigeringsbeslissing heeft geleid; dat de verzoekende partij geen concrete elementen aanbrengt die erop wijzen dat de weergegeven motivering buiten alle redelijkheid is; dat de bestreden beslissing na een uiteenzetting van het vluchtrelaas gedetailleerde overwegingen bevat die de beslissing afdoende motiveren; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
  9. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert : “
  10. Een tweede middel is de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden beslissing vermeldt in fine (blz. 2, midden) : 'U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand op uw gekozen woonplaats’. Dit slaat nergens op. De beslissing is niet gesteund op een correcte feitenvinding, en schendt bijgevolg het zorgvuldigheidsbeginsel.”; 2.2.
  11. Overwegende dat de vermelding in de besteden beslissing van de zin “U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand op uw gekozen woonplaats” een louter materiële vergissing is, die de geldigheid van de bestreden beslissing niet aantast; dat het tweede middel niet gegrond is;
  12. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  13. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  14. XIV-15.383-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni tweeduizend en vier, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.383-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.