← België

Arrest 132927 - - 23/06/2004

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2004 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.927 Rolnummer: A. 116975/X-10836 Zaak: Arrest 132927 - - 23/06/2004 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2004-07-13 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-04 07:24 Fiche Arrest nr 132.927 van 23 juni 2004 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE.nr. 132.927 van 23 juni 2004 in de zaak A. 116.975/X-10.

  1. In zake : de n.v. FRULLEUX TRANSPORT, gevestigd te 9230 WETTEREN, Braakakker 10 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. FRULLEUX TRANSPORT op 18 februari 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 13 december 2001 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 14 september 2001 van het college van burgemeester en schepenen van gemeente Wetteren waarbij haar de regularisatievergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een conciërgewoning te Wetteren, Braakakker 10, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 0523A; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de beschikking van 8 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 16 april 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 juni 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-10.836-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. DECEUNINCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Bestuurssecretaris A. GLABEKE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij op 13 april 2001 de regularisatievergunning aanvraagt voor het oprichten van een conciërgewoning te Wetteren, Braakakker, 10, op een perceel kadastraal bekend Sectie A, nr. 0523A; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wetteren op 14 september 2001 de regularisatievergunning weigert; dat de verzoekende partij op 4 oktober 2001 beroep instelt tegen deze weigeringsbeslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen; dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 13 december 2001 beslist het beroep niet in te willigen; dat dit het thans bestreden besluit is; dat niet wordt betwist dat het in artikel 158, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (hierna : D.R.O.) bedoelde certificaat niet werd opgesteld; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie opwerpt dat de vordering onontvankelijk is wegens gebrek aan belang, dat immers krachtens artikel 159 D.R.O. een regularisatievergunning slechts kan worden verleend na het opstellen van een certificaat, dat dit wordt verleend door de stedenbouwkundige inspecteur nadat deze met de vergunningaanvrager een vergelijk heeft getroffen, dat in casu dit vergelijk niet voorligt, dat de bestendige deputatie derhalve onmogelijk een vergunning kan verlenen; Overwegende dat het bestreden besluit de weigering van een regularisatievergunning betreft; dat krachtens artikel 159, eerste lid, D.R.O. zoals het van toepassing was op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietig- verklaring, een regularisatievergunning slechts kon worden verleend na het opstellen van het certificaat bedoeld in artikel 158, § 2, D.R.O.; dat niet blijkt dat op dat ogenblik aan de door voornoemd artikel 159, eerste lid, D.R.O. opgelegde voorwaarde was voldaan; dat aldus de bevoegde vergunningverlenende overheid de gevraagde regularisatievergunning moest weigeren omdat de alsdan geldende X-10.836-2/4 dwingende bepaling van artikel 159, eerste lid, tweede zin, D.R.O. zich ertegen verzette dat de regularisatievergunning werd verleend zo het vereiste certificaat niet voorlag; dat de verzoekende partij derhalve op het ogenblik van het instellen van het beroep tot nietigverklaring geen belang had bij de vernietiging van het bestreden besluit; dat, aangezien een verzoekende partij reeds moet doen blijken van het rechtens vereiste belang op het ogenblik van het instellen van de vordering, de omstandigheid dat de aangehaalde regelgeving op het ogenblik van het sluiten der debatten was vervangen, derwijze dat het voorleggen van een certificaat niet langer is vereist voor het verkrijgen van een regularisatievergunning, niet tot gevolg heeft dat de verzoekende partij hierdoor het vereiste belang bij het beroep verwerft; dat de door de verwerende partij opgeworpen exceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie verzoekt aan het Arbitragehof de volgende prejudiciële vraag te stellen : "(Schenden) de art. 158 - 159 van het Stedenbouwdecreet (Decreet van 18/5/1999, gewijzigd door het Decreet van 26/4/2000, met voornoemde art. 158 - 159 in de versie zoals integraal aangehaald in het Auditoraatsverslag) de art. 10 - 11 van de Grondwet (...), in samenhang met art. 151 van de Grondwet, art. 6 EVRM, art. 14 EVRM, art. 14 BUPO, art. 26 BUPO en art. 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM,om de hierboven aangehaalde en alhier als volledig herhaald te aanziene redenen"; Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een decreet van de artikelen van titel II "De Belgen en hun rechten" van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken op deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe echter niet is gehouden wanneer de zaak niet door de Raad kan worden behandeld om redenen van onbevoegdheid of niet-ontvankelijkheid, tenzij wanneer die redenen ontleend zijn aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat te dezen de reden van niet-ontvankelijkheid van de vordering niet is ontleend aan normen die zelf het onderwerp uitmaken van het verzoek tot het instellen van voornoemde vraag; dat deze uitzondering te dezen van toepassing is, BESLUIT: Artikel
  2. Het beroep wordt verworpen. X-10.836-3/4 Artikel
  3. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig juni 2004, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.836-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.132.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.