id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.917 Rolnummer: A. 116596/X-10811 Zaak: Arrest 132917 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.917 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.917 van 23 juni 2004 in de zaak A. 116.596/X-10.
- In zake : de n.v. VIM, die woonplaats kiest bij Advocaat Ph. PELS, kantoor houdende te 9000 GENT, Twaalfkameren 17 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VIM op 8 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 5 juli 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de verbouwing van een pand met kantoorruimte en woongelegenheid tot een pand met handelsruimte, twee appartementen en twee studio's te Gent, Prinses Clementinalaan 199, op een perceel kadastraal bekend Sectie I, nr. 652/t2; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 16 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; X-10.871-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Ph. PELS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Bestuurssecretaris A. GLABEKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 27 november 2000 de regularisatievergunning aanvraagt voor de verbouwing van een pand met kantoorruimte en woongelegenheid tot een pand met handelsruimte, twee appartementen en twee studio's te Gent, Prinses Clementinalaan 199, op een perceel kadastraal bekend Sectie I, nr. 652/t2; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent op 5 juli 2001 de regularisatievergunning weigert; dat de verzoekende partij op 20 juli 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 6 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie inzake haar belang bij het beroep het volgende uiteenzet : "Art. 159 D.R.O. (oud) bepaalde eerst en vooral : 'In de gevallen bedoeld in artikel 158, § 1, kan een vergunning worden verleend volgens de vergunningsprocedure van dit decreet.'. Het staat niet ter discussie dat de aanvraag van de N.V. VIM principieel in aanmerking kwam voor regularisatie, in die zin dat geen enkele van de in art. 158 § 1 genoemde beletsels erop van toepassing is. Volgens de duidelijke bepaling van art. 159 D.R.O. (oud) wordt de regularisatievergunning verleend 'volgens de vergunningsprocedure van dit decreet'. Hierbij verliest de auditeur art. 108 D.R.O. uit het oog : §
- De gemeentelijke stede(n)bouwkundige ambtenaar gaat, na ontvangst van de aanvraag, na of ze volledig is. Indien de aanvraag volledig wordt bevonden, dan geeft of stuurt de gemeentelijke stede(n)bouwkundige ambtenaar hiervan, binnen 14 dagen na ontvangst van de aanvraag, een schriftelijke bevestiging aan de aanvrager. X-10.871-2/4
- Wordt de aanvraag niet volledig bevonden, dan brengt de gemeentelijke stede(n)bouwkundige ambtenaar, binnen veertien dagen na ontvangst van de aanvraag, bij aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs de aanvrager daarvan op de hoogte. Hierbij wordt vermeld om welke reden die aanvraag niet volledig wordt bevonden. De vergunningsprocedure wordt hiermee definitief stopgezet. Indien binnen veertien dagen geen kennisgeving is verzonden, dan wordt het dossier geacht administratief volledig en ontvankelijk te zijn. Nooit eerder in deze procedure - en dus al zeker niet binnen 14 dagen na ontvangst van de aanvraag - werd op het ontbreken van het certificaat gewezen. De aanvraag wordt dus van rechtswege geacht volledig en ontvankelijk te zijn.
- Zoals de auditeur in zijn verslag zelf aangeeft, is art. 159 inmiddels in die zin gewijzigd dat het voorafgaandelijk voorhanden zijn van het certificaat niet langer wordt vereist. Bijgevolg zal de Bestendige Deputatie bij nietigverklaring van haar bestreden beslissing, niet noodzakelijk de vergunning opnieuw moeten weigeren. De N.V. VIM heeft derhalve wel degelijk belang bij haar vordering.
- Zeer subsidiair en enkel volledigheidshalve wenst de N.V. VIM nog te laten gelden dat de vernietiging van de bestreden beslissing minstens tot gevolg heeft dat de Bestendige Deputatie de aanvraag niet opnieuw kan weigeren op dezelfde gronden"; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoekende partij reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie dat "de Bestendige Deputatie bij nietigverklaring van haar bestreden beslissing, niet noodzakelijk de vergunning opnieuw moet weigeren" en "dat de vernietiging van de bestreden beslissing ministens tot gevolg heeft dat de Bestendige Deputatie de aanvraag niet opnieuw kan weigeren op dezelfde gronden", hieraan niets afdoet; dat immers de X-10.871-3/4 mogelijkheid dat door de nietigverklaring een situatie ontstaat die voor verzoeker kan leiden tot een beter resultaat, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoeker, door het betrachten van dit gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat de argumentatie dat "nooit eerder in deze procedure (...) op het ontbreken van het certificaat (werd) gewezen" evenmin afbreuk doet aan de vaststelling dat de verzoekende partij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat overigens ten overvloede moet worden vastgesteld dat, in toepassing van artikel 193, § 2, D.R.O., het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 108 D.R.O. op de onderhavige procedure niet van toepassing was; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat verzoeker niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.871-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.