← België

Arrest 132918 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.918 Rolnummer: A. 116715/X-10813 Zaak: Arrest 132918 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-15 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.918 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.918 van 23 juni 2004 in de zaak A. 116.715/X-10.

  1. In zake :
  2. Marc DE MEESTER,
  3. Christiane POLLIE, wonende te 9032 GENT-WONDELGEM, Botestraat 127 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc DE MEESTER en Christiane POLLIE op 12 februari 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van hun beroep tegen de beslissing van 23 augustus 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent waarbij hun de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de plaatsing van houten vlechtschermen op 20 cm van de perceelgrens en houten leipalen voor klimplanten in de zijdelingse strook gelegen aan de Botestraat 127 te Gent (Wondelgem), op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 577/m; Gezien de toelichtende memorie van de verzoekende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; X-10.813-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. BEEK die, loco Advocaat E. PRINGUET verschijnt voor verzoekers, en van Bestuurssecretaris A. GLABEKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen op 24 juli 2001 de regularisatievergunning aanvragen voor de plaatsing van houten vlechtschermen op 20 cm van de perceelgrens en houten leipalen voor klimplanten in de zijdelingse strook aan de Botestraat 127 te Gent (Wondelgem), op een perceel kadastraal bekend Sectie B, nr. 577/m; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent op 23 augustus 2001 de regularisatievergunning weigert; dat de verzoekende partijen op 26 september 2001 beroep instellen tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 6 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie inzake hun belang bij het beroep het volgende uiteenzetten : "De gehele procedure beschreven in art. 158 en 159 van het decreet dd. 18.05.1999 waarbij de stedenbouwkundige inspecteur met toestemming van de vergunningverlenende overheid een vergelijk kan treffen met de overtreder op voorwaarde dat hij een geldsom betaalt en een regularisatievergunning aanvraagt en waarbij vervolgens de ambtenaar een certificaat opstelt, kan niet geschieden op het initiatief van verzoekers. Wanneer de vergunningverlenende overheid eraan denkt een vergunning af te leveren (wanneer een vergunning kan worden afgeleverd), dan dient zij het nodige te doen ten einde dat door de ambtenaar een certificaat wordt afgeleverd aan de overtreder, de vergunningverlenende overheid en de procureur des Konings. Het zijn de vergunningverlenende overheden, het College van Burgemeester en Schepenen en de Bestendige Deputatie die op de eerste plaats beslissen het dossier al dan niet door te sturen naar de ambtenaar. X-10.813-2/4 Wanneer de vergunningverlenende overheden er niet aan denken een vergunning af te leveren, dan sturen zij het dossier niet op naar de ambtenaar en wordt er nimmer overgegaan door de ambtenaar tot een vergelijk en een certificaat. Verzoekers zijn aldus volledig afhankelijk van de willekeur van het College van Burgemeester en Schepenen en de Bestendige Deputatie opdat er wordt overgegaan tot een eventueel vergelijk en het afleveren van het certificaat in hoofde van de ambtenaar en waarbij achteraf een regularisatievergunning wordt verleend door de overheid. Het kan niet in de schoenen worden geschoven van verzoekers dat er geen certificaat voorhanden was op datum van het indienen van de vordering tot nietigverklaring bij de Raad van State. Verzoekers konden daaromtrent geen initiatief nemen."; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoekende partijen in hun laatste memorie, niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikten; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partijen derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang hadden bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partijen hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerven; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep; dat het beroep niet ontvankelijk is, X-10.813-3/4 BESLUIT: Artikel
  4. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.813-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.918 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.