← België

Arrest 132921 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.921 Rolnummer: A. 116782/X-10822 Zaak: Arrest 132921 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.921 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.921 van 23 juni 2004 in de zaak A. 116.782/X-10.

  1. In zake : de stad DIEST, die woonplaats kiest bij Advocaat H. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE, Ijzerenmolenstraat 105 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de stad DIEST op 13 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 december 2001 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor de aanleg van een parkeerterrein aan de Boudewijnvest te Diest; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 10 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure en de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; X-10.822-1/4 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. CAREME, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. van DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 5 oktober 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor de aanleg van een parkeerterrein aan de Boudewijnvest te Diest; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 19 december 2001 de gevraagde regularisatievergunning weigert; dat dit de thans bestreden beslissing is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie inzake haar belang bij het beroep doet gelden dat de aanvraag van de regularisatievergunning het eventuele certificaat dient vooraf te gaan, dat derhalve de verzoekende partij "geen meester (is/was) over de verdere behandeling van de vergunningsaanvraag"; dat zij verder stelt dat "de (eventuele) weigering van de stedenbouwkundige inspecteur om een vergelijk te sluiten, niet rechtstreeks, doch uitsluitend via de navolgende weigering van de stedenbouwkundige vergunning en op grond van artikel 159 G.W. kan worden bestreden voor Uw Raad", dat het actueel belang bij het annulatieberoep afhankelijk stellen van het al dan niet in het bezit zijn van het certificaat, er lijkt op neer te komen dat ieder beroep tot nietigverklaring van een stedenbouwkundige vergunning zou moeten worden voorafgegaan door een onderzoek naar de vergunbaarheid van de aanvraag, dat zulks niet de bedoeling kan zijn; dat de vereiste van een certificaat derhalve een kwestie ten gronde is; Overwegende dat de bestreden beslissing de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot X-10.822-2/4 nietigverklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat de argumentatie van de verzoekende partij, met name dat "de (eventuele) weigering van de stedenbouwkundige inspecteur om een vergelijk te sluiten, niet rechtstreeks, doch uitsluitend via de navolgende weigering van de stedenbouwkundige vergunning en op grond van artikel 159 G.W. kan worden bestreden voor Uw Raad" irrelevant is vermits uit de overgelegde stukken niet blijkt dat een dergelijke "weigering" voorlag, ongeacht overigens de vraag of de Raad van State bevoegd is om uitspraak te doen over de beslissing van de stedenbouwkundige inspecteur tot weigering van vergelijk; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  3. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.822-3/4 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.822-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.921 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.