id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.791 Rolnummer: A. 150339/X-11833 Zaak: Arrest 132791 - - 22/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-14 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:23 Fiche Arrest nr 132.791 van 22 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.791 van 22 juni 2004 in de zaak A. 150.339/X-11.
- In zake : Maria VANORMELINGEN, die woonplaats kiest bij Advocaten E. RYCKBOST en D. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaten H. SCHILTZ en G. CNUDDE, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria VANORMELINGEN op 2 april 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 5 januari 2004 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken waarbij onder meer de semi- gesloten hoeve en erf te Borgloon (Hoepertingen), Langegrachtstraat 4-6 als monument en de landelijke omgeving van die hoeve, als dorpsgezicht worden beschermd; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 mei 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; X-11.833-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. RYCKBOST, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat A. SMOLDERS die, loco Advocaat H. SCHILTZ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat met een ministerieel besluit van 20 december 2002 onder meer de semi-gesloten hoeve en erf, gelegen te Borgloon (Hoepertingen), Langegrachtstraat 4-6 als monument en de landelijke omgeving van die hoeve als dorpsgezicht op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten worden geplaatst; dat de verzoekende partij met een brief van 17 maart 2003 een bezwaarschrift indient; dat na advies van het bestuur Monumenten en Landschappen en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen met het thans bestreden besluit de kwestieuze hoeve als monument en de landelijke omgeving ervan als dorpsgezicht worden beschermd;
- Beoordeling 2.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij wat de tweede voorwaarde betreft in essentie aanvoert dat zij de eigenares is van de kwestieuze hoeve en landelijke omgeving aan de Langegrachtstraat 4-6 te Borgloon, dat haar eigendomsrecht wordt aangetast door de drastische eigendomsbeperkingen die uit het beschermingsbesluit voortvloeien, te weten een verbod op bouwkundige aanpassingen en een beperking van de aanpassingsmogelijkheden, dat haar eigendom X-11.833-2/4 daardoor een waardevermindering zal ondergaan, dat zij niet meer het volledige ius utendi, fruendi en abutendi zal genieten en dat zij verwijst naar de artikelen 2 tot en met 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van monumenten en stads- en dorpsgezichten, die van toepassing worden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de aangevoerde eigendomsbeperking kan worden ingepast in artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens, dat er wel een bijzondere adviesverplichting maar geen bouwverbod is, dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij concrete plannen heeft met het beschermde gebouw en landschap en dat de verzoekende partij het ministerieel besluit van 20 december 2002, waarbij haar eigendommen op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten werden geplaatst, niet heeft aangevochten; 2.
- Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij niet de schorsing van de tenuitvoerlegging heeft gevorderd van het op 7 februari 2003 ter kennis gebrachte besluit van 20 december 2002 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende vaststelling van een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten; dat dit besluit betrekking had op onroerende goederen die ook het voorwerp uitmaken van het thans bestreden besluit, te weten een semi-gesloten hoeve met erf, gelegen te Borgloon, Langegrachtstraat 4-6 en de landelijke omgeving van die hoeve; dat niettemin het ministerieel besluit van 20 december 2002 eenzelfde bescherming tot gevolg had met dezelfde rechtsgevolgen als het thans bestreden besluit; dat dit stilzitten van de verzoekende partij erop wijst dat de door haar aangebrachte nadelen, die ook toen reeds voortvloeiden uit het voorlopige beschermingsbesluit, alsdan niet als dermate ernstig en moeilijk te herstellen werden aanzien dat de schorsing van de tenuitvoerlegging ervan moest worden gevorderd; dat de verzoekende partij thans geen concrete gegevens bijbrengt waaruit kan blijken dat de aangevoerde nadelen nu dermate ernstig en moeilijk te herstellen zijn geworden dat alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging nog uitkomst kan brengen zonder dat het verloop van de annulatieprocedure kan worden afgewacht; X-11.833-3/4 Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partij niet blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig juni 2004, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. C. ADAMS. X-11.833-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.791 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.