id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.896 Rolnummer: A. 94063/X-9687 Zaak: Arrest 132896 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-08-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:23 Fiche Arrest nr 132.896 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.896 van 23 juni 2004 in de zaak A. 94.063/X-9687. In zake : de n.v. 'T GIELSBOS BEHEER, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SCHILTZ, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai 2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. 'T GIELSBOS BEHEER op 29 juli 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 24 maart 2000 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport houdende voorlopige bescherming als landschap van "HET VOORMALIGE GROTENHOUTBOS" gelegen te Lille (Gierle), Grotenhout, Rooien, Turnhoutsebaan en te Vosselaar, zoals afgebakend op het bijgaand plan; Gelet op het arrest nr. 94.670 van 10 april 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen en de uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 23 mei 2001 ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; X-9687-1/5 Gelet op de beschikking van 10 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 mei 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. GEELEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. CNUDDE die, loco Advocaat H. SCHILTZ verschijnt voor de verwerende partij; Geho o rd het eensluidend advies van Eerst e Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie met betrekking tot haar belang bij het beroep, uiteenzet dat er geen redenen zijn om het annulatieberoep af te wijzen bij gebreke aan belang; dat vooreerst de conclusie van het bevoegde lid van het Auditoraat voorbarig is doordat het zijn ambtshalve conclusie nopens het belang formuleert op een ogenblik dat de procedure gekend bij de Raad van State onder G/A 114.303/X-10.714 nog niet is afgehandeld; dat de verzoekende partij voorts doet gelden wat volgt : "2. De bestreden akte is een afscheidbare akte. Het in de huidige procedure bestreden besluit is de voorlopige bescherming als landschap van het Grotenhoutbos, zoals vastgesteld bij besluit van 24 maart 2000. De voorlopige bescherming van een landschap is een noodzakelijke procedurestap in de besluitvorming omtrent de klassering van een landschap. Dit blijkt voldoende uit art. 6 § 1 van het Decreet van 16 april 1996 houdende de bescherming van landschappen (...). Dit artikel is opgenomen onder hoofdstuk II 'De beschermingsprocedure'. Indien het besluit tot voorlopige bescherming van een landschap is aangetast door nietigheid, dan dient meteen besloten (
- te)worden tot de nietigheid van de procedure. X-9687-2/5 Bovendien gaat het om een volwaardige administratieve beslissing, die afgescheiden is van de definitieve rangschikking als landschap. Het besluit tot voorlopige bescherming als landschap kan op een ontvankelijke wijze met een afzonderlijk annulatieberoep bestreden worden bij de Raad van State. Derhalve heeft een eventueel verlies van belang in de procedure 114.303/X10.714 niet tot gevolg dat de verzoekende partij zijn belang verliest inzake de voorlopige rangschikking. Terzake wenst de verzoekende partij er op te wijzen dat haar belang in de bestrijding van de bescherming van landschap tweeledig is : zij wenst enerzijds dat de percelen waarvan zij nu nog eigenaar is niet als landschap worden beschermd doch anderzijds wenst zij ook dat de onregelmatigheid van het voorlopige beschermingsbesluit wordt vastgesteld omdat zij door de uitwerking van dit besluit een grote schade geleden heeft. Door de uitwerking van de voorlopige bescherming werd het bos voor de verzoekende partij immers onbruikbaar als economisch werkingsmiddel (de verzoekende partij is bosexploitant) en diende zij dit bos te verkopen (de verkoop van het bos werd reeds vastgesteld in het arrest van de Raad van State nr. 94.670 dd. 10 april 2001). De verzoekende partij verkocht bij akte van 15 november 2000 295 ha van het bos. Zij behield nog 11ha in eigendom. Deze verkoop was een rechtstreeks gevolg van de uitwerking van de voorlopige bescherming van het bos. Het is door deze verkoop dat de verzoekende partij het grootste deel van haar patrimonium verloor en derhalve ook de grootste schade leed. Het is voor de verzoekende partij van het grootste belang dat zij kan laten vaststellen door de Raad van State dat de voorlopige klassering, gebrekkig was, omdat dit meteen ook de fout van de verwerende partij zou aantonen. Op het ogenblik van de verkoop was het besluit tot definitieve klassering nog niet genomen. Dit besluit werd slechts genomen op 24 april 2001. De definitieve klassering kan derhalve niet de oorzaak zijn van de schade die geleden werd door de verzoekende partij bij de verkoop die op 15 november 2000 gebeurde. Derhalve blijft er een voldoende belang voor de verzoekende partij om de voorlopige bescherming van het bos aan te vechten, ook indien dit belang niet meer zou weerhouden worden in de procedure 114.303/X-10.714. De situatie is vergelijkbaar met de situatie waarin een persoon eigenaar is van een perceel dat voorlopig beschermd wordt. Hij vraagt aan de Raad van State de vernietiging van deze voorlopige bescherming. Nog voor de definitieve bescherming lijdt deze persoon een onherstelbare schade tengevolge van de voorlopige bescherming. Deze schade verplicht de verzoekende partij om het perceel te verkopen nog voor de definitieve bescherming. Hij heeft geen belang meer om de annulatie te vragen van het definitief beschermingsbesluit : hij is immers geen eigenaar meer en de schade wordt niet door het definitieve beschermingsbesluit veroorzaakt. Nochtans behoudt hij een voldoende belang om de annulatie te vragen van het voorlopige beschermingsbesluit."; Overwegende dat verwerende partij in haar laatste memorie het standpunt van het bevoegde lid van het Auditoraat bijtreedt; Overwegende dat het bestreden besluit het betrokken landschap voorlopig beschermt; dat de beslissing voorafgaat aan het besluit van 24 april 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij het goed definitief als landschap wordt beschermd; dat de verzoekende X-9687-3/5 partij ook tegen de definitieve bescherming een annulatieberoep heeft ingesteld; dat dit bij 's Raads arrest nr. 115.767 van 12 februari 2003 is verworpen zodat het laatstgenoemde besluit definitief is geworden; dat het thans bestreden besluit derhalve geen rechtsgevolgen meer sorteert noch kan sorteren; dat moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet meer doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat voorts niet het bestreden besluit maar het definitief geworden beschermingsbesluit van 24 april 2001 bepaalt of verzoeksters resterende goederen nog als landschap worden beschermd; dat in de mate dat verzoekster haar belang betrekt uit de wens "dat de onregelmatigheid van het voorlopige beschermingsbesluit wordt vastgesteld omdat zij door de uitwerking van dit besluit een grote schade geleden heeft", een dergelijk belang niet voldoende is om, vanuit het oogpunt van het belang, een vordering tot nietigverklaring te schragen; dat immers de finaliteit van het vernietigingscontentieux erin bestaat onwettige rechtshandelingen met terugwerkende kracht uit de rechtsorde te bannen en het ingeroepen belang in relatie met die finaliteit dient te staan; dat het belang om een administratieve rechtshandeling onwettig te horen verklaren, om te horen vaststellen dat de voorlopige bescherming gebrekkig was, wat meteen ook de fout van de verwerende partij zou aantonen, geen belang meer is verbonden aan het doen verdwijnen van de akte uit de rechtsorde, maar uitsluitend een belang om een middel gegrond te horen verklaren; dat zulk een belang slechts indirect is; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9687-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9687-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.896 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.94.670 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div