id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.899 Rolnummer: A. 88979/X-9323 Zaak: Arrest 132899 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-04 07:23 Fiche Arrest nr 132.899 van 23 juni 2004 - Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.899 van 23 juni 2004 in de zaak A. 88.979/X-
- In zake : Hendrik VAN DEN BERGHE, die woonplaats kiest bij Advocaat J. HAENTJENS, kantoor houdende te 9160 LOKEREN, Knokkestraat 33 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Bevrijdingslaan 4, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hendrik VAN DEN BERGHE op 14 januari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 juli 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn "waarbij beslist wordt : 'art. 1 : wordt beschermd, overeenkomstig de bepalingen van het Decreet van 3/03/1976 : ... wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde : - als dorpsgezicht - omgeving Lijsdonckhof met parkaanleg, gelegen te St.-Niklaas (Sinaai), Hulstbaan; bekend ten kadaster : St.-Niklaas, 10e afdeling sectie C, perceel nrs. 560b, 560c, 566b, 568b, 568c, 568g, 568h, 569a, 570b, 570c, 570d, 570e, 571 en 572;' (...)"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; X-9323-1/6 Gelet op de beschikking van 2 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 11 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. HAENTJENS, die verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat J. VAN DEN BON die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat bij besluit van 8 juli 1999 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn wordt beschermd overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten : "Wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde : - als monument : LIJSDONCKHOF, gelegen te Sint-Niklaas (Sinaai), Leerstraat 2; bekend ten kadaster : Sint-Niklaas, 10e afdeling, sectie C, perceelnummers 550A, 551A, 552B, 553C, 553D, 553E, 554D, 555B, 555C, 556, 557, 558, 559A, 562D, 562E, 562F. Wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde : - als dorpsgezicht : omgeving Lijsdonckhof met parkaanleg, gelegen te Sint-Niklaas (Sinaai), Hulstbaan; bekend ten kadaster : Sint-Niklaas, 10e afdeling, sectie C, perceelnummers 560B, 560C, 566B, 568B, 568C, 568G, 568H, 569A, 570B, 570C, 570D, 570E, 571, 572."; X-9323-2/6 Overwegende dat verzoeker het voorwerp van zijn beroep beperkt tot de bescherming als dorpsgezicht; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als exceptie opwerpt dat verzoeker geen belang heeft bij de nietigverkla- ring van het bestreden besluit voor zover het "het Lijsdockhof" als monument beschermt daar het bestreden besluit twee afsplitsbare beschermingen betreft, namelijk de bescherming van het Lijsdockhof als monument enerzijds en de omgeving van het Lijsdockhof als dorpsgezicht anderzijds, dat verzoeker geen eigenaar is van het als monument beschermde goed en zijn middelen beperkt tot de bescherming als dorpsgezicht; Overwegende dat verzoeker zich, wat deze eerste exceptie betreft, "gedraagt (...) naar de wijsheid van de Raad van State"; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie niets toevoegt aan hetgeen zij in eerdere stukken heeft uiteengezet; Overwegende dat deze exceptie wezenlijk de vraag doet rijzen of, indien één of meer middelen gegrond zouden zijn, een eventuele vernietiging geheel of slechts gedeeltelijk zou zijn, m.n. in zoverre het bestreden besluit de aangeduide percelen beschermt als dorpsgezicht; dat eerst het onderzoek van de middelen wordt gedaan; dat alvast uit de navolgende bespreking zal blijken dat het tweede middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat verzoeker onder de hoofding "tweede middel" aanvoert wat volgt : "Als eigenaar is vertoger nooit in kennis gesteld van het voornemen van de overheid om de percelen, waar van hij eigenaar was, te klasseren als dorpsge- zicht; vertoger is evenmin betrokken in het voorafgaandelijk openbaar onderzoek, noch in de aan de klassering voorafgaande procedure; de enige mededeling die vertoger ter zake bekwam was het (...) aangetekend schrijven van 17/11/1999 (waarbij hem het bestreden besluit werd ter kennis gebracht); bij aldien is het Minist(e)rieel Besluit op onwettige wijze tot stand gekomen"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord enerzijds repliceert dat het tweede middel niet ontvankelijk is in de zin van artikel 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna: X-9323-3/6 procedurereglement) daar het "geen enkele aanduiding (bevat) van de rechtsregel die zou zijn overtreden, laat staan een duidelijke" en anderzijds betoogt dat de "verzoekende partij (...) niet op de hoogte gesteld (dient) te worden van een voornemen tot het opstarten van een beschermingsprocedure. Anderzijds werd het openbaar onderzoek gehouden zoals duidelijk blijkt uit (de stukken betreffende het openbaar onderzoek)"; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord dupliceert wat volgt : "Art. 5 van het decreet van 3 maart 1976 legt de overheid de verplichting op de voorontwerpen van lijst o.m. ter kennis te brengen van de eigenaars. Hetzelfde artikel legt trouwens aan de overheid de verplichting op de eigenaars te verwittigen indien in een latere fase hun onroerende goederen, ingeschreven op de voorontwerpen van lijst, niet behouden worden. Het verwittigen van de eigenaars is een substantiële vereiste die hen toelaat binnen de bij wet voorziene termijn bezwaar in te dienen tegen de voorgenomen klassering die in elk geval een belasting en een beperking van hun eigendoms- recht impliceert. Het Vlaamse Gewest heeft deze wettelijke verplichting niet nageleefd zodat haar besluit op onwettige wijze is tot stand gekomen."; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie met betrekking tot het tweede middel uiteenzet wat volgt : "Verzoekende partij heeft pas in de memorie van wederantwoord dit aangevoerde middel voldoende verduidelijkt om een verweer mogelijk te maken. Dit betekent echter niet dat het aangevoerde middel voldoet aan artikel 2 van het procedurereglement. Artikel 2, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State vereist dat het verzoekschrift een uiteenzetting moet bevatten van de feiten en de middelen; dat de uiteenzetting van het rechtsmiddel in principe vereist dat zowel de rechtsregel wordt aangeduid die zou zijn geschonden als de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden handeling werd geschonden. Bij het ontbreken van een zodanige uiteenzetting is het verzoekschrift niet ontvankelijk. Verwerende partij volhardt derhalve in zijn argumentatie uiteengezet in de memorie van antwoord."; Overwegende dat, wat de opgeworpen exceptie van niet- ontvankelijkheid van het tweede middel betreft, onder middel in de zin van artikel 2, § 1, 2/, van het procedurereglement moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel en van de wijze waarop die regel naar het oordeel van verzoeker door de bestreden beslissing werd geschonden; X-9323-4/6 Overwegende dat in de hiervoor hernomen uiteenzetting in het verzoekschrift geen middel in de zin als hiervoor bepaald kan worden gelezen, aangezien verzoeker niet eens verduidelijkt op welke wijze hij betrokken diende te zijn bij het voorafgaand onderzoek of in de "aan de klassering voorafgaande procedure", noch aanduidt of verduidelijkt op welke grond of wijze het "nooit in kennis (stellen) van het voornemen van de overheid om de percelen, (...) te klasseren als dorpgezicht" het bestreden besluit onwettig maakt; dat met verduidelijkingen ter zake in de memorie van wederantwoord geen rekening kan worden gehouden; dat het tweede middel niet ontvankelijk is; Overwegende dat er grond is om het onderzoek van de zaak voort te zetten, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek. X-9323-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9323-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.899 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.158.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.