id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.923 Rolnummer: A. 118056/X-10870 Zaak: Arrest 132923 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.923 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.923 van 23 juni 2004 in de zaak A. 118.056/X-10.
- In zake : Els DE GRYSE, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BEKAERT, kantoor houdende te 8700 TIELT, Hoogstraat 34 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Els DE GRYSE op 11 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 10 januari 2002 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep tegen het besluit van 12 augustus 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het ombouwen van een bestaande stal tot paardenstal gelegen te Zedelgem, Bekegemstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 1189f; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-10.870-1/5 Gelet op de beschikking van 16 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. ALLAERT die, loco Advocaat P. BEKAERT verschijnt voor verzoekster, en van Advocaat V. TOLLENAERE die, loco Advocaat Y. FRANÇOIS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster op 27 oktober 1998 de regularisatievergunning aanvraagt voor het ombouwen van een bestaande stal tot paardenstal gelegen te Zedelgem, Bekegemstraat, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 1189f; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Zedelgem op 20 april 1999 de regularisatievergunning weigert; dat verzoekster op 9 juni 1999 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 12 augustus 1999 beslist het beroep niet in te willigen; dat verzoekster op 21 september 1999 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening op 10 januari 2002 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat verzoekster haar belang in het verzoekschrift als volgt toelicht : "De bestreden beslissing zou tot gevolg hebben dat de verbouwde paardenstal niet vergunbaar is en verzoekster de stal niet kan afwerken. Bovendien zou bij een herstelvordering de toestand in oorspronkelijke staat dienen hersteld te worden, met gevolgen voor de reeds gedane ruwbouwwerken. Verzoekster heeft dan ook wel degelijk belang bij de annulatievordering"; X-10.870-2/5 Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie met betrekking tot haar belang in essentie uiteenzet wat volgt : "(...)
- Wat dan de (2 de) voorwaarde (van het vereiste belang) betreft , nl. dat de eventueel tussen te komen vernietiging van de beslissing aan de verzoekende partij een direct en persoonlijk voordeel verschaft, hoe miniem ook, kan niet voorbij worden gegaan aan het wijzigende decreet van 8 maart 2002, waarbij artikels 158 en 159 gewijzigd werden, in die zin dat het verlenen van een regularisatievergunning niet meer afhankelijk is van de opstelling van een certificaat, en waar het auditoraatsverslag nochtans naar verwijst. Ook in het verzoekschrift tot vernietiging van 11 maart 2002, hetzij 3 dagen na het totstandkomen van dit wijzigende decreet, werd hier reeds naar verwezen. Inzoverre nu de Auditeur argumenteert dat de bepalingen van de artikels 158 en 159 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, zoals gewijzigd bij het decreet van 26 april 2000, impliceren dat de vergunningverlenende overheid onmogelijk aan verzoekster een regularisatievergunning kon verlenen zonder dat voorafgaandelijk een vergelijk getroffen was tussen de overtreder en de stedenbouwkundige inspecteur, en een certificaat voorhanden was als bewijs dat de transactiesom inmiddels betaald werd, wordt vanzelfsprekend geen rekening gehouden met het bestaan van het decreet van 8 maart 2002 . Dit decreet mag dan al nog niet van kracht zijn geweest, feit is dat het gestemd was en dat zoals verzoekster er rekening mee kon en mocht houden bij het indienen van haar verzoekschrift, Uw Raad er rekening mee kan en mag houden bij het beoordelen van het rechtens vereiste belang. Feit is dat thans vast staat dat het wijzigend decreet goedgekeurd en bekrachtigd is, en dat de koppeling tussen vergelijk en regularisatievergunning meteen verleden tijd is.
- Men stelt dus vast dat het bestuur in ieder geval, overeenkomstig de (oude) artikels 158 en 159 niet meer verplicht zou zijn om bij een eventuele vernietiging dezelfde beslissing te nemen. (...) Wat meer is, het bestuur zou zich bij een nieuwe beslissing (als gevolg van de beoogde vernietiging van de bestreden beslissing) onmogelijk nog kunnen baseren op de (oude) artikels 158 en 159, en zou haar beslissing enkel kunnen gronden op andere motieven (met dien verstande dat de andere motieven in de bestreden beslissing - zoals betoogd in de annulatieberoepsakte - alvast ondeugdelijk dienen bevonden te worden)
- Er kan dus zeker niet besloten worden dat het belang pas hangende het geding verworven werd. De nieuwe regeling was reeds gestemd op (het) ogenblik van neerleggen van het verzoek tot vernietiging. Het is niet omdat het gestemde decreet nog niet gepubliceerd was, dat het belang nog niet verworven was."; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie opwerpt dat het beroep onontvankelijk is bij gebrek aan belang omdat op het ogenblik van het instellen van het beroep geen vergelijk voorlag, en dat het feit dat lopende de procedure de vereiste van het vergelijk is weggevallen niet volstaat om belang te verkrijgen omdat het belang moet bestaan bij het inleiden van de procedure en gedurende de ganse duur ervan; X-10.870-3/5 Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van verzoekster in haar verzoekschrift en laatste memorie, niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat verzoekster derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van de bestreden beslissing; dat, aangezien een verzoeker reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat verzoekster hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat tot slot de mogelijkheid dat door de nietigverklaring van de bestreden beslissing een situatie ontstaat die voor de verzoekende partij kan leiden tot een beter resultaat, betrekking heeft op de gevolgen eigen aan elk vernietigingsarrest, maar niet inhoudt dat verzoekster door het betrachten van dat gevolg, een belang heeft of verwerft bij het beroep; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. X-10.870-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.870-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.923 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.