← België

Arrest 132919 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.919 Rolnummer: A. 116512/X-10793 Zaak: Arrest 132919 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.919 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.919 van 23 juni 2004 in de zaak A. 116.512/X-10.

  1. In zake : de v.z.w. WERELD-MISSIEHULP, die woonplaats kiest bij Advocaat F. VAN BELLINGHEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Isabella Brantstraat 63 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. WERELD-MISSIEHULP op 7 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 3 augustus 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het uitbreiden van een loods gelegen te Boechout, Provinciesteenweg 400, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 8b; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.793-1/5 Gelet op de beschikking van 16 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. SEBREGHTS die, loco Advocaat F. VAN BELLINGHEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 12 oktober 1998 de regularisatievergunning aanvraagt voor het uitbreiden van een loods gelegen te Boechout, Provinciesteenweg, op een perceel kadastraal bekend Sectie D, nr. 8b; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout op 27 september 1999 de regularisatievergunning weigert; dat de verzoekende partij op dezelfde datum beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 3 augustus 2000 beslist het beroep niet in te willigen; dat de verzoekende partij op 11 oktober 2000 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 5 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie inzake haar belang uiteenzet wat volgt : "Los van het feit of verzoekster al dan niet beschikte over het vereiste certificaat, dient te worden opgemerkt dat verzoekster wel degelijk belang had op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift en nog steeds belang heeft bij het vernietigen van het bestreden besluit. Verzoekster heeft reeds in haar verzoekschrift tot nietigverklaring en in haar memorie van wederantwoord de onwettigheid van het bestreden M.B. d.d. 5 december 2001 aangetoond. X-10.793-2/5 Verzoekster heeft belang bij het laten vaststellen van deze onwettigheid door Uw Raad. Indien Uw Raad immers de onwettigheid van de bestreden beslissing vaststelt en overgaat tot vernietiging van deze beslissing, zal de Minister bij het nemen van een nieuwe beslissing rekening moeten houden met de door Uw Raad vastgestelde onwettigheden. Op deze wijze kan voorkomen worden dat een nieuwe beslissing wordt genomen, dewelke opnieuw aangetast is door onwettigheden. Door het nemen van een nieuwe beslissing, zonder onwettigheden, krijgt verzoekster de mogelijkheid om alsnog een vergunning te bekomen. Verzoekster beschikte dus op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring over het vereiste belang. Zij beschikt thans nog steeds over dit belang.
  3. Verzoekster zou tenslotte nog willen wijzen op het feit dat het betrokken certificaat niet vereist was ten tijde van de regularisatieaanvraag op 12 oktober 1998, noch op het ogenblik van het nemen van de beslissing door het College van Burgemeester en Schepenen op 27 september
  4. Op het ogenblik dat beroep werd ingesteld bij de Bestendige Deputatie was een dergelijk certificaat evenmin vereist. De Bestendige Deputatie heeft vervolgens bij besluit d.d. 3 augustus 2000 het beroep van verzoekster niet ingewilligd. Op dat ogenblik was het betrokken certificaat wel vereist. Nochtans werd dit niet opgeworpen. Verzoekster heeft vervolgens op 11 oktober 2000 beroep ingesteld bij de Vlaamse regering tegen het onwettig besluit van de Bestendige Deputatie. Op dit ogenblik was een dergelijk certificaat nog steeds vereist. Wederom werd er geen melding van gemaakt van het feit dat een certificaat vereist was. Bij M.B. d.d. 5 december 2001 werd het beroep van verzoekster afgewezen. Op het ogenblik van het indienen van het inleidend verzoekschrift tot vernietiging, namelijk op 7 februari 2002, was het betreffende certificaat nog steeds verplicht. Er kon geen certificaat voorliggen gezien dit 'instrument' niet bestond op het ogenblik waarop de aanvraag werd ingediend. Om die reden was het niet van toepassing op de aanvraag gezien het niet gold bij aanvang van de behandeling van de aanvraag. Het rechtszekerheid en vertrouwensbeginsel zouden geschonden worden door tijdens de procedure de procedureregels te wijzigen. Bij decreet van 8 maart 2002 werden artikel 158 en 159 D.O.R.O. gewijzigd, waardoor het betrokken certificaat uiteindelijk niet langer vereist is. Voormeld decreet trad in werking op de dag dat het gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad, namelijk op 23 maart
  5. Dit is amper een maand na het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Op het ogenblik van het indienen van de vordering was verzoekende partij op de hoogte van de decreetswijziging die reeds besproken was in de bevoegde commissie van het parlement. Het is niet ernstig de wetswijziging, waardoor het betreffende certificaat vereist werd, tegen te werpen aan verzoekster, terwijl de verschillende beroepsinstanties, noch de stedenbouwkundig inspecteur, dit nooit eerder aan verzoekster hebben opgeworpen. Zeker nu, het betrokken certificaat niet langer vereist is. Verzoekster beschikte over het vereiste belang op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift en beschikt thans meer dan ooit over een belang bij het vaststellen door Uw Raad van de onwettigheden in het bestreden besluit. Er is een actueel belang. Wanneer het bestreden besluit vernietigd wordt zal het 'certificaat' geen element van het debat kunnen zijn. De andere onwettigheden kunnen dan recht gezet worden"; X-10.793-3/5 Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat het belang dat volgens de verzoekende partij bij het inleiden van het beroep bestond bij het laten vaststellen van de onwettigheid van het bestreden besluit waardoor de minister, bij het nemen van een nieuwe beslissing na een eventuele nietigverklaring, rekening moet houden met de door de Raad van State vastgestelde onwettigheden waardoor zij de mogelijkheid krijgt om alsnog een vergunning te verkrijgen, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat de verzoekende partij door het betrachten van dit gevolg, een belang heeft bij het beroep; dat ook de omstandigheid dat in een eerdere fase van de vergunningsprocedure geen certificaat was vereist, niet relevant is voor het beoordelen van het belang bij een beroep tot nietigverklaring van de eindbeslissing; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. X-10.793-4/5 Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.793-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.919 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.