← België

Arrest 132776 - - 22/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.776 Rolnummer: Zaak: Arrest 132776 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-09 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-04 07:22 Fiche Arrest nr 132.776 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.776 van 22 juni 2004 in de zaken A. 134.485/XIV-14.331 135.560/XIV-14.

  1. In zake : I.XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 II.XXX, die woonplaats kiest bij Advocaten Fr. COEL en R. COEL, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Kardinaal Mercierplein 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift datXXX, van Armeense nationaliteit, op 24 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 februari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 31 maart 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 februari 2003 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, Eerste Nederlandse Kamer, waarbij wordt geweigerd hem als vluchteling te erkennen; Gelet op de beschikkingen van 3 april 2003 en 28 april 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.331-1/5 Gelet op de beschikkingen van 6 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 juni 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaten B. VRIJENS, Fr. COEL en R. COEL verschijnt voor de verzoekende partijen en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de procedure. Overwegende datXXX in twee afzonderlijk beroepen opkomt tegen de niet-erkenning als vluchteling; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het derhalve aangewezen is beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de gegrondheid van de beroepen. 2.
  4. Wat het beroep nummer G/A. 134.485/XIV-14331 betreft : 2.1.
  5. Overwegende dat in een enig middel, afgeleid uit de schending van artikel 1, (A), 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de zorgvuldigheidsverplichting, verzoeker laat gelden dat de bestreden beslissing niet afdoende met redenen is omkleed doordat, ten eerste, geen rekening wordt gehouden met de argumenten vervat in het door hem neergelegd verzoekschrift, “waaronder de weerlegde tegenstrijdigheden en de noodzakelijk- heid van het advies van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor vluchteling- en”, doordat, ten tweede, de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt ingeroepen om de bestreden beslissing te verantwoorden, en doordat, ten derde, de aangehaalde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen slechts details betreffen; XIV-14.331-2/5 2.1.
  6. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet aansluit bij de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde tegenstrijdigheden en dan ook niet gehouden was verzoekers kritiek hierop te weerleggen; dat ze evenmin verplicht was in te gaan op een niet-gemotiveerd verzoek om het advies van het Hoog Commissariaat van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen in te winnen; dat, in tegenstelling tot wat in het middel wordt beweerd, de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet wordt ingeroepen om de bestreden beslissing te verantwoorden; dat de feitenrechter in laatste aanleg oordeelt of, en in welke mate, de vastgestelde tegenstrijdigheden in de opeenvolgende verklaringen van de vreemdeling de geloofwaardigheid van diens relaas aantasten; dat het de administratieve cassatierechter niet toekomt deze beoordeling over te doen; dat het enig middel niet gegrond is; 2.
  7. Wat het beroep nummer G/A. 135.560/XIV-14.694 betreft : 2.2.1.
  8. Overwegende dat in het eerste middel, afgeleid uit de gebrekkige motivering van de bestreden beslissing, verzoeker laat gelden dat er binnen het kader van de Conventie van Genève geen verschil is tussen “doodschieten omwille van politieke overtuiging” en “neerschieten omwille van politieke overtuiging”, dat de beslissing bovendien tegenstrijdig wordt gemotiveerd waar de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, enerzijds, stelt dat de beweerde feiten tot de algemene bekendheid behoren, maar, anderzijds, hem verwijt dat hij dezelfde feiten niet kan bewijzen, en dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een tegenwerpelijke akte (het verslag van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken) vergelijkt met een niet tegenwerpelijke akte (het verslag van het verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen); 2.2.1.
  9. Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen zich niet uitspreekt over de ernst van het incident waarbij SHANT ARUTYUNIAN was betrokken, doch wel over de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas; dat uit dit oogpunt het niet zonder belang was dat betrokkene, zowel voor de Dienst Vreemdelingenza- ken, als in zijn beroepsverzoekschrift stelde dat zijn vader op 30 mei 1999 getuige was van de moord op SHANT ARUTYUNIAN, voor wie hij propaganda voerde, terwijl volgens publieke informatie SHANT ARUTYUNIAN bij de betreffende schietpartij “slechts licht gewond werd en op eigen kracht naar huis kon”; dat in de bestreden beslissing niet wordt overwogen dat de schietpartij van 30 mei 1999 niet is bewezen, doch wel dat “appellant de feiten die hij aanhaalt niet bewijst”, met andere woorden de echtheid van het eigen feitenrelaas niet aantoont; dat van een vergelijking tussen de verslagen van de verhoren op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in de bestreden beslissing geen sprake is; dat het eerste middel niet gegrond is; XIV-14.331-3/5 2.2.2.
  10. Overwegende dat in het tweede middel, afgeleid uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de zorgvuldigheidsplicht, verzoeker laat gelden dat zijn vluchtverhaal tot in de details overeenkomt met de informatie waarover de documentatiedienst van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen beschikt en waaraan deze in haar besluitvorming niet kon voorbijgaan; 2.2.2.
  11. Overwegende dat door er zich niet toe te beperken de aanvraag van verzoeker te toetsen aan de algemene beschikbare informatie in verband met het land van herkomst, doch ook de bijzondere informatie in verband met het ingeroepen incident van 30 mei 1999 na te gaan, de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen juist blijk geeft van zorgvuldig handelen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.2.3.
  12. Overwegende dat in het derde middel, afgeleid uit machtsafwending, verzoeker laat gelden dat de betrokken overheid op flagrante wijze de feitelijkheden miskent met als enig doel snel te kunnen werken en een eindbeslissing te nemen om het asielverzoek af te sluiten, hetgeen volkomen in strijd is met de wettelijke opdracht van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; 2.2.3.
  13. Overwegende dat blijkens de motivering van de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wordt verworpen omdat hij er niet in geslaagd is aan te tonen vluchteling in de zin van artikel 1, (A), 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 te zijn; dat dit rechtscollege zijn bevoegdheid zou hebben afgewend van het doel waarvoor deze bevoegdheid hem is gegeven, een loutere bewering is die niet in het minst wordt gestaafd; dat, daargelaten de vraag of machtsafwending als vernietigingsgrond in een administratief cassatieberoep kan worden ingeroepen, het derde middel hoe dan ook niet ontvankelijk is;
  14. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, XIV-14.331-4/5 BESLUIT: Artikel
  15. De zaken nummers G/A. 134.485/XIV-14.331 en 135.560/XIV-14.694 worden gevoegd. Artikel
  16. De beroepen worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwin- tig juni tweeduizend en vier, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-14.331-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.776 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.