id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.926 Rolnummer: A. 119794/X-10917 Zaak: Arrest 132926 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.926 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 132.926 van 23 juni 2004 in de zaak A. 119.794/X-10.
- In zake : de v.z.w. VV SCHOOR 98, die woonplaats kiest bij Advocaat R. BECKERS, kantoor houdende te 2440 GEEL, Djepstraat 8 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. VV SCHOOR 98 op 6 april 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 januari 2002 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende verwerping van haar beroep tegen de weigering van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen, voortvloeiend uit de ontstentenis van een binnen de wettelijke termijn genotificeerde beslissing, van de regularisatievergunning voor de infrastructuur (constructie, kleedkamer en kantine) van de voetbalvereniging gelegen te Balen, Sinterveld, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nrs. 176b, 177c, d, 175e, 178a, 179c, d en 180a; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 31 december 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.917-1/5 Gelet op de beschikking van 16 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. VAN ROMPAEY, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat B. EYCKMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 juni 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor de infrastructuur (constructie, kleedkamer en kantine) van de voetbalvereniging gelegen te Balen, Sinterveld, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nrs. 176b, 177c, d, 175e, 178a, 179c, d en 180a; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Balen binnen de wettelijke termijn geen beslissing notificeert; dat de verzoekende partij op 10 oktober 2001 bij ontstentenis van een beslissing van het college van burgemeester en schepenen beroep instelt bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 22 januari 2002 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij haar belang in het verzoekschrift als volgt toelicht : "De verzoekende partij heeft rechtens het vereiste belang voor het instellen van huidige procedure . De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat het maatschappelijk doel van de verzoekende partij niet meer verwezenlijkbaar is en dat de verzoekende partij zelf zal gedoemd zijn om te verdwijnen."; X-10.917-2/5 Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie inzake het belang uiteenzet wat volgt : "Aangezien de Auditeur ten onrechte van oordeel is dat geen regularisatievergunning meer kon verleend worden zonder de voorafgaandelijke opstelling van een certificaat zoals bedoeld in artikel 158 § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Dat het voorwerp van de oorspronkelijke aanvraag van de verzoekende partij tot voorwerp had de regularisatie EN de opstelling van een certificaat in toepassing van art 158 § 2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Dat bij beslissing van de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur dd 13 september 2001 de aanvraag tot regularisatie en tot opstelling van een certificaat werd afgewezen; Dat het voorwerp van het beroep ingesteld door de verzoekende partij bij de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen was : beroep in te stellen tegen de beslissing van de gewestelijke inspecteur dd 11 september 1999 waarbij onze vraag tot regularisatie werd afgewezen en waarbij geen certificaat in toepassing van art 158 §2 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening werd opgesteld; Dat de Auditeur ten onrechte de oorspronkelijke vraag van de verzoekende partij als het beroep bij de Bestendige Deputatie splitst in twee delen dan wanneer zij één geheel vormt; Dat de middelen opgeworpen door de verzoekende partij ook terzelfdertijd gericht zijn tegen het onderdeel van de vraag tot vaststelling van een certificaat; Dat de stelling volgens dewelke geen regularisatievergunning meer kon verleend worden zonder voorafgaandelijke opstelling van het bedoelde certificaat in casu niet ter zake dienende is vermits tevens de opstelling van het certificaat werd gevraagd en geweigerd zodat de aangevoerde middelen ook betrekking hebben op het onafscheidelijk onderdeel van het gevraagde certificaat"; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat de argumentatie van de verzoekende partij in het verzoekschrift en de laatste memorie niets afdoet aan de vaststelling dat zij op het ogenblik van het instellen van de vordering tot nietigverklaring niet over het vereiste certificaat beschikte; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden X-10.917-3/5 besluit; dat, aangezien een verzoekende partij reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de redenen die door de verzoekende partij in de laatste memorie worden aangevoerd waarom geen certificaat voorligt, verband houden met het vergelijk dat door de gemachtigde ambtenaar dient te worden getroffen; dat de weigering tot het treffen van het vergelijk, op welk tijdstip dit ook plaatsvindt, hoe dan ook betrekking heeft op de uitoefening van de publieke vordering en op de vervolging van het herstel van het bouwmisdrijf en dus behoort tot de gerechtelijke procedure, zodat alleen de rechter van de rechterlijke orde bevoegd is om kennis te nemen van betwistingen daaromtrent; dat de rechtsmacht van deze rechter die van de Raad van State uitsluit; dat ambtshalve dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij het beroep; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.917-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.917-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.926 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.